Facebook

Boekvoorstelling: “Europa, een niet geautoriseerde biografie” – DEEL 4

8 maart 2017

door David Baele, 8 maart 2017

 

Dit is het vierde deel van de voorstelling van het boek ‘Europe : une biographie non autorisée’ van Bruno Poncelet. Vorige afleveringen vindt u in onze  boekenrubriek

Anno 2008 of daaromtrent. De Amerikaanse huizenmarkt stort in nadat insolvabele arme Amerikanen massaal hun huis worden uitgezet door banken die hen hypotheekleningen aangesmeerd hadden. De CDO markt, waarin deze ‘gestructureerde kredieten’ – of ‘stinkende leningen’ zoals Poncelet ze noemt – herverpakt werden, en waarmee vervolgens door banken met junkie allures gespeculeerd werd, stort ook in. Om deze situatie wat te duiden herneemt Poncelet de familie-metafoor van het huwelijk tussen Europa en meneer Pineut, beter gekend als ‘de vrije markt’.

 

Stormloop naar het dek

Om hun 15-jarig huwelijk te vieren hadden Europa en meneer Pineut zichzelf een mooie reis geschonken op een luxecruise in de Financiële Bermuda Driehoek alvorens het anker te lichten richting de Kaap Der Goede Zaken. Meneer Pineut had misschien de slechte gewoonte om Europa’s  ouders (de lidstaten) op te lichten door belastingontduiking voor te staan en zich zelfs toe te leggen op illegale praktijken. Maar Europa had een oogje toegeknepen ten tijde van het financieel gewals, waarbij meneer Pineut de regulering van fundamentele politieke instrumenten zoals wisselkoersen en rentevoeten aan de concurrentie overhandigde.

Europa was sterk gehecht aan meneer Pineut en zou hem niet meteen opgeven; hij was toch zo bedreven in het zakendoen, dat had ze gemerkt in het scheepscasino. Daar werd vlot aan speculatie gedaan met “stinkende leningen”, CDO’s, CDS’en en dies meer. De berg geld bleef zich maar opstapelen. Ze maakte zich wel wat zorgen over haar echtgenoot, die als een verslaafde te keer ging. Maar omdat ze naarstig op zoek was naar haar verloren gloriedagen als wereldleider – een moeilijk te verwezenlijken doel gezien de harde concurrentie tussen haar clandestiene vader Uncle Sam, Azië en de opkomende landen – en ze zichzelf dit niet zag bolwerken zonder de “marché inique”, de grote bedrijven en een ultracompetitief universum, klampte ze zich vast aan de tirannieke competitie. Ze gaf wetgevende cadeaus aan de grote bedrijven, ontwierp spelregels die multinationals ten goede kwamen, zette aan tot fusies en overnames, moedigde speculatie aan en ondersteunde de banksector door haar ouders te verplichten geld te lenen bij de financiële markten.

Maar plots, net wanneer men dacht de Kaap Der Goede Zaken te bereiken, waar de uitbreiding van de markten tewerkstelling en welzijn creëert, deed zich een catastrofe voor op het schip. In de casinozaal, aan de tafel van de financiële markten hadden bankiers een spel bedacht dat even cynisch als amusant was: het kwam er op neer dat men een vergiftigd product ontwikkelde (de ‘stinkende leningen’ die aangesmeerd worden aan insolvabele gezinnen) die men vervolgens van de hand deed door ze aan iemand anders door te verkopen. En al wie hier dankzij een grote inventiviteit in slaagde werd beloond. Door de jaren heen hadden weddenschappen zich opgestapeld want van makkelijk geld verdienen werd iedereen euforisch. Althans, tot de grote catastrofe.

In september 2008 viel de grootbank Lehman Brothers van zijn stoel na een hartstilstand. Met een droge keel door een tekort aan liquiditeiten belandde deze in een failliet. Je moet geen expert in boekhouding zijn om te begrijpen wat zich had voorgedaan: het lange tijd overtreden van het principe van de financiële rendabiliteit (geen geld lenen aan mensen die niet in staat zijn het terug te betalen) kwam de westerse financiële markten herinneren aan haar bestaan. Het voorspelbare geschiedde: de massale uitzetting van armen die niet in staat waren hun subprime leningen terug te betalen deed de Amerikaanse huizenmarkt ineenstorten. Dit veroorzaakte het openspatten van de speculatieve zeepbel en dreigde al de casinospelers het failliet in te jagen.

