Facebook

De rampzalige sociale en arbeidsmarkthervormingen in Spanje

19 maart 2014

door Vicente Navarro (*)

verschenen op 3 maart 2014 in Social Europe Journal (met dank voor toelating tot overname)
Voor Ander Europa in het Nederlands vertaald door HelmutVan Poelvoorde

 Spanje dat onder druk van de Troika staat (Internationaal Muntfonds, Europese Commissie en de Europese Centrale Bank), onderging drie grote arbeidsmarkthervormingen, die aan het publiek als noodzakelijk werden afgedaan om het schandalig hoge werkloosheidscijfer naar beneden te halen: 25% in het algemeen en 52% onder de jongeren.

 Spanje (en Griekenland) bevinden zich bovenaan in de rangschikking voor werkloosheid. Sinds het begin van de crisis hebben zowel de socialistische (PSOE) en conservatieve (PP) regeringen hervormingen doorgevoerd die ze aanduidden als ‘deregulering van de arbeidsmarkt’, waarbij ervan uit gegaan werd dat het probleem van hoge werkloosheid door een te inflexibele arbeidsmarkt veroorzaakt wordt. De gangbare mening was dat vakbonden vaste werknemers te veel beschermd hebben waardoor het te riskant voor werkgevers werd om nieuwe werknemers aan te werven. Bijgevolg – zo zegt men – zijn werkgevers bang om met nieuwe arbeidskrachten opgescheept te zitten en niet in staat te zijn om ze terug te ontslaan wanneer hun behoefte aan arbeid vermindert.

 Deze veronderstelling is een dogma geworden en zoals alle dogma’s wordt dit door geloof en niet zozeer door wetenschappelijk bewijs onderbouwd. Alsof ze een missie te vervullen hadden, gingen zowel de regering van Zapatero (socialistisch) als de regering van Rajoy (conservatieven) aan de slag en maakten ze het almaar gemakkelijker voor werkgevers om werknemers te ontslaan. En ze ontsloegen inderdaad duizenden en duizenden werknemers. Maar de werkgevers wierven geen werknemers aan aan het tempo dat ze hen ontsloegen. De resultaten zijn dan ook helder genoeg voor iedereen die de realiteit wil zien voor wat ze is, in de plaats van wat men beweert dat ze is.

De werkloosheid is trouwens in de plaats van te dalen, sneller gaan stijgen, in vergelijking met de periode voor de hervormingen. Zo zijn er vanaf het laatste kwartaal van 2011 tot het vierde kwartaal in 2013, 1.049.300 arbeidsplaatsen gesneuveld, met als gevolg een toename van de werkloosheid met 622.700 eenheden. Het aantal werklozen bedraagt nu 6 miljoen mensen. Zevenenveertig procent van hen ontvangt geen enkele werkloosheidsuitkering (deels te wijten aan de besparingen in de werkloosheidsverzekering die tijdens de laatste arbeidsmarkthervorming doorgevoerd werden).

 Naast de toename van de werkloosheid bracht de hervorming ook een snelle verslechtering van de arbeidsomstandigheden teweeg. Onzeker werk (door de vakbonden als ‘strontwerk’ aangemerkt) zit sterk in de lift en momenteel behoren de meeste nieuwe jobs tot deze categorie. Tweeënnegentig procent van de nieuwe contracten zijn tijdelijke jobs en slechts 8% zijn vaste contracten. Een ander resultaat van de hervormingen was de langere duur van de werkloosheidsperiode. Zes van de tien werklozen zitten langer dan een jaar zonder werk, dit is een echte tragedie en alweer een record in dit land met een zeer hoge werkloosheid (samen op eenzame hoogte met Griekenland).

 Dit zijn dan de voorspelbare resultaten van de hervormingen die door de Troika werden toegejuicht. Hervormingen die als noodzakelijk werden voorgesteld om de werkloosheid te verminderen. Toppunt van cynisme is dat ze nog altijd als noodzakelijk worden voorgesteld om de hoge werkloosheid op te lossen, ook al is het falen van deze maatregel maar al te duidelijk. Deze hervormingen hebben exact het tegenovergestelde bereikt van wat ze, in theorie, verondersteld werden te bereiken.

 De eigenlijke doelstellingen van de sociale en arbeidsmarkthervormingen

 Maar deze hervormingen zijn erg succesvol in het behalen van verborgen doelstellingen (waarover nooit in de media of in kringen van het politiek debat gesproken wordt). Deze hervormingen hadden een enorme impact op de lonen: een daling van 10% in twee jaar. In geen enkele van de andere 15 lidstaten van de EU (behalve in Griekenland dan) was er een dermate dramatische daling. Deze daling was eigenlijk wat de Troika en de Spaanse regeringen in gedachten hadden toen ze deze hervormingen oplegden (en ik gebruik de term oplegden aangezien deze hervormingen niet bestonden in de verkiezingstribunes van de regerende partijen, of het nu om de socialisten of de conservatieven gaat).

