Facebook

De goede relaties tussen de EU en Israël

5 juni 2011

Ludo De Brabander
verschenen in Vrede, 9 september 2010

Dat Ben Goerion in mei 1948 de oprichting van Israël kon aankondigen was te danken aan de zionistische lobby die goede relaties onderhield met politieke kringen van de belangrijkste koloniale machten en de Verenigde Staten. Israël maakte meteen werk van het ontwikkelen van goede politieke, economische en militaire relaties met het Westen, maar ook met landen van het communistische Oost-Europa.

Van bij de start van de economische en politieke integratie van Europa knoopte Israël in 1959 diplomatieke betrekkingen aan met de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Een eerste handelsakkoord volgde in 1964. Een samenwerkingsakkoord creëerde in 1975 een vrijhandelszone tussen beide gebieden, dat in 1995 – in volle ‘Oslo’ euforie – vervangen werd door een Associatieakkoord. Dit Associatieakkoord trad op 1 juni 2000 officieel in werking en vormt vandaag de basis voor de relaties tussen Israël en de Europese Unie. Het gaat om een breed akkoord over zaken als economische samenwerking, vrij kapitaalverkeer, liberalisering van diensten, politieke dialoog, samenwerking op sociaal vlak en ook nog een cultureel luik. Hoewel de mislukking van het Oslo vredesproces en het uitbreken van de tweede Palestijnse intifada even een domper zetten op de goede verstandhouding tussen de EU en Israël, kwam het in april 2005 tot een hoogtepunt in de goede betrekkingen met het akkoord voor een Actieplan in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB). Dat zorgde voor de concrete verwezenlijking van de Essen Verklaring uit 1994. De Europese Raad stelde toen dat Israël een speciale status zou moeten krijgen in zijn relatie met de EU. Het ENB-Actieplan opent als volgt: “De EU en Israël zijn nu dichter bij elkaar dan ooit tevoren en zullen als nabije buren hun politieke en economische wederzijdse afhankelijkheid versterken.” De EU en Israël verbinden zich er in het Actieplan toe om zich in te zetten “voor een nauwere politieke samenwerking en dialoog gebaseerd op hun gemeenschappelijke waarden: respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, democratie, goed beleid het internationaal humanitair recht.”

Mensenrechten en internationaal recht
Deze goede verstandhouding tussen de EU en Israël is opmerkelijk. Zeker in het licht van de kritische verklaringen die de diverse Europese instellingen geregeld uiten op het beleid van het land. Ook bij monde van de Europese ministers heeft de EU al meermaals haar ongenoegen geuit over de Israëlische kolonisatiepolitiek in de bezette Palestijnse gebieden. Officieel hecht de EU een groot belang aan een rechtvaardige oplossing van het Arabisch-Israëlisch conflict en heeft het tal van instrumenten in stelling gebracht die het ‘vredesproces’ moeten ondersteunen. Europa beschikt zelfs over een ‘Speciale Vertegenwoordiger voor het Vredesproces in het Midden-Oosten’ in de persoon van Marc Otte. De EU houdt ook vast aan de belangrijke resoluties van de VN Veiligheidsraad (242, 338, 478,….) die een stopzetting van de bezetting vragen en de Israëlische territoriale annexaties niet erkennen.
In het vooruitgangsrapport van april 2009 over de uitvoering van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) liet de Europese Commissie zich behoorlijk kritisch uit over het Israëlische gebrek aan respect voor de basisprincipes van de Europese houding in het conflict. De Commissie sprak over de negatieve impact van de uitbreiding van de joodse nederzettingen op het vredesproces en op de Palestijnse economie, de onbevredigende inspanningen ter bescherming van de Arabische minderheid, de inperking van de persvrijheid, het geweld en de reisbeperkingen tegen mensenrechtenactivisten, het verhinderen van de Europese hulp aan Gaza, de hervatting van de vernietiging van Palestijnse huizen, de gebrekkige aanpak van het kolonistengeweld tegen Palestijnse burgers, enz.

