Crisis en armoedestatistieken in de EU

10 februari 2014

door Herman Michiel

Welke invloed heeft de eurocrisis op de armoede in Europa? Bij de voorbereiding van een presentatie over oorzaken en gevolgen van deze crisis dacht ik hierover gemakkelijk een grafiek te kunnen opsnorren, en wie zou eraan twijfelen dat die vrij spectaculair zou zijn? Ietwat betrouwbare gegevens vinden bleek echter heel wat moeilijker dan gedacht, veel moeilijker alleszins dan bij Eurostat een grafiek vinden over begrotingstekorten,  staatsschulden of loonkosten. Wat volgt heeft zeker niet de ambitie om de ‘juiste’ cijfers over armoede te geven; mijn bevindingen kunnen misschien wel bijdragen tot wat meer scepsis over Europese armoedestatistieken.

Een eerste bron leek vrij duidelijk: een ‘infographic’ [i] van het Europees Vakbondsinstituut (ETUI) vermeldt een evolutie van 78 miljoen armen (16% van de EU-bevolking) vóór de crisis naar 116 miljoen vandaag (23% van de bevolking). Een crisis met 38 miljoen nieuwe armen als gevolg, dramatisch maar geloofwaardig. Dan was er de uitgebreide OXFAM-studie [ii] die in september 2013 verscheen. Er wordt geen evolutie sinds het uitbreken van de financiële crisis gegeven, wel het cijfer van 121,2 miljoen armen [iii] in 2011, en het risico op 25 miljoen bijkomende armen tegen 2025. Het verschil tussen 116 miljoen (ETUI) en 121,2 miljoen (OXFAM) is toch al vrij aanzienlijk. Aangezien beide zich beroepen op EU-cijfers (Eurostat), ging ik daar [iv] kijken. Het resultaat geef ik in grafiek 1:

 GRAF1

Grafiek 1

 

Merkwaardig! Er waren méér armen in 2005 dan in 2012! De financiële crisis brak uit, eerst in de USA in 2008, de eigenlijke eurocrisis vanaf het voorjaar van 2010. Maar daar is weinig van te merken in de grafiek. Anderzijds zijn er volgens deze grafiek ook vóór de crisis reeds rond de 120 miljoen armen in de EU, heel wat meer dan de 78 miljoen die ETUI vermeldt.

Navraag bij ETUI leerde dat de pre-crisis gegevens kwamen van EU-data van 2007 [v]. Welnu, in 2010 nam de EU een andere maatstaf aan voor het “meten” van de armoede, dit in het kader van de Europa 2020 agenda. Voorheen gebruikte men de “mediaan-60”-regel: wordt als arm beschouwd wie minder dan 60% verdient van het mediane [vi] inkomen van zijn/haar land. Vanaf 2010 echter werd een andere definitie ingevoerd. Wordt beschouwd als arm (“groot risico op armoede of sociale uitsluiting”) wie voldoet aan minstens één van volgende criteria:  1) armoederisico op basis van inkomen (de mediaan-60-regel), 2) ernstige materiële deprivatie en 3) huishoudens met zeer lage werkintensiteit. [vii]

Deze nieuwe definitie is niet langer puur ‘monetair’ (gebaseerd op nominaal inkomen) maar ‘multidimensioneel’. Gezinnen zonder kostwinner met een betaalde job worden geacht een groot armoederisico te lopen. Dit is enerzijds een erkenning van het feit dat louter financiële criteria niet voldoende zijn als armoedeparameter; heel wat onderzoekers zullen het daar mee eens zijn. Anderzijds bevat deze nieuwe definitie een stuk ideologie: wie een job heeft ontvlucht de armoede en de uitsluiting. Een job is dé sleutel voor maatschappelijke integratie, en wat ook de remuneratie is, het behoedt je voor armoede. Dit is slechts een deel van de werkelijkheid, die het fenomeen van de working poor en van de marginalisatie door precaire arbeid miskent.

Hoe dan ook, de definitie van armoede veranderde. De ETUI-vergelijking op basis van twee verschillende definities is dus niet consistent. Door vanaf 2010 nieuwe categorieën toe te voegen aan de groep armen vergroot die groep automatisch, crisis of niet. Wanneer dit dan vergeleken wordt met cijfers gebaseerd op de oude definitie bekomt men een lukraak getal.

Maar is de nieuwe Europese definitie betrouwbaar? Is het mogelijk dat de armoede door de crisis niet méér toegenomen is dan Grafiek 1 laat uitschijnen? Ook dat is zeer twijfelachtig. Nochtans is Grafiek 1 wel consistent, in de zin dat over de hele periode hetzelfde (nieuwe) criterium gebruikt wordt. We gaan er ook niet van uit dat de gegevens moedwillig vervalst werden. Scheelt er dan iets aan het criterium?

Wat zou het resultaat zijn indien we het oude criterium (mediaan-60-regel) over de hele periode gebruikten? De data daartoe bestaan [viii]; we geven ze weer in Grafiek 2.

