Facebook

Retweeted Frank Slegers (@FrankSlegers):

Iglesias y Colau piden a Sánchez que lidere un Gobierno que haga un referéndum en Cataluña | España | EL PAÍS t.co/mYLHNl9izO
... See MoreSee Less

View on Facebook

Democratie en de Muntunie: hoe het niet hoort

13 juli 2015

door Ronald Janssen (*)

verschenen op 1 juli 2015 in Social Europe Journal
Nederlandse vertaling door Ander Europa

 

Daar het de confrontatie tussen de ‘instellingen’ en Griekenland was die de krantenkoppen haalde in het Europees politiek debat, bleef de publicatie [i] van het rapport over de afronding van de Economische en Monetaire Unie (EMU) bijna helemaal buiten de aandacht. Dit rapport, dat ondertekend werd door vijf voorzitters , waaronder de voorzitter van het Europees Parlement [ii], heeft het over verschillende interessante onderwerpen, gaande van de bankenunie tot democratische legitimiteit. Terzelfdertijd slaagt het er niet in een van de belangrijkste fouten in de constructie van de EMU aan te pakken, en stelt het in de plaats daarvan voor technocratische instellingen uit te bouwen die als opdracht hebben om lonen en arbeidsrechten nog meer te beteugelen dan nu al het geval is.

De olifant in de kamer

Het lijdt geen enkele twijfel dat de EMU niet af is. Het kernprobleem is dat de staatsschuld van individuele lidstaten van de eurozone niet langer gewaarborgd wordt door een eigen centrale bank. Inderdaad, wanneer een lidstaat de eenheidsmunt aanneemt, wordt het land niet alleen lid van de EMU, maar het neemt ook afstand van zijn nationale centrale bank. De Banca de España (om er maar één te noemen) bestaat nog wel, maar haar bevoegdheid over het monetaire beleid werd naar Frankfurt getransfereerd, de regering in Madrid kan in noodgevallen niet langer de hulp inroepen van een geld creërende institutie.

Deze ongewone combinatie van een supranationale centrale bank met 19 verschillende gevallen van nationale overheidsschuld heeft de lidstaten van de eurozone buitengewoon kwetsbaar gemaakt in het geval van een run [iii] op hun staatsobligaties. Aangezien ze niet langer kunnen beroep doen op hun eigen nationale centrale bank als ultieme kredietverlener, blijft regeringen binnen de EMU niets anders over dan een brutaal soberheidsbeleid – of wanbetaling – om het hoofd te bieden aan een liquiditeitscrisis. Lidstaten van de eurozone kunnen in zekere zin vergeleken worden met opkomende economieën die leningen aