11 jaar EPA’s: ACP-landen in de tang genomen

1 oktober 2013

door Marc Maes (*), 1 oktober 2013

Belgische NGO’s ondertekenden samen met hun partners in Afrika en Haïti een verklaring naar aanleiding van de 11de verjaardag van de EPA-onderhandelingen over de liberalisering van de wereldhandel. Daarin stellen ze de eenzijdige stappen en offensieve eisen van de EU aan de kaak.

epas_protest_tegen_handelsakkoorden_marc_robert_foto_micheldubois_cncd

 

Europa te veeleisend

Sinds 27 september 2002 onderhandelen de Europese Unie en de ACP-landen ‘Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s)‘. EPA’s werden verondersteld bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling en de strijd tegen de armoede in de ACP-landen, mét respect voor de politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten van de ACP-landen zelf.

Van bij de aanvang echter bleek dat de EU veel verder wou gaan dan wat vereist was door de regels van de Wereldhandelsorganisatie en dan de afspraken van het Cotonou Verdrag, ondertekend door de EU en de ACP-landen in 2000 (zie: Inleiding tot EPA’s). Dat zorgde voor een overbelasting van de onderhandelingsagenda waardoor het onmogelijk was om de onderhandelingen af te sluiten tegen de afgesproken streefdatum, 31 december 2007.

 Interim-akkoorden

Maar in plaats van te proberen de voorziene periode te verlengen, heeft de EU sterke druk uitgeoefend op de ACP-landen om interim-akkoorden te aanvaarden, bilateraal of in deelgroepen. Deze ‘interim EPA’s’ werden bovendien vaak voorgelegd op het laatste moment zodat er weinig ruimte was voor grondige analyse of aanpassingen.

Ze bevatten dan ook verscheidene bepalingen die niet in het belang zijn van de ACP-landen. Ze hebben ook versnippering in de ACP-regio’s veroorzaakt of versterkt. De ACP-landen hebben sindsdien getracht om ze te vervangen door verbeterde en regionale overeenkomsten.

De EU streeft offensieve belangen na

Helaas heeft de Europese Commissie zich weinig inschikkelijk getoond om tegemoet te komen aan de bekommernissen van de ACP-landen. Erger nog, zij is blijven aandringen op voorstellen die de eigen  belangen dienen en de ontwikkelingsdoelstellingen van de ACP-landen, zoals bepaald in het Cotonou Verdrag, ondergraven.

Enkele van deze offensieve eisen zijn:

  1. De bevriezing en beperking van de uitvoertaksen.
    Die taksen zijn nochtans belangrijke ontwikkelingsinstrumenten, die de ACP-landen in staat stellen om hun grondstoffenafhankelijkheid te doorbreken en lokale toegevoegde waarde te creëren;

     

  2. De ‘meest begunstigde natie’-clausule
    Daarmee wil de EU de ACP-landen verplichten om ook de EU automatisch elk voordeel toe te kennen dat ze in de toekomst in handelsverdragen zouden toekennen aan opkomende ontwikkelingslanden;

     

  3. de eis voor toegang tot de markten van de ACP-landen die verder gaat dan wat de WTO bepaalt

  

Ratificeren of markttoegang verliezen

Met de aanpassing van een Europese Verordening in mei jl,  maakt de EU een eind aan de huidige voordelige markttoegang van ACP-landen, tenzij ze tegen 1 oktober 2014 hun interim-EPA in voorlopige uitvoering hebben gebracht of geratificeerd. Deze nieuwe deadline legt een ongeoorloofde druk op de ACP-landen en de lopende EPA-onderhandelingen.

Bovendien heeft de Europese Commissie aangekondigd dat de regionale onderhandelingen, die aan de gang zijn sinds 2007, sowieso niet in staat zullen zijn om de intrekking van de voordelige markttoegang te voorkomen. Zelfs als ze vandaag zouden afgerond worden zou de EU immers nog altijd maanden nodig hebben om de tekst juridisch te corrigeren en te vertalen in de 22 officiële talen van de Unie. De regionale akkoorden kunnen daardoor dus niet op tijd worden geratificeerd.


Kiezen tussen pest en cholera in 2007

Het is niet duidelijk wat de ACP-landen nu zullen doen. Van de zestien West-Afrikaanse landen waren er in 2007  3 ontwikkelingslanden en 13 minst-ontwikkelde landen (ondertussen is Kaapverdië gepromoveerd van minst-ontwikkeld naar ontwikkelingsland).

Minst-ontwikkelde landen hebben sowieso vrije markttoegang tot de EU. Zij hebben dus in 2007 geen interim-EPA afgesloten. De drie ontwikkelingslanden zijn Nigeria, Ghana en Ivoorkust.

Nigeria voert vooral petroleum uit en die mag (uiteraard) vrij binnen in Europa. Nigeria heeft dus ook geen interim-EPA afgesloten. Ghana en Ivoorkust daarentegen voeren veel landbouwproducten uit (koffie, cacao, fruit) en daar heft de EU wel hoge taksen op.

Zij hebben in 2007 een interim EPA’s afgesloten om hun producten taksvrij te kunnen blijven invoeren. Maar daarmee hebben zij zich ook akkoord verklaard om op hun beurt ook bijna al hun invoertaksen op Europese producten af te schaffen.

