Facebook

De stille militarisering van Europa

21 juli 2011

door Wilbert van der Zeijden, 2008

[Dit is een tekst uit de brochure Wat Europa werkelijk doet – een kritisch boekje over de EU]

Je zou het zelf kunnen testen: ga naar je stamcafé, sportkantine of andere sociale gelegenheid en vraag aan een aantal willekeurige passanten of de Europese Unie een eigen leger heeft. De kans is erg groot dat het antwoord – misschien met de nodige twijfel gegeven – ‘nee’ is. Europa gaat in de beleving van haar burgers immers over economische integratie, open binnengrenzen, het regelen van rechten voor Europese burgers…. Maar dat leger, dat is er wel.

Je kan het je vrienden en familie niet echt kwalijk nemen dat ze het juiste antwoord schuldig blijven. Het merendeel van Europese en nationale functionarissen en politici zal dezelfde vraag ook met ‘nee’ beantwoorden. Toch was het Romano Prodi – toen nog voorzitter van de Europese Commissie – die al in 2000 heel openhartig op een persconferentie verkondigde: “Toen ik sprak over het Europese leger maakte ik geen grapje. Als je het zo niet wil noemen, noem het dan geen Europees leger. Je kan het ‘Margaret’ noemen, je kan het ‘Mary-Ann’ noemen, je kan het noemen zoals je wil”.(1) De lidstaten haastten zich indertijd om hun bevolking te verzekeren dat er dan wel sprake kon zijn van militaire samenwerking, maar dat er natuurlijk geen overdracht van beslissingsbevoegdheden zou plaatsvinden; dat er heus geen Europees instituut zou komen met het mandaat nationale troepen op Europese militaire missies te sturen.

Nog geen twee jaar later beschikte de Europese Unie over de ‘European Rapid Response Force’ (ERRF; maximaal 60.000 manschappen) en een institutie die militaire missies van de EU moest gaan coördineren en aansturen: het Political and Security Committee, beter bekend onder de prachtige Franse afkorting COPS. Omdat men voelde aankomen dat de ratificering van deze organisatiestructuur door de lidstaten lang op zich zou laten wachten, werd gelijk maar een ‘interim-COPS’ in het leven geroepen. Het (civiele) COPS riep vervolgens een puur militaire tegenhanger in het leven, de European Union Military Committee (EUMC), waarin de Chefs van Staven van de lidstaten bijeenkomen. De EUMC word op haar beurt ondersteund door een veel uitgebreider militair apparaat, de European Union Military Staff (EUMS). De toegenomen samenwerking leidde al gauw tot de wens om de acquisities van de nationale legers onderling beter af te stemmen, om de ‘interoperabiliteit’ te vergroten. Zo werd de European Defence Agency (EDA) in het leven geroepen. En nog wat later, in 2005, werd ook de gezamenlijke ontwikkeling van defensietechnologie door de Europese Commissie op poten gezet door middel van de European Security Research Policy (ESRP).

De eerste twee missies van de ERRF, in Macedonië en de Democratische Republiek Congo, maakten duidelijk dat de ERRF op zich best goed functioneerde, maar een wat te log apparaat was voor snelle interventies. En dus werd – naast de ERRF – het plan ontwikkeld voor de EU Battle Groups, gespecialiseerde internationale legereenheden van maximaal 1.500 manschappen die binnen 25 dagen waar dan ook ter wereld kunnen worden ingezet. Deze zeer offensieve legereenheden kunnen op pad worden gestuurd zonder tussenkomst van de lidstaten.

Prodi maakte dus inderdaad geen grapje. We hebben ondertussen een Europees leger, met ondersteunende civiele en militaire besluitvormingsstructuren, eigen interoperabiliteit-bevorderende instituties, een Europees budget voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe defensie- en veiligheidstechnologie, en een militaire aanwezigheid van de EU in meer dan een dozijn landen.

Constitutie/verdrag

De doortastendheid van de Europese Unie op dit vlak heeft de afgelopen jaren tot verbazend weinig politiek debat geleid, en tot navenant weinig aandacht in de media. Deels wordt dit verklaard door de wat ongemakkelijke positie waarin veel lidstaten zich op dit punt bevinden. Ze hadden hun bezorgde bevolking immers voorgespiegeld dat er geen overdracht zou zijn van nationale militaire bevoegdheden aan Europa. Ze hebben het er liever maar niet te veel over. De Europese grondwet, nu omgedoopt tot Verdrag van Lissabon, bood uitkomst: het bevestigde in één beweging al deze instituties, plannen en het al voorgeweekte beleid. Nationale overheden konden op die manier de discussie over Europese competenties omzeilen. De conclusie kan ook in dit geval niet anders zijn dan dat wij, de Nederlandse bevolking, door onze eigen overheid flink voor het lapje zijn gehouden. We stemden tegen die grondwet, mede omdat die de EDA, de ESRP, en de EUMC legitimeerde, en dan ook nog eens stelde dat “De lidstaten zich er toe verbinden om voortdurend hun militaire slagkracht te vergroten” (2). In een grondwet notabene! Maar de nieuwe tekst van het Verdrag verschilt hierin geen letter van de eerdere tekst. En waar tot nu toe nog met goed fatsoen een discussie kon worden opgezet over de wenselijkheid en het nut van een Europese militaire structuur, zal dat na de ratificatie een dood spoor worden.