‘Positieve’ diplomatie en verdieping van de relaties
Hoewel de EU dus al heel wat kritische standpunten heeft ontwikkeld, vertaalt zich dat in het concrete beleid ten opzichte van Israël niet in politieke druk en al zeker niet in sanctionerende maatregelen. In de verklaringen, conclusies en bepaalde rapporten van de Raad van de Europese Unie is er zelden sprake van een veroordeling van Israëlische militaire acties, hoewel deze door onafhankelijke mensenrechtenorganisaties of VN-instanties geregeld worden veroordeeld als mensenrechtenschendingen of manifeste inbreuken op het internationaal humanitair recht. Zo heeft de EU het Israëlisch optreden tijdens de 3 weken durende Gaza-oorlogsoperatie ‘Cast Lead’ (winter 2008-2009), op een specifiek incident na, nooit veroordeeld.1 De Europese beleidsmakers lijken te opteren voor een ‘positieve’ diplomatie, die ondanks de kritiek in de loop der jaren is uitgemond in een geprivilegieerde relatie. Het argument dat wordt gebruikt is dat het beter is de deur tot dialoog open te houden met een stimulerend beleid dan ze met een sanctionerend beleid te sluiten.

Op de afkondiging van het Actieplan volgde een hele reeks van initiatieven die de relaties met Israël zowel in de diepte als de breedte versterken. Het doel van het Actieplan is naar eigen zeggen de geleidelijke integratie van Israël in de Europese programma’s. Sindsdien gaat het in sneltreinvaart. De EU stelt dat het ENB “duidelijk een katalyserende rol heeft gespeeld in het bevorderen van de EU-Israëlische relaties”. Die relaties verlopen via tal van programma’s en projecten. Israël is het eerste land dat participeert in het ‘Competitiveness and Innovation Framework Programme’ (CIP) dat de vernieuwing, het ondernemerschap en de groei van kleine en middelgrote ondernemingen promoot. In 2007 kwam er een ‘business-to-business’ dialoog om de bilaterale relaties te verbeteren. Israëlische onderzoekers participeren in honderden projecten in het kader van het ‘Zevende Raamakkoord voor Onderzoek en Ontwikkeling’ (zie verder). Israëlische studenten kunnen gebruik maken van het Europees uitwisselingsprogramma ‘Erasmus Mundus’ terwijl Israëlische universiteiten deel uitmaken van het ‘TEMPUS IV programma’, een moderniseringsprogramma voor het Europees hoger onderwijs. In december 2008 kwam het tot een luchtvaartakkoord. Sinds maart 2004 neemt Israël ook deel aan het ‘Galileo’ programma voor satellietnavigatie, dat eveneens voor militaire toepassingen wordt ontwikkeld. In de periode 2007- 2010 zou Israël jaarlijks 2 miljoen euro hulp ontvangen om de activiteiten in het kader van het ENB te ondersteunen.

De EU maakt geen politiek gebruik van haar economisch gewicht
Israël was als één van de grootste handelspartners van de EU in de Euro-Mediterrane zone goed voor een totale handelsbalans van 25,3 miljard euro in 2008. In totaal vertegenwoordigt Israël slechts 1 procent van de totale handel van de EU, wat het economisch belang van Israël voor de EU dan weer relativeert. Voor Israël daarentegen is de EU de belangrijkste markt voor export met in 2008 een waarde van 11,2 miljard euro.2 De import van goederen vanuit de EU bedroeg toen14,1 miljard euro. In totaal was de EU goed voor meer dan een derde van de Israëlische handel met de wereld. Dat geeft de Europese Unie potentieel een belangrijk instrument om Israël een politiek te laten varen die overeenkomt met de officiële standpunten van de Europese Unie en de resoluties van de VN Veiligheidsraad. Dat de EU amper gebruik maakt van haar economisch gewicht kan heeft verschillende redenen.