In een mum van tijd ontruimden al de bankiers, de investeerders, de verzekeraars en andere financiële speculanten de ruimte. Zo snel ze konden namen ze uit angst voor besmetting hun toevlucht tot het dek, maar het kwaad was geschied: het ontbrak zo goed als iedereen aan liquiditeiten, en al hun zakken zaten vol toxische activa. In de paniek van de stormloop struikelden ze overboord in het ijskoude water van de financiële tegenslag, op de rand van een beroerte. Ze dreigden te zinken onder het gewicht van hun toxische activa. In volle paniek en terwijl ze het verschrikkelijke monster van de schuld om hen heen roken, begonnen ze te roepen: “Help, help, ik wil niet op deze manier sterven!”

 

Too big to fail

Volgens Poncelet hadden de regeringen wereldwijd slechts één optie om de banken te redden: de verliezen socialiseren. De vraag was alleen hoe ze in ’s hemelsnaam een injectie van publiek geld – en dan nog voor instellingen die zich uiterst corrupt gedragen hadden – zouden verantwoorden voor een bevolking die altijd maar te horen kreeg dat er geen geld is. Het Verdrag van Maastricht legde namelijk aan elk land die de Euro wou invoeren een vermindering van de begrotingsdeficieten op. Om die reden kwamen de regeringen met het ‘too big to fail’ argument op de proppen: we moesten solidair zijn met de bankensector want als die ten onder gaat zouden we allemaal mee de dieperik ingesleurd worden.

In de VS kostte deze reddingsoperatie 7800 miljard dollar, wat in 2 jaar tijd het begrotingsdeficit van 3,2% van het BBP in 2008 liet oplopen tot 10,6% in 2010. In België schoot de overheid er tussen 2008 en 2012 32,6 miljard euro bij in, wat neerkwam op bijna een tiende van de Belgische overheidsschuld. Terwijl 15 jaar soberheidsbeleid geleid had tot een vermindering van de staatsschuld van 138% van het BBP in 1993 naar 84,1% in 2007, zag België haar overheidsschuld terug stijgen naar 96,2% in 2011. En wat ook niet vergeten mag worden is dat 54% van die stinkende leningen door Fortis aangekocht werden via belastingparadijzen. Tussen 2008 en 2011 werd in Europa 1600 miljard euro neergeteld in de vorm van steun of waarborg door overheden. De astronomische bedragen doen Poncelet de vraag stellen aan welke voorwaarden men zo’n gigantische socialisering van de verliezen kon verkopen.

Dit nooit meer!

Toerekeningsvatbaar of niet, de financiële markt moest hoe dan ook geneutraliseerd worden en in de mate van het mogelijke de aangerichte schade herstellen. Maar, zo stelt Poncelet, gezien de markt geen persoon is maar bestaat uit private bedrijven die beantwoorden aan door de politieke wereld bepaalde wettelijke regels was het dus de politieke wereld die het kwaad aan de wortel moest aanpakken. Of men dit nu trachtte te bereiken via het stimuleren van goede praktijken, door wetten goed te keuren die maatschappelijk verantwoorde investeringen bevorderden of  het bestraffen van slechte praktijken door speculatie te belasten, men moest hoe dan ook het principe van de “vrije en onvervalste markt” in vraag stellen. En dit is ook wat de eerste reactie van de politieke wereld liet uitschijnen. Deze reageerde in eerste instantie zeer kordaat: dit nooit meer!

Zowel in in de VS als in Europa werd nieuwe wetgeving in het leven geroepen om het risico op systeemcrisissen te vermijden (Financial Stability Oversight Council in de VS, Europees Comité voor Systeemrisico’s in Europa). Maar terwijl je in de VS een uniforme wetgeving hebt, krijg je in Europa een versplinterde wetgeving die nog eens bovenop de nationale wetgeving komt. Volgens Poncelet schijnt de politieke wereld dus akte te hebben genomen van een belangrijk feit: om de hegemonie van de private financiële sector te voorkomen moest deze bewaakt en gereguleerd worden. Maar een belangrijk dogma die de crisis van de stinkende leningen overleeft is volgens Poncelet de grote spurt voor de mondiale competititiviteit, die handelsongelijkheid verbreedt en de intensieve speculatie aanmoedigt.

De wedloop naar wat Poncelet het ‘gigantisme’ of de reuzengroei noemt met de internationale concurrentie en het steunen van de eigen multinationals als doel blijft de referentienorm. Dit heeft een invloed op de regulering van de financiële markt die, om competitief te blijven, net meer vrijheid nodig heeft om risico’s te nemen en door innoveren een wereldleiderspositie te bekomen. In plaats van regulering en transparantie zouden puur speculatieve activiteiten volgens Poncelet daarom gewoonweg moeten verboden worden.

Een transactiebelasting werd in tegenstelling tot de VS wel overwogen in Europa, maar deze bleek zeer beperkt te zijn voor derivaten, en op geen enkele manier uit te gaan van catastrofescenario’s in de bankenwereld. De Europese Richtlijn die de ‘complementaire bewaking versterkt van de financiële entiteiten en conglomeraten’ beperkt zich anderzijds tot het aankondigen van toekomstige maatregelen tegen een ganse resem diverse firma’s. Het feit dat deze richtlijn al deze soorten firma’s categoriseert toont volgens Poncelet aan dat Europa niets wenst te doen aan de complexe financiële activiteiten, wat nochtans onontbeerlijk is wanneer je de concentratie van kapitaal en de constante versterking van de hiërarchische ongelijkheid tussen private firma’s voor ogen hebt.

Gigantische imperia

Net na de crisis deden een aantal grootbanken goede zaken door quasi failliete banken, wiens aandelen dermate gezakt waren, voor een appel en een ei op te kopen. In België deed de Franse groep BNP Paribas gouden zaken door in ruil voor aandelen het grootste deel van de aandelen van de gezonde restbank van Fortis over te kopen. Op het moment van de eigenlijke verkoop waren die aandelen van BNP Paribas namelijk van 68 euro per aandeel gezakt naar 21,5 euro, een vermindering van 8,23 miljard euro naar 2,6 miljard euro. Poncelet legt uit hoe zich in de VS een gelijkaardige beweging voltrok, waarbij na de crisis 6 grootbanken twee derden van de markt controleren. Hij concludeert hier dan ook uit dat de overheden zowel in Europa als in de VS de ontwikkeling van financiële imperia verder aanmoedigen waarop de nieuwe regulering dan moet worden toegepast.

Om de situatie te vermijden van het ‘too big te fail’, of het te groot zijn om ten onder te gaan of het ganse systeem stort in, beweren deze staten dat de regulering die sinds 2015 banken in faillissement verplicht om eerst het geld van hun eigen aandeelhouders aan te spreken een uitweg biedt. Maar volgens Poncelet is dit slechts een excuus dat er voor zorgt dat banken kunnen blijven groeien. Wat deze situatie namelijk zo explosief maakt is de vermenging van activiteiten van spaarbanken en investeringsbanken, wat sinds de crisis ongewijzigd gebleven is. Poncelet herinnert eraan president Rooseveld in de jaren ’30 een dergelijke maatregel oplegde om te vermijden dat de overheid terug zou moeten tussenkomen. Maar zo niet in het Europa van na de financiële crisis van 2008. Om gigantische imperia te kunnen bouwen wordt het banken vandaag toegelaten om met het geld van de burgers verder te speculeren. Om nog maar te zwijgen over  de financiële spitsvondigheid, waar – dankzij de ‘hoge frequentie trading’  eigenlijk niets aan veranderde.

Nieuwe rookgordijnen

Hoge frequentie trading: beurstransacties gebeuren steeds meer door computers die in microseconden aandelen aan- en verkopen. Computers vervangen dus steeds meer de menselijke traders. In de VS controleren deze reeds twee derde van de markt, in Frankrijk ook al een derde. Maar Poncelet legt uit waarom dit geenszins frauduleuze praktijken in de financiële wereld inperkt. Ze nemen gewoon een andere dimensie aan: deze computers kunnen bijvoorbeeld informatienetwerken verzadigen of storingen creëren waarbij marktprijzen gemanipuleerd worden alvorens een transactie uit te voeren.