Maar Ivoorkust is lid van de UEMOA, de economische en monetaire unie van Franstalige West-Afrikaanse landen en Ghana en Ivoorkust zijn beiden lid van ECOWAS, de West-Afrikaanse Economische Gemeenschap die ook een douane-unie in wording is.

De interim-EPA’s van Ghana en Ivoorkust met de EU slaan dus een bres in deze unies: als zij hun invoertaksen op Europese producten afschaffen dan komen deze producten via hen de hele ECOWAS-Unie binnen. Als de andere landen zich daartegen willen beschermen, dan moeten zij hun grenzen met Ghana en Ivoorkust sluiten, en dan valt de douane unie uit elkaar.

 

En in 2014?

Daarom hebben alle West-Afrikaanse landen geprobeerd om één regionale EPA te onderhandelen, waarbij de gevoelige producten van alle landen zouden uitgesloten worden van liberalisering. Maar de EU stelt te hoge eisen waar de meeste West-Afrikaanse landen voor passen.

 De nieuwe deadline stelt de hele regio dus voor een dilemma: moeten de minst-ontwikkelde landen meedoen om de markttoegang van Ghana en Ivoorkust te redden, of moeten Ghana en Ivoorkust hun uitvoer naar Europa opofferen op de douane-unies te redden?

Of, en die mogelijk wordt ernstig bekeken, kan de ECOWAS,  Ghana en Ivoorkust compenseren voor hun verlies aan export als ze hun interim-EPA niet ratificeren en daardoor uitvoer naar de EU verliezen?

Soortgelijke dilemma’s stellen zich in de ander regio’s. Zal Kameroen als enige de “Centraal-Afrikaanse” interim EPA ratificeren en Kenya de Oost-Afrikaanse? Of zullen ze dat niet doen, de kosten slikken en rustig verder onderhandelen voor een regionale EPA die misschien minder slecht is als de interim EPA’s?

 

 

 Oproep 

De civiele maatschappij in de ACP-landen roept hun regeringen alleszins op om niet overhaast te werk te gaan. De Belgische ngo’s vormen samen met hun partners in Afrika en Haïti een (Franstalig) netwerk dat de relaties tussen de Eu en de ACP-landen opvolgt.

Samen ondertekenden ze een verklaring naar aanleiding van de 11de verjaardag van de EPA-onderhandelingen.  Daarin stellen de eenzijdige stappen en offensieve eisen van de EU aan de kaak. 

Aan de ACP-landen vragen ze om

  1. hun koelbloedigheid te bewaren en niet toe te geven aan de Europese druk en eisen;
  2. voorkeur te geven aan de regionale en continentale integratie die veel belangrijk is de preferentiële toegang tot de Europese markt;
  3. grondig de huidige waarde te onderzoeken van deze markttoegang in het licht van de voortdurende afzwakking ervan sinds de Cotonou Overeenkomst en van de groeiende diversificatie van de ACP-relaties met de opkomende ontwikkelingslanden:
  4. compensatiemechanismen uit te werken om schokken te voorkomen wanneer de EU eenzijdig de handelspreferenties opzegt.

     

 

 

De verklaring werd ondertekend door CNCD en 11.11.11, Oxfam Solidareit, SOS Faim, Entraide et Fraternité, GRESEA, Socsol en de volgende partners:

  • APROPRIADEV ONG, Angola
  • Association de soutien à l’autopromotion sanitaire et urbaine (ASAPSU), Ivoorkust
  • Association malienne pour le développement intégré et participatif (AMADIP), Mali
  • Centre national d’appui au développement et à la participation populaire (CENADEP), RD Congo
  • Coalition des alternatives « Dette et Développement » (CAD-Mali), Mali
  • Conseil de concertation des organisations d’appui aux initiatives de base (CCOAIB), Rwanda
  • Conseil national congolais des ONG de développement (CNONGD), RD Congo 
  • Dynamique des organisations de la société civile d’Afrique francophone (OSCAF), Benin
  • Espace Cotonou, RD Congo
  • Forum des ONG d’Angola (FONGA), Angola
  • Forum social sénégalais, Senegal
  • Groupe d’Action et de Recherche en Environnement et Développement. (GARED), Togo
  • Groupe de recherche et d’action pour la promotion de l’agriculture et du développement (GRAPAD), Benin
  • Le Collectif des ong pour la sécurité alimentaire et le développement rural du Cameroun (COSADER), Kameroen
  • Les jeudis de Cotonou, Kameroen
  • Observatoire de l’action gouvernementale (OAG), Burundi
  • Panafricaine pour l’éducation au développement durable, à la citoyenneté, à la souveraineté alimentaire et à la coopération solidaire (PAEDD), Senegal
  • Plate-forme des acteurs de la société civile du Bénin (PASCIB), Benin
  • Plate-forme des acteurs non-étatiques, Senegal
  • Plate-forme haïtienne de plaidoyer pour un développement alternatif (PAPDA), Haïti
  • Réseau des plates-formes d’ONG d’Afrique de l’Ouest et du Centre (REPAOC), West-Afrikaans regionaal netwerk.
  • Réseau pour la promotion de la démocratie et des droits économiques et sociaux (PRODDES), RD Congo – Secrétariat permanent des ONG (SPONG), Burkina Faso

 (*) Marc Maes is beleidsmedewerker Handel bij 11.11.11, de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging.

Meer info : Lees het dossier EPA’s op 11.be 

Deze bijdrage verscheen op de website van 11.11.11 op 27 september 2013.

Reacties plaatsen niet mogelijk