 Net zoals in het geval van de hervormingen die door de toenmalige bondskanselier Schröder in Duitsland werden doorgevoerd (en dat als model voor de rest van de EU-15 wordt beschouwd), was het doel van de recente arbeidsmarkthervormingen de macht van de vakbonden te temperen en de lonen te verminderen, twee maatregelen die als onontbeerlijk beschouwd worden om de concurrentiekracht aan te vuren (een ander element binnen de hervorming is de veronderstelling dat hoge salarissen de oorzaak zijn van de vermeende daling van de concurrentiekracht van de Spaanse economie, hoewel de cijfers aantonen dat de Spaanse lonen bij de laagste in de EU-15 zijn).

 Ook al nam de arbeidsproductiviteit aan de vooravond van de crisis in veel snellere mate toe dan de lonen stegen, toch blijven de Troika en de Spaanse regering beklemtonen dat ze nog steeds te hoog zijn. Het looninkomen als percentage van het nationaal inkomen is tijdens de periode 2009-2013 dramatisch gedaald en bereikte het laagste percentage ooit (52%). Tezelfdertijd is het inkomen aan de top en nabij de top enorm gestegen. Vandaag is Spanje een land waar de sociale ongelijkheid een van de grootste binnen de OESO is. De 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (de superrijken, de rijken, de bemiddelden en hooggekwalificeerden) verdienen zeven maal meer dan de 20% onderaan de inkomenspiramide (in hoofdzaak ongeschoolde arbeidersklasse). Binnen deze laatste groep zijn er twee miljoen gezinnen waarin niemand werkt. En van de mensen die werken is bijna 15% arm, omdat het loonniveau zo laag is dat het niet volstaat om ze uit de armoede te halen.

 Maar vooral kinderen worden op brutale wijze door dit drama getroffen. De armoede binnen deze groep (driemaal hoger dan het EU-gemiddelde) is sinds 2011 sterk gestegen en treft bijna 30% (2.500.329 kinderen leven in gezinnen in armoede). Het totale aantal kinderen in Spanje bedraagt 8.362.305. Spanje, waar de gezinsconsumptie een van de laagste binnen de EU-15 is, kende een daling in deze consumptie met 18%, op een moment dat de behoefte het grootst was. Vierentwintig procent van deze kinderen in deze arme gezinnen kan niet dagelijks fruit of groente eten. Tweeënveertig procent kan niet aan evenementen buitenshuis deelnemen, 38% heeft problemen om een normaal voedingspatroon aan te houden, enz.

 De vernietiging van de verzorgingsstaat

 Een ander geloofsartikel is de stelling dat de verzorgingsstaat uit zijn voegen gebarsten is en de economie naar de vaantjes helpt. Alweer tonen de cijfers aan dat Spanje een van de laagste sociale uitgaven per hoofd in de EU-15 heeft. Ondanks deze realiteit hebben regeringen op deze uitgaven almaar meer beknibbeld. In de gezondheidszorg (Spanje beschikt over een nationale gezondheidszorg), werd er een besparing met 12.832 miljoen euro doorgevoerd. Dit zorgde voor een vermindering van 18,21% in de uitgaven voor gezondheidszorgen, met 55.000 jobs minder sinds 2009, een frontale aanval op de levensvatbaarheid van de Spaanse nationale gezondheidszorg.

 Een gevolg van deze enorme besparingen was een opmerkelijke groei in private gezondheidsverzekering, waarbij allerlei soorten verzekeringen, hedge funds en risicokapitaal de toegang tot de nationale gezondheidszorg kregen. Ze hebben alle, net zoals de banksector, een enorme invloed op de Spaanse staat. Een van de grootste besparingen werden in Catalonië doorgevoerd waar de minister van Gezondheidszorg, die de Voorziter van de Vereniging van privéziekenhuizen en de Gezondheidszorgvereniging was, nu bevoegd is voor het ontmantelen van het systeem van openbare gezondheidszorg.

 Wat we nu in Spanje zien gebeuren is een droom voor conservatieve krachten (grote werkgevers en bankiers) die de dominante krachten in de Spaanse staat geweest zijn. Ze bekomen wat ze altijd al wilden: een vermindering van de lonen, een zeer angstige beroepsbevolking, zwakke vakbonden en de ontmanteling van de verzorgingsstaat. En ze doen dit alles met het excuus dat er geen alternatief is. Ze zeggen zelfs dat ze de hervormingen niet graag doorvoeren, maar dat ze het moeten doen omdat de Europese autoriteiten hen er toe dwingen. Het is dan ook geen verrassing dat de populariteit van Europa sterk afneemt. Tweeëntachtig procent van de Spanjaarden zeggen dat ze niet van dit Europa houden. Europa dat gedurende vele jaren (en zeker tijdens de dictatuur) als een droom werd gezien (een model voor democratie en welzijn), is een nachtmerrie geworden.

 


(*) Vicente Navarro is een politieke wetenschapper en economist. Hij is professor overheidsbeleid aan de Pompeu Fabra Universiteit in Barcelona, en aan Johns Hopkins University, Baltimore, Maryland, US. Hij heeft veel geschreven over de Spaanse economie en over de huidige crisis.

 

 

Reacties plaatsen niet mogelijk