De flash-crash is een fenomeen dat als gevolg van deze informatisering van beurstransacties in de VS het licht zag. Het gaat om een bruuske daling van de aandelen als gevolg van de verkoop van aandelen door een computerprogramma, die dan in microseconden bij andere computers tot een sneeuwbaleffect leidt doordat deze allen samen aan informaticasnelheid aangezet worden hetzelfde te doen. Hieruit leidt Poncelet af dat de speculatieve praktijken van weleer dus niet gestopt zijn. Integendeel, de nieuwe technologie versnelt net het ritme. Er worden nieuwe rookgordijnen opgetrokken, er wordt gespeculeerd dat het een plezier is, voor sommigen althans.

Nochtans, de Foreign Account Tax Compliance Act van 2010 in de VS en de vervolging en veroordeling van Zwitserse bankiers die geholpen hadden de Amerikaanse fiscus te ontwijken tonen aan dat er wel degelijk wat te doen valt wanneer een politieke wil aanwezig is. Maar eigenaardig genoeg, en zeker gezien de financiële crisis in de VS ontstond, werden tot nu toe geen Amerikaanse bankiers veroordeeld. Wat Poncelet hieruit laat concluderen dat de concurrentiepositie van haar eigen markt dus de limiet is van dit voluntarisme. Amerikaanse bankiers werden trouwens wel vervolgd maar kregen de kans om hun vervolging voor relatief kleine bedragen af te kopen. Hierdoor riskeerden ze geen slechte reclame of gevangenisstraffen.

Fiscale competitie

In haar strijd tegen fiscale paradijzen, waarvan het jaarlijkse bedrag dat de staat misloopt tussen de 20.000 en 30.000 miljard euro bedraagt, besliste de G20 dat speculatiefondsen zich dienen in te schrijven in het land waar ze actief zijn, alsook dat elk land verplicht is de gevraagde documenten voor te leggen op vraag van een ander land in het kader van een financieel onderzoek. Maar Poncelet beschrijft hoe dit in de werkelijkheid eigenlijk niet veel zoden aan de dijk legt, want bij de publicatie van die regelgeving werden tal van fiscale paradijzen vergeten, slechts een minderheid van de vragen naar informatie wordt beantwoord. Multinatinationale firma’s voelen zich duidelijk niet bedreigd.

De belastingontwijking in Europa bedraagt jaarlijks 1000 miljard euro. Oorzaak hiervan is het bestaan van nationale fiscale wetgeving gecombineerd met het vrij verkeer van kapitaal. Politieke meningsverschillen over de ideale belastingmethode zijn dus de oorzaak, maar concreet wil dit voor Poncelet zeggen dat de fiscale competitie tussen lidstaten meer dan ooit de Europese norm is. Het grootste probleem met de EU blijft dus overeind: kapitalen mogen zich vrij verplaatsen in een sociaal en fiscaal niet-geharmoniseerde juridische ruimte, wat de facto een privatisering betekenent van de sociale en fiscale wetgeving van de lidstaten. En deze context komt uiteraard ten goede aan dit kapitaal dat men gezworen had te moraliseren, en de giftige financiële wereld die men terug in de pas zou doen lopen.

Brandweer adviseurs uit de financiële wereld

Poncelet merkt ook op dat de architecten van de hervormingen – zowel in de VS als in Europa – praktisch allemaal komen uit de financiële wereld. Zo was de kabinetschef van Obama na zijn eerste verkiezing Willian S. Daley, de ex-vicevoorzitter van de bank JP Morgan Chase. En onder diezelfde Obama koos minister van financiën Tim Geithner als kabinetschef Mark Patterson, die er net tien jaar lobbyistenwerk voor Goldman Sachs had opzitten. In het door de Europese Comissie opgezette toezichtcomité duikt bijvoorbeeld de naam op van Jacques de Larosière, adviseur van de directie van BNP Paribas, oud lid van het internationaal raadgevend comité van AIG, de wereldleider in verzekeringen die van het failliet gered werd. Dezelfde de Larosière is lid van het Group of Thirty, in 1978 opgericht door de Rockefeller Foundation die twee maal per jaar samenkomsten organiseert met de tenoren van de internationale bankwereld. Poncelet somt er zo nog een paar op, waaruit hij vervolgens concludeert dat om de financiële pyromanen aan te pakken brandweeradviseurs gekozen worden die hun carrière volledig te danken hebben aan de financiële wereld.