 

 Grafiek2

Grafiek 2

 

In vergelijking met Grafiek1 zijn er natuurlijk minder armen, aangezien de criteria restrictiever zijn. En er is een opwaartse trend over de tijd, zoals we die verwachten. Echter, van ca. 80 miljoen naar een goede  84 miljoen is al bij al een matige evolutie. In procenten uitgedrukt is de evolutie zelfs nog een stuk minder dramatisch: van 16,5% armen naar 16,9%. Nochtans, indien we ons beperken tot de crisislanden Griekenland, Ierland, Spanje en Portugal en onderstellen dat  5% van de bevolking er bijkomend in de armoede vervallen is door de crisis, komen we aan meer dan 3,5 miljoen, vergelijkbaar met de 4 miljoen in de EU-27 [ix]van Grafiek 2; we laten dan een hele reeks landen buiten beschouwing die zeker ook de armoede sterk zagen toenemen (Baltische staten, Bulgarije, Roemenië…). Is de crisis al bij al minder dramatisch dan men aanneemt, of … is ook dit criterium niet echt betrouwbaar?

Vooraleer hierop in te gaan, eerst nog een andere overweging. Zou het niet kunnen dat er weliswaar sterke toename is van de armoede in een aantal landen (Griekenland, Portugal,  … ), maar dat daartegenover een aantal  grote “kernlanden”  (Duitsland, Oostenrijk, Nederland, België …) al bij al niet erg getroffen zijn? In dat geval zal een statistiek over de hele EU-27 heel wat minder spectaculair zijn dan die van een crisisland. Dit effect speelt zeker, en men kan het merken in Grafiek 3, waar de cijfers voor Griekenland (armoede als % van de bevolking) weergegeven zijn, en dit volgens de twee armoedecriteria.

 Grafiek3

Grafiek 3

Volgens de oude methode is er een toename van de armoede voor 2,8% van de bevolking tussen 2007 en 2012, volgens de nieuwe is dit nog uitgesprokener, een toename van 6,3%. Voor Spanje is het gelijkaardig: resp. 2,8% en 5%. Maar voor Portugal is er een afname met 0,2% (oude methode) en een toename van 0,3% volgens het nieuw criterium.

Toch is het haast onmogelijk dat de impact van de crisis en het Troikabeleid  bijvoorbeeld voor Portugal zo miniem, of bijna onbestaande zou geweest zijn. De vraag kan dan meer in het algemeen gesteld worden: zijn de gebruikte criteria in staat de evolutie van de armoede te meten?

Er is een fenomeen waarop tal van onderzoekers al gewezen hebben. In gewone omstandigheden, waar de economie groeit en de lonen en vervangingsinkomesn stijgen (ook al is het maar heel weinig), kan het mediaan-60 criterium (of een andere relatieve maat) een min of meer goede indicatie van de (“monetaire”) armoede geven. Maar wat als de economie krimpt, en het gemiddeld loon/inkomen daalt? Dan verlaagt ook het armoedecriterium… De lat wordt lager gelegd, en ook wie minder inkomsten heeft blijft boven de verlaagde drempel en wordt niet ‘arm’.

Dat dit effect speelt, en zeer aanzienlijk kan zijn, wordt als volgt geïllustreerd. Het Europees vakbondsinstituut ETUI bracht in 2011 een studie uit getiteld “Inequality, poverty and the crisis in Greece[x]. Hierin (Tabel 2)  wordt o.a. de evolutie van de armoede volgens het oude criterium (60% van de mediaan) gegeven van 2009 naar 2010, van 20,06% naar 20.88% [xi], een vrij gering effect. Maar vanaf 2009 begon het Griekse BBP te dalen, wat meebrengt dat de loonmassa en allerlei inkomsten voor veel mensen ook dalen [xii]. Daarom deed ETUI de berekening over met een verankerd criterium: voor 2010 gebruikt men 60% van de mediaan van 2009 (alleen gecorrigeerd voor inflatie). En wat blijkt dan? De armoede maakt een sprong van meer dan 5%, van 20,06% naar 25,45% van de bevolking. Op één jaar, en de echte Europese  soberheidspolitiek is niet eens begonnen voor de Grieken… ETUI vermeldt er de details bij: in 2009 was de standaard-armoededrempel een inkomen van 570 €/maand. In 2010 werd dit 543 €. Maar de inflatie-gecorrigeerde verankerde drempel was 597 €/maand. Een drempel van 543 € dan wel van 597 € geeft dus een verschil in armoedegraad van 4.57% van de bevolking, in het geval van Griekenland dus 537 duizend mensen… Dit op één jaar! Ook de volgende jaren daalde het BBP van Griekenland, zelfs procentueel nog meer dan in 2010. Men kan met zekerheid stellen dat de armoede er heel wat sterker gestegen is dan de gangbare (oude en nieuwe) Europese statistieken suggereren.

Om het wat tastbaarder voor te stellen: beeld je in dat je inkomen van het ene jaar op het andere met 5% daalt. Je voelt je verarmd; maar hetzelfde overkomt de hele straat, de hele stad, het hele land. Zul je het volgend jaar zeggen: zowat iedereen ging erop achteruit, ik loop nog steeds mee met het peloton, van verarming is geen sprake ? Of zal je met je buur vaststellen dat je met je inkomen niet meer hetzelfde kunt doen, aangezien de prijzen niet dezelfde zwaai omlaag maakten?

In een iets andere context speelt hetzelfde fenomeen. Een bekende linkse eis is dat minimumlonen uitgedrukt worden als een fractie van het gemiddeld loon in het betreffende land; 60% wordt daarbij vaak gebruikt. Maar als er een langdurige recessie is, en de lonen gaan omlaag, dan wordt die 60% van het gemiddelde letterlijk een hongerloon, en niet langer een laag maar leefbaar loon [xiii].

 Besluit

De armoedestatistieken van de Europese Unie laten geen dramatische gevolgen van de financiële crisis en het daaraan gekoppelde soberheidsbeleid zien. De fenomenen beschreven in dit artikel suggereren echter dat dit vooral een gevolg is van de gekozen criteria. Relatieve criteria (bv.een inkomen van 60% van het nationale mediane inkomen) evolueren neerwaarts bij een zware recessie, zoals tal van Europese landen die gekend hebben of kennen; daardoor ‘ontsnappen’ veel mensen aan de statistische armoede, terwijl ze volop in de echte armoede zitten. Het gebruik van ‘verankerde’ of absolute criteria kan daar deels aan tegemoet komen.    

We willen niet beweren dat de EU vanaf 2010 een nieuwe armoede-definitie invoerde om dramatische ontwikkelingen te verdoezelen. We kunnen wel vaststellen dat het hen goed uitkomt, en dat de Eurostat-gegevens onterecht  een al bij al beperkte toename van het aantal armen in Europa suggereren.

 


[i] ETUI, Benchmarking Working Europe 2013, http://www.etui.org/Publications2/Books/Benchmarking-Working-Europe-2013

[ii] OXFAM, A cautionary tale, http://www.oxfam.org/en/policy/cautionary-tale-austerity-inequality-europe

[iii] De uitdrukking is “at risk of poverty or social exclusion” (“met een risico op armoede of sociale uitsluiting”), een iets omfloerstere uitdrukking dan de “armen” van voorheen.

[iv] http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&plugin=1&language=en&pcode=t2020_50

[v] Met dank aan Romuald Jagodziński (ETUI) voor een vlotte communicatie hierover.  

 [vi] De “mediaan” is verwant aan het “gemiddelde”, maar niet hetzelfde. Laten we ons beperken tot 5 personen, die resp. 1000, 2000, 2500, 3500 en 11000 euro verdienen. Samen verdienen ze 20000 euro, dus een gemiddelde van 20000/5 of  4000 euro. De mediaan echter is 2500, want er zijn er even veel die méér verdienen dan 2500 als minder. De mediaan is minder gevoelig aan extremen; vervangt men in het gegeven voorbeeld het inkomen van 11000 euro door een van 1000.000 euro, dan blijft de mediaan dezelfde, het gemiddelde stijgt echter naar 201.800 euro).

[vii] Wie aan meer dan één criterium voldoet wordt slechts één maal geteld. Het inkomen van de kostwinner(s) wordt over het hele gezin gespreid (“equivalent inkomen”) volgens bepaalde verdeelsleutels. Voor een korte voorstelling in het Nederlands van armoedestatistieken kunnen we verwijzen naar http://www.armoedebestrijding.be/cijfers_aantal_armen.htm.

[viii] Eurostat, People at risk of poverty after social transfers, t2020_52. De data gelden na sociale transfers, dus werkloosheidsuitkeringen e.d. in rekening brengend.

 [ix] Met EU-27 wordt de Europese Unie met 27 lidstaten bedoeld, d.w.z. zonder Kroatië dat pas op 1 juli 2013 lid werd.

[xi] Dit is lichtjes verschillend van de waarden in Grafiek 3 (van 19,7% naar 20,1%). Dit kan te wijten zijn aan correcties die naderhand aan statistieken aangebracht worden.

[xii] Een artikel op Avanti vermeldt dat de salarisindex in Griekenland op 101,5 stond in 2008 (derde trimester) en op 82,1 in 2013 (eveneens derde trimester). Zie http://www.avanti4.be/analyses/article/dossier-grece-aggravation-de-la-crise-et-debatshttp://www.avanti4.be/analyses/article/dossier-grece-aggravation-de-la-crise-et-debats.

[xiii] Ronald Janssen in “Why the Troika is imposing a Cut on Minimum Wages in Greece“:”If we want to provide for a meaningful floor in European labour markets under which wages cannot fall, then the standard to be defined should not be a relative standard but an absolute one.”

Reacties plaatsen niet mogelijk