De steun voor deze ontwikkeling van de militaire structuren komt van vele kanten. Meer conservatieve krachten zien vooral na 11 september 2001 de noodzaak voor de opbouw van een Europees leger, als antwoord op ‘nieuwe bedreigingen’, waaronder terrorisme, nucleaire proliferatie naar landen als Iran maar ook de toegenomen immigratiedruk worden gerekend. Anderen steunen de ontwikkelingen vanuit het idee dat op deze manier juist beter een echt Europees buitenlands en defensiebeleid kan worden ontwikkeld, onafhankelijk van de Verenigde Staten. Maar van dat laatste lijkt na zorgvuldige lezing van het Verdrag van Lissabon geen sprake. Het verdrag stelt letterlijk dat de NAVO “voor de lidstaten de grondslag blijft voor hun collectieve verdediging en ook de instantie blijft die ze uitvoert”.(3) De strekking is duidelijk. De ERRF, Battle Groups, EDA enzovoort komen niet in plaats van, maar eerder ter aanvulling op de NAVO. En inderdaad vallen de ontwikkelingen samen met druk van de overheid van de VS op Europa om militair meer te investeren en meer aanwezig te zijn. De commandostructuur in ontwikkeling is ook nauw verwant aan die van de NAVO.

Gevolg is dat een raming van de werkelijke militaire kracht van Europa een ingewikkelde optelsom is geworden. Nationale legers, NAVO-missies, EU-troepen, al dan niet in VN-verband…

Wat ‘Europa’ nalaat te doen is overigens bijna even belangrijk als wat het doet. Ondanks de beweringen dat een Europees defensieapparaat noodzakelijk is voor een autonome Europese buitenlandpolitiek, hebben de EU en haar lidstaten ook in deze afgelopen periode weer gefaald de militaire wurggreep van de VS af te schudden. Nog steeds bevinden zich in Europa ruim 200 Amerikaanse bases en militaire installaties; nog steeds resideren meer dan 150.000 Amerikaanse militairen in de EU. Vanuit Europa wordt de nucleaire dreiging hoog gehouden. Vanuit Europa worden Amerikaanse troepen en materieel naar oorlogen in het Midden-Oosten gestuurd, ook als onze overheden die oorlogen niet steunen. Nog steeds laat de EU toe dat de VS met het Echelonsysteem Europese burgers en bedrijven afluistert. Nog steeds staat Nederland via de haven van Rotterdam en via Schiphol clandestiene wapendoorvoer van de VS naar Israël toe. En terwijl na de Koude Oorlog de hoop was dat de VS zich grotendeels zouden terugtrekken uit Europa, is ondertussen het tegendeel een feit. Nieuwe bases zijn sindsdien geopend of gepland in Spanje, Italië, Slovenië, Roemenië, Polen, Tsjechië.

Een Ander Europa

Persoonlijk ben ik in het geheel niet tegen de verdere uitbreiding van de EU, noch qua grondgebied, noch qua competenties. Maar het Andere Europa waar ik van droom is er een waarin:

  1. de soevereiniteit over het eigen Europese grondgebied wordt hersteld. Weg met die Amerikaanse bases, troepen, materieel, martelkampen, afluisterstations, faciliteiten voor illegale wapentransporten naar Israël, en donder nou eindelijk op met die kernbommen!
  2. eerst een open en terdege politieke en maatschappelijke discussie wordt gevoerd over de noodzaak en het nut van een Europees leger. Wat is de relatie met de NAVO? Wanneer mogen deze troepen worden ingezet? Waarom op EU- niveau samenwerking en niet op VN-niveau, enzovoort..
  3. de politieke en democratische controle op Europese strijdkrachten goed wordt vastgelegd, en waarin een eventueel Europees leger niet naast, of bovenop maar in plaats van de nationale legers wordt opgebouwd. Waarin Europese besluitvorming over militaire strijdkrachten goed wordt doordacht en vastgelegd. Wie mag er beslissen? Hoe ver gaat die bevoegdheid? Hoe hou je – als burger – die instanties verantwoordelijk?
  4. een embargo geldt voor de verdere ontwikkeling van welke vorm van Europese strijdkrachten dan ook, tenminste totdat de punten 1 tot en met 3 goed voor elkaar zijn.

 

We zijn erin geluisd door onze regering, maar er is nog een kleine kans dat mijn Andere Europa er komt. Om daar te komen zullen we al onze pijlen moeten richten op het referendum dat in Ierland over het verdrag zal worden gehouden. Als de Ieren “No” stemmen, krijgen we wellicht nog een laatste kans om onze regeringen te overtuigen dat een nee-stem een prachtig staaltje democratische besluitvorming is. Niet iets om je voor te schamen, maar een signaal dat Europa geen honderden bladzijden tellend verdrag nodig heeft, maar een langzame, transparante, breed gevoerde pan-Europese discussie over een Ander Europa.

 

Wilbert van der Zeijden is politicoloog en coördinator van het Militarisme & Globalisering Project van het Transnational Institute in Amsterdam.

 


Noten:

[1] Independent, The (London), 4 februari 2000.

[2] Artikel 27-3 VEU

[3] Artikel 27-7 VEU

Reacties plaatsen niet mogelijk