Zonder verkozen te zijn staan betrokken elites dus mee aan het roer van reguleringsinitiatieven. Volgens Poncelet zal er van de regulering van banken niets in huis komen zolang bankiers geen gevangenisstraffen riskeren. En zo lang de race voor de mondiale grootheidswaan bestaat zullen er altijd frauderende grootbanken zijn. De grootbanken zijn misschien wat beter bewaakt sinds de crisis, maar geen enkele regering durft hun gedrag werkelijk in vraag te stellen. Niet alleen door hun macht maar vooral door de hardnekkige mythe van de “vrije en onvervalste concurrentie”.

Vitrines en portiers rond het casino

Poncelet brengt ons even terug naar ons schip. Om de verslaafden te redden die dreigen te stikken in het casino of in het water belanden, worden de duurste reddingsboeien uit de geschiedenis boven gehaald: 1600 miljard dollar alleen voor de eurozone! Terwijl haar ouders (de Europese lidstaten en de VS) voor het publiek verklaren dat ze het kapitalisme zullen moraliseren voelt mevrouw Europa (ondertussen een zestigjarige dame) er niets voor haar oude vrienden in de steek te laten. Om het schip te redden haalt ze er dus experten van internationale instellingen bij (het IMF en de OESO) alsook experten uit… de financiële wereld.

Er wordt beslist om het speculatiecasino niet te sluiten maar eerder om vitrines te installeren en portiers in te schakelen (die de banken al snel met behulp van hun spitstechnologie zullen omzeilen). Laten we ook niet vergeten dat wat op het tapijt ligt geen jetons zijn maar grondstoffen, wisselkoersen, beursgenoteerde bedrijven (en dus werkplaatsen) en wat de eurozone betreft ook schuldbedragen van de bevolking. Want volgens een Europese verdragsregel mogen staten niet lenen bij de Europese Centrale Bank, enkel op de private markt. Financiële instellingen kunnen dus flink verdienen door te lenen bij de ECB aan een lage rente en het tegen hoge rente uit te lenen aan de lidstaten. Het absurde is natuurlijk dat sommige van die staten zich net in de schulden gewerkt hebben door het redden van diezelfde banken, en onder andere net daardoor hoge intresten moeten slikken. De sociale crisissituatie die de nationale begrotingen in vele landen hypothekeert zit hier natuurlijk ook voor een stuk tussen: massale ontslagen, stijgende sociale uitgaven door de werkloosheid, verminderde inkomsten door bedrijfsfaillisementen.

De gratie van de financiële goden

Wraakroepend noemt Poncelet de wijze waarop de financiële markten sinds 2009 begonnen te speculeren op de Griekse staatsschuld. Ze waren zelf grotendeels verantwoordelijk voor de situatie. Zo was huidig ECB-voorzitter Mario Draghi directeur bij Goldman Sachs toen deze de Griekse staat hielp met het camoufleren van de tekorten. Ratingbureau’s die mee verantwoordelijk waren voor de crash van 2008 kregen plots terug geloofwaardigheid bij het beoordelen van de solvabiliteit van staten, en richtten hun pijlen op de zuiderse landen van de eurozone. Op basis van hun quotering bepaalden de ratingbureau’s wie in gratie zou vallen bij de financiële goden en dus aan lage intresten konden lenen.

In plaats van het vrij verkeer van kapitaal aan banden te leggen kreeg de financiële wereld vrij spel. Poncelet herinnert eraan dat de bescherming tegen speculatieve aanvallen eigenlijk een ontstaansreden was van de Euro. Dat economisch machtige staten geen inperking wouden van hun vrijheid en dus hun heerschappij heeft hier ook voor een groot stuk mee te maken. Resultaat was dat in plaats van de financiële wereld te disciplineren men de bevolking disciplineerde, bezuinigde op de begroting, om toch maar de markten te overtuigen van de goodwill van de overheid.