Er is eerst en vooral de aanwezigheid van een politiek sterke pro-Israëllobby met belangrijke bondgenoten in verschillende rechtse, centrum en centrumlinkse Europese partijen. Het historisch schuldgevoel over het Europees antisemitisme met een gruwelijk dieptepunt tijdens de Tweede Wereldoorlog speelt zeker en vast ook een rol. Opeenvolgende Israëlische regeringen maakten volgens de joods-Amerikaanse auteur Norman Finkelstein handig gebruik van dat schuldgevoel en discrediteerden – indien nodig – kritiek op de Israëlische bezettings- en repressiepolitiek als antisemitisme.

Er is natuurlijk ook het economisch eigenbelang. Hoewel het handelsvolume met Israël slechts een kleine fractie vertegenwoordigt van de EU-wereldhandel gaat het over niet onaanzienlijke bedragen en daar zitten uiteraard altijd economische belangen met politieke verlengstukken aan vast. Denken we in eigen land maar aan de diamantsector in het Antwerpse. Israëls grootste economische belang  voor de EU ligt op het vlak van het (toegepast) wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling. Israël is het belangrijkste niet-EU land in het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek (2007 – 2013, zie verder), dat de concurrentiepositie van Europese bedrijven moet verhogen. Israël is daarin gegeerd omdat het over een erg ontwikkelde hoogtechnologische industrie beschikt in sectoren als de biotechnologie, de communicatietechnologie en de militaire industrie.

Tenslotte is er de klassieke Europese verdeeldheid, met als resultaat dat verklaringen altijd doorspekt zijn van voorzichtige concensusformuleringen. De verdeeldheid werd bijvoorbeeld duidelijk toen het Zweeds voorzitterschap een voorstel op tafel legde om Oost-Jeruzalem als de hoofdstad van een Palestijnse staat te erkennen (zoals vastgelegd in een resolutie van de VN). Dat standpunt werd onder druk van Israël en een aantal Europese landen afgezwakt en er werd  toegevoegd dat over de details moest onderhandeld worden. Frankrijk en Groot-Brittannië steunden het Zweedse voorstel, terwijl Duitsland, Italië en Spanje de Israëlische positie steunden.

Associatieakkoord

Het grote contrast tussen politieke principes en beleidsverklaringen enerzijds en de Europese beleidspraktijk anderzijds is heel duidelijk te zien bij de ontwikkelingen rond het Associatieakkoord. In de preambule van het akkoord wordt het belang benadrukt van het VN Handvest. De mensenrechten en democratische principes vormen “de allereerste basis van de Associatie”. Artikel 2 van het akkoord bepaalt verder dat de relaties tussen de EU en Israël gebaseerd zijn op het respect voor de mensenrechten en de democratische principes als een “essentieel element van dit akkoord”. VN-instanties en mensenrechtenorganisaties oefenen geregeld kritiek uit op Israël omwille van mensenrechtenschendingen. In 2008 stelde de Speciale VN-Rapporteur voor de Situatie van de Mensenrechten in de Palestijnse gebieden: “Israël handhaaft en breidt de instrumenten uit die het ernstigst de mensenrechten schenden zoals militaire invallen, nederzettingen, de scheidingsmuur, beperkingen op de bewegingsvrijheid, de Judaïsering van Jeruzalem en de huizenvernietiging.”

Producten uit de nederzettingen
Israël blijft, in weerwil van het internationaal recht, de Palestijnse gebieden hooguit beschouwen als ‘betwiste’ gebieden en de joodse nederzettingen als Israëlisch grondgebied. Producten uit deze illegale nederzettingen genieten bijgevolg ten onrechte van voordelige Europese invoertarieven. Al in mei 1998 – nog voor de officiële inwerkingtreding van het Associatieakkoord – stuurde de Europese Commissie een mededeling aan de Europese Raad en het Europees Parlement met de boodschap dat Israël zich niet aan de bepalingen van het Associatieakkoord houdt. Wegens de herhaalde inbreuken, zag de Commissie zich verplicht om een nota te publiceren met de mededeling dat producten uit de nederzettingen niet kunnen genieten van het voorkeurstarief. De enige maatregel die de Commissie vervolgens nam was de verplichting dat elk Israëlisch product voortaan de herkomst van het product (stad, dorp of zone) moet vermelden. In 2009 vroeg een Duitse rechtbank naar het advies van het Europees Gerechtshof in Luxemburg in de zogenaamde Brita-zaak. Het drinkwaterbedrijf vroeg de toepassing van de voordeeltarieven voor de import van producten gemaakt in joodse nederzettingen, maar de Duitse douane-autoriteiten weigerden dat. Het Europees Hof bevestigde dat goederen uit de nederzettingen niet kunnen genieten van de voorkeursbehandeling onder het Associatieakkoord.

Opwaardering
Mensenrechtenschendingen noch overtredingen van het Associatieakkoord, verhinderden dat de Europese ministers van Buitenlandse Zaken in december 2008 unaniem beslisten om de bestaande relaties tussen de EU en Israël alweer op te waarderen. Het Europees Parlement greep echter in. Een parlementaire meerderheid zorgde er voor dat de stemming over de opwaardering werd uitgesteld. Maar sindsdien volgden verschillende initiatieven en beslissingen die er voor zorgen dat de opwaardering sluipend toch wordt doorgedrukt. In november 2009 tekenden de EU en Israël een nieuwe overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten, die werd gepresenteerd als “een belangrijke stap vooruit in de integratie van de markten van de EU en de Israël”. Even tevoren trok het VN-bureau voor Humanitaire Zaken aan de alarmbel omwille van de Israëlische belemmeringen op de Palestijnse visserij in Gaza. In maart 2010 lekte een vertrouwelijk document uit dat geschreven was door functionarissen onder het Spaans voorzitterschap waarin veel belang werd gehecht aan een spoedige uitvoering van de opwaardering.
Tijdens zijn bezoek aan Israël in het najaar van 2009 zei Javier Solana, toenmalig Hoog Vertegenwoordiger van het Europese Buitenlandse beleid: “Israël is, staat u mij toe om dat te zeggen, lid van de Europese Unie, zonder lid te zijn van de instellingen (…) Het is een lid van alle programma’s.” En hij vervolgde: “Geen enkel land buiten het continent heeft het soort van betrekkingen zoals Israël die heeft met de Europese Unie”. Solana verwees nadrukkelijk naar de deelname van Israël aan de EU-programma’s voor onderzoek en technologie.

Zevende kaderprogramma en veiligheidsonderzoek
Het Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling loopt van 2007 tot en met 2013 met een budget van meer dan 50 miljard euro. Het programma moet bijdragen aan de  Europese Lissabonstrategie om van de EU de “meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld” te maken. Israël nam vanaf 1996 deel aan de Kaderprogramma’s en is inmiddels uitgegroeid tot belangrijkste niet-EU partner. In totaal participeerden al meer dan 700 Israëlische bedrijven en instellingen aan projecten goed voor een totale waarde van 3,5 miljard euro. In het vorige programma (van 2002 tot 2006) ontvingen ze daarbij samen 203 miljoen euro aan Europese onderzoekssubsidies. Voor Israëlische universiteiten is het Kaderprogramma de tweede belangrijkste bron geworden van onderzoeksbudgetten na het Israëlische wetenschapsfonds. Volgens Eliyahu Yishai, de voormalige minister van Industrie, Handel en Arbeid maakt de deelname van de Israëlische industrie en academische instellingen het mogelijk dat de Israëlische industrie uit de lokale markt kan breken. Het Kaderprogramma is met andere woorden een belangrijke hefboom voor de ontwikkeling van de Israëlische economie.

Onder het voorwendsel van de strijd tegen het terrorisme heeft de EU beslist om het veiligheidsonderzoek, waarvoor in totaal 1,4 miljard euro is uitgetrokken, ook open te stellen voor Israëlische (wapen)bedrijven en academische instellingen. Zij participeren er in 10 van de 45 lopende projecten. In vier gevallen is dat als leider van een project.

Via deze projecten steunt de EU niet alleen de Israëlische militaire industrie, maar draagt het ook bij tot de technologische ontwikkeling van het bezettingssysteem. ‘Motorola Israël’ bv. neemt deel aan ‘iDetect 4all’, een waarschuwingssysteem voor verdachte praktijken op “plaatsen van hoge economische waarde”. Motorola maakt onderdelen (smeltzekeringen) voor vliegtuigbommen die gedropt werden door de Israëlische luchtmacht bij de aanval op Gaza. Het perverse is dat ‘iDetect 4all’ wellicht gebruik kan maken van de ervaringen met waarschuwingssystemen in de Palestijnse gebieden. In de laatste 5 jaar is een Motorola radarsyteem ter waarde van 158 miljoen dollar in gebruik in 47 illegale Israëlische nederzettingen op de Palestijnse Westelijke Jordaanoever. ‘Israel Aircraft Industries’ (IAI) is een wapenbedrijf dat in het vorige programma deelnam aan maar liefst 21 projecten. Het bedrijf had er de leiding over het SPEED-project, een geïntegreerd mobiel systeem voor communicatie voor o.m. ‘veiligheidsoperaties’. Andere projecten met IAI-deelname houden rechtstreeks verband met het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid van de EU. IAI produceert oorlogstuig dat zowel in Libanon als Gaza is ingezet. Ook andere Israëlische wapen- of defensiegerelateerde bedrijven zoals ‘Elbit Systems’ en ‘Orbit Communications’ zitten in Europese onderzoeksprojecten.

Wapenhandel

Wat de wapenhandel betreft zet de EU haar zelfverklaarde principes voor een vredesproces eveneens opzij. Israël kan zonder veel problemen op grote schaal wapens op de Europese markt kopen of verkopen. Nochtans geldt in de Europese Unie sinds eind 2008 een Gedragscode voor Wapenhandel met daarin 8 criteria voor de export van wapens. Criterium 2 gaat over de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht. Criterium 3 stelt: “De lidstaten weigeren een uitvoervergunning voor militaire goederen of technologie waardoor gewapende conflicten worden uitgelokt of verlengd”. Volgens het vierde criterium moeten lidstaten een uitvoervergunning weigeren “indien er een duidelijk risico bestaat dat het beoogde ontvangende land de uit te voeren militaire goederen of technologie voor agressie jegens een ander land gebruikt of er kracht mee wil bijzetten aan territoriale aanspraken”. Criterium 6 gaat o.a. over de eerbiediging van het internationaal recht. De Europese Gedragscode voor Wapenhandel belet niet dat nagenoeg alle Europese landen toestemming geven om wapens te verkopen aan Israël. In 2008 ging het over vergunningen ter waarde van 162 miljoen euro.

Conclusies

De Europese Unie schaart zich officieel achter het internationaal recht en de uitvoering van de resoluties van de Veiligheidsraad van de VN. Maar in de toepassing van die principes hanteert de EU op zijn zachtst gezegd een zeer voorzichtige aanpak. Israëlische mensenrechtenschendingen en uitvoerig gedocumenteerde inbreuken op het internationaal humanitair recht worden zelden veroordeeld, laat staan gesanctioneerd. De EU probeert weliswaar een diplomatieke actor te zijn in het kader van een politieke oplossing van het conflict en onderhoudt intensieve contacten met zowel de Israëlische regering als de Palestijnse Autoriteit, maar op vlak van beleidsdaden – zeker in de economische sfeer – haalt de EU de banden aan en laat ze na haar positie te gebruiken om Israël onder de druk te zetten om een einde te maken aan de bezettingspolitiek. In verschillende gevallen overtreedt de EU haar eigen regels. Door haar lakse en zelfs onverantwoorde houding, werkt de EU de door haar zelf verdedigde politieke oplossing van het conflict tegen en steunt het de facto een bezettingsmacht die al jaren weigert de resoluties van de VN-Veiligheidsraad uit te voeren.

Bronnen:
Dugard John, ‘Human Rights Situation in Palestine and other Occupied Arab Territories’, Report of the Special Rapporteur on the situation of Human Rights in the Palestinian Territories occupied since 1967.
European Neighbourhood Policy – Israël. Memo 08/208, 3 april 2008
www.haaretz.com

Reacties plaatsen niet mogelijk