De Verenigde Verhof-Staten van Europa

27 juli 2011

door Herman Michiel, december 2005

een kortere versie verscheen  in ‘De Standaard’, 12 dec. 2005

Meteen na de afwijzing van de Europese grondwet in Frankrijk en Nederland zette Guy Verhofstadt zich aan het schrijven. Als prominent Europees leider gunde hij zichzelf een zomerse reflectieperiode om tot oplossingen te komen. Het resultaat is een boekje, De Verenigde Staten van Europa, dat ook in het Frans en het Engels zal verschijnen.

Ga hierin niet op zoek naar scherpe inzichten of vernieuwende voorstellen. De Verenigde Staten van Europa situeert zich binnen de gekende reeks oprispingen van ontgoochelde Europese politici die bij een crisis steeds hetzelfde paard van stal halen, zij het met andere koosnaampjes: Europa van twee snelheden, kopgroep, kern-Europa… Voor Verhofstadt  bestaat het kern-Europa uit de landen van de Eurozone (of wie er binnenkort zal toe behoren), en deze ‘binnenste cirkel’ noemt hij de Verenigde Staten van Europa. Daaromheen een tweede cirkel, een ‘Organisatie van Europese Staten’, die het bij een simpele eenheidsmarkt willen houden.

Wat Verhofstadts boekje echter interessant maakt, is het inzicht dat het biedt in de visie van ‘onverdachte’ voorstanders van het huidig Europees project. Verhofstadt is geen Blair, geen rancuneus verliezer van een referendum, hij wil niet minder maar méér geld in de Europese kas, en hij stortte zijn land ook niet in avonturen door  buitenissige democratische scrupules, maar verklaarde kordaat dat 70% van de Belgen voor de grondwet zijn. Kortom, we krijgen een soort ideaalbeeld te zien van wat de voorbeeldigste Europese leiders beogen met de Unie. Wat brengen ons de Verenigde Verhof-Staten van Europa?

Verhofstadt beweert het Europees maatschappelijk model te willen redden, want dat staat onder druk, enerzijds van buitenuit, door de globalisering, anderzijds van binnenin, door de vergrijzing. Het is angst hierover, en twijfel of Europa hierop de juiste antwoorden kan bieden, die leidde tot de afwijzing van de grondwet in Nederland en Frankrijk, aldus de premier. Hij had zich echter beter afgevraagd of  mensen schrik hebben om oud te worden, dan wel om de garantie op een menswaardig pensioen opgeofferd te zien als een bijdrage tot de ‘meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld’.  En twijfelen ze of Europa in staat is hierop het juiste antwoord te geven, of zijn ze er eerder van overtuigd dat de Lissabonstrategie – moeder van alle generatiepacten –  hierop het verkeerde antwoord geeft? Zet de ‘globalisering’ Europa van buitenuit onder druk, of is het net het Europees liberaliseringsbeleid van de afgelopen twintig jaar dat ons in de geglobaliseerde concurrentie heeft geworpen? De vraag stellen is ze beantwoorden, tenminste als men arbeider, bediende of werkloze is.

‘De Europese economie is een zeer open economie’, zegt Verhofstadt om zijn voorstelling van een van buitenuit belaagd Europa geloofwaardig te maken. Maar met meer dan een kwart van het wereld-BBP is de EU heus geen Derde Wereldland dat zich moet plooien naar de structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF. Europa zou in verregaande  mate haar eigen weg kunnen gaan, in plaats van zich te ‘laten globaliseren’. Ondanks wat laattijdige mea culpas  gaat Verhofstadt natuurlijk niet zo ver om  te erkennen dat het gaat om een self-inflicted disease.

Onze Europese Madison gaat ook niet zover om een nieuw project voor Europa voor te stellen. Hij wil alleen de voortzetting van dezelfde politiek met efficiëntere middelen. De Lissabonstrategie  is niet te liberaal of te asociaal maar ‘te vrijblijvend’. De Europese interne markt is onvoltooid en vordert veel te traag. ‘Hoe beter concurreren?’, dat is blijkbaar de sleutelkwestie.

Op fiscaal vlak zou de ‘federale’ binnenste cirkel bijvoorbeeld overgaan tot ‘een grondige hervorming van de belastingstelsels met als enig [sic] doel de slagkracht te versterken van de Europese economie tegenover de rest van de wereld.’ Deze hervorming houdt in een ingrijpende verschuiving van directe belastingen en sociale bijdragen naar indirecte of andere belastingen. Het onderste van zijn tong toont hij via een omweg, door een studie van de Europese Commissie te citeren. Daaruit moet blijken dat men de beste groeiprognoses bereikt ‘wanneer die verschuiving niet wordt doorgerekend in een of ander indexmechanisme’. Heb je hem? In Verhofstadts  Verenigde Staten is er geen plaats voor de vermaledijde Belgische indexkoppeling…

Verhofstadt wil zich nochtans indekken tegen het verwijt aan sociale afbouw te doen. Hij stelt een ‘convergentiemodel’ model voor,  in de vorm van minima en maxima voor bepaalde indicatoren zoals flexibiliteit van de arbeidsmarkt, lengte van de arbeidsloopbaan, fiscale druk enz. Men kan nochtans vlug  inzien dat dit  geen beletsel zal zijn voor sociale dumping. Stel bv. een ‘vork’ voor de  pensioenleeftijd van 62 tot 72 jaar en een voor de vennootschapsbelasting van 12,5% tot 35%. Dit zijn eenvoudigweg parameters waarmee het nationale concurrentiebeleid kan ‘geoptimaliseerd’ worden. Het gevolg is dat  72 jaar de norm wordt, ook waar die nu 65 is, en 12,5% waar het nu 33% is. Maar er is ook nog de ‘Organisatie van Europese Staten’: ze zitten niet in de minimaxslang, wel in de eenheidsmarkt, en kunnen 75 jaar en 0% als uithangbord gebruiken…

Van een nieuw hoopgevend Europees project is er dus geen sprake. Maar er is ook geen sprake van institutionele vernieuwing. Verhofstadt geeft zich graag  uit voor Europees federalist, maar wil de oude intergouvernementele instellingen intact houden. De Raad van Ministers wordt dan wel  ‘Tweede Kamer’ genoemd, maar blijft als ondemocratisch, onverkozen, antifederaal orgaan helemaal overeind; over wetgevend initiatiefrecht voor het Parlement wordt al evenmin gerept.

Tenslotte nog een vraagje: waarom zou het Vlaams Parlement zich nog bezighouden met de goedkeuring van een grondwettelijk verdrag waar eerste burger van het land en trouwe Europeeër Verhofstadt zelf niet meer in gelooft?

Reacties plaatsen niet mogelijk