Africhten en tegen elkaar opzetten van werknemers

Om aan de druk van de markten te weerstaan creëert Europa in mei 2010 het EFSF, de Europese Faciliteit voor Financiële Stabiliteit. Dit is een noodfonds waarvan de middelen collectief met garantie van de lidstaten op de financiële markten gekocht worden, met de bedoeling landen van de eurozone die zich in moeilijkheden bevinden te helpen. Maar volgens Poncelet gebeurt hier eigenlijk hetzelfde als bij de eerdere redding van de banken, met dat verschil dat die redding onvoorwaardelijk was. En dat van de voorzichtige hervormingsvoorstellen rond speculatie, hoge lonen van bankiers, technologische manipulatie, belastingontwijking , enz. niets in huis kwam. Wanneer een EU-lidstaat schulden heeft geldt deze onvoorwaardelijke steun duidelijk niet. Voor staten zijn daar heel concrete voorwaarden aan verbonden waar de Troika (Europese Commissie, ECB en IMF) nauwlettend op toeziet.

Op het vlak van publieke inkomsten werd eerst een voorzichtige stijging van de belasting op grote vermogens toegestaan. Dit diende volgens Poncelet echter in de eerste plaats de financiële markten, aangezien deze middelen door de staten gebruikt werden om intresten af te betalen. Deze bedragen zijn trouwens beperkter in omvang dan onrechtvaardige maatregelen zoals BTW-stijgingen.

Wat de publieke diensten betreft wordt privatisering aangemoedigd als manier om geld in het laatje te brengen voor de overheid. Maar, zo stelt Poncelet, op lange termijn zijn er meestal meer kosten dan opbrengsten. Private overnemers voeren steeds een antisociaal beheer van de bedrijven: delokalisatie, onderaanneming, enz. Maar ook publieke bedrijven worden gedwongen managementpraktijken uit de private sector toe te passen die vaak neerkomen op het africhten en tegen elkaar opzetten van werknemers. Dit gebeurt over het algemeen in drie stappen: eerst worden “publiek-private partnerschappen” aangegaan, vervolgens worden werknemers ontslaan die als overbodig bestempeld worden (wat trouwens een effectief chantagemiddel is tegenover vakbonden), en uiteindelijk worden de sociale bescherming, de sociale rechten en het loon van alle werknemers aangevallen. Poncelet herinnert er terloops aan dat het ontslaan van ambtenaren in een context plaatsvindt waarin men zich net had voorgenomen de financiële wereld te reguleren en te controleren, wat alleen kan als er voldoende ambtenaren zijn…

Competitiviteit en soberheid

Ten aanzien van al die ontslagen in de openbare sector en de sociale kost die dit met zich meebrengt blijft het antwoord van de Troika onherroepelijk: snoeien in sociale uitgaven. De welvaartstaat en alles wat met economische democratie te maken heeft moet eraan geloven wil men “Europese steun” krijgen. In Griekenland is de situatie schrijnend: 1 op de 2 jongeren is werkloos, het inkomen van gezinnen is sterk gedaald, meer dan een vierde van de bevolking dreigt in de armoede te belanden en het aantal daklozen is met 25% gestegen tussen 2009 en 2011.

Naast werkloosheidsuitkeringen en pensioenen wordt ook de  organisatie van de arbeidsmarkt geviseerd, waarvan beschermingsmaatregelen en overlegreglementering als te rigide beschouwd worden. Het feit dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) als permanent orgaan het tijdelijk EFSF opvolgde toont volgens Poncelet aan dat het soberheidsbeleid er is om te blijven.

De Europese inmenging in het democratisch leven van de lidstaten veralgemeent zich: al de verordeningen, richtlijnen en akkoorden die sinds 2010 afgesloten werden in het kader van de Europese  ‘economic governance’ zijn een overdracht van nationale bevoegdheden naar de Europese Commissie; het gaat over de begroting, het sociaal-economisch beleid, de arbeidsmarktpolitiek. Als het van de Europese Commissie afhangt kan de sociale bescherming niet vlug genoeg afgebouwd worden, natuurlijk in het belang van de “vrije en onvervalste concurrentie”.

Sinds 2013 moeten alle lidstaten die het Begrotingsverdrag ondertekend hebben het ‘structureel’ begrotingstekort terugdringen tot 0,5% van het BBP. Ten tweede moeten overheidsschulden hoger dan 60% van het BBP verminderd worden a rato van een twintigste per jaar. In Europa, waar de belastingontwijking op 1000 miljard euro geschat wordt en waar 1600 miljard euro uitgegeven werd aan het redden van speculerende banken, is dit een radicale manier om de manoeuvreerruimte van nationale regeringen te beperken.

Een ander doel is de versterking van de competitiviteit. Daarvoor worden tal van sociaaleconomische gegevens opgemeten en beoordeeld: loonniveau, export, internationale positie qua investeringen, wisselkoersen tussen Europa en haar 8 voornaamste partners. Europa kan dus politieke hervormingen voorstellen op basis van de mate waarin een lidstaat die concurrentiepositie van de Europese grootindustrie bevordert. Zo stelt ze bijvoorbeeld voor om private pensioensystemen te verkiezen boven openbare.

Door het nastreven van twee doelen – competitiviteit en soberheid – komen onvermijdelijk de sociale rechten in het vizier. Nationale begrotingen moeten nu aan een systematische evaluatieprocedure onderworpen worden door de onverkozen Europese Commissie. Twee criteria die door de Europese Commissie gebruikt worden om de competitiviteitsinspanningen te meten zijn de evolutie van de loonkosten (zonder rekening te houden met de loonongelijkheid en het groeiend aandeel dat naar dividenden gaat) en het bereiken van een tewerkstellingsgraad van 75% (zonder het te hebben over wat voor soort contracten en jobs). Het concrete gevolg is dus een soberheidsbeleid: onbetaalde stagecontracten in Spanje en het cumuleren van meerdere jobs in Portugal terwijl in Polen en Slovenië 60% van de werkende jongeren geen vast contract heeft.

“Beperkte soevereiniteit”

Met het ‘Europlus Pact’ legt de Europese economic governance een coördinatie op van de nationale politiek van de lidstaten met als referentie de laagste sociale standaarden. Ter waarschuwing kan de Europese Commissie tegoeden van lidstaten in beslag nemen. Indien landen nog steeds weigeren de Europese aanbevelingen te volgen kan de Europese Commissie hen een boete opleggen waarna de lidstaat kan kiezen tussen het uitvoeren van de Europese aanbevelingen, zich naar de private markten wenden of beroep doen op het Europees Stabiliteitsmechanisme. En een ultieme grendel op dit mechanisme is de regel van de omgekeerde meerderheid: minstens 60% van de lidstaten moet niet akkoord zijn om een beslissing van de Europese Comissie tegen te gaan.

Dit allemaal met als doel de bestaansmiddelen van steeds meer Europese burgers te ontfutselen zodat er meer ter beschikking is voor rijke individuen en ondernemingen. Deze rijke klasse kan steeds meer vergaren door het innen van de intrest op de openbare schuld, de onbelaste winsten, de mechanismen van belastingontduiking, de niet geplafonneerde dividenden op aandelen, de torenhoge lonen van topmanagers, enz.

Poncelet concludeert hieruit dat het Europese beleid veel weg heeft van de politiek van de USSR ten tijde van Brezjnev, en wat deze de “beperkte soevereiniteit” noemde. Kon een Oostblokland liberale principes toepassen? Ja, zolang dit geen verzwakking van het ‘socialistisme’ betekent, dw.z. nooit. Poncelet herinnert eraan dat dit destijds één van de argumenten was die door het Westen gebruikt werden om de mensrechtensituatie van de USSR aan te klagen, en te bewijzen dat het om een “communistische tirannie” ging. Vandaag is geen enkel land of instelling verontwaardigd over de EU. Erger nog: de media herhalen enthousiast het credo van de ‘beperkte soevereiniteit’ nu in een kapitalistische versie, als noodzaak om de euro van het failliet te redden.

Visioen over volksverzet

Ter uitleiding van dit deel brengt Poncelet ons terug naar de familiemetafoor. Om haar man te helpen moeten de ouders van Europa dus over de boeg komen met geld, maar dat willen ze niet. Hierdoor krijgt Europa van de stress een hartstilstand en wordt ze naar het ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis stellen de dokters Fitch, Moody’s en S&P haar voor aan drie goede vrienden: de goede, de slechterik en de schoft (m.a.w. the good, the bad and the ugly). Deze kunnen haar helpen haar ouders onder druk te zetten door hen te colloqueren met behulp van het Economic Governance programma. Opgelucht, omdat zich op die manier een oplossing aandient, valt ze in een diepe slaap op haar ziekenhuisbed. Maar tijdens deze slaap heeft Europa een nachtmerrie. Een visioen over volksverzet dat overal de kop opsteekt…

 

 

 

 

 

 

Reacties plaatsen niet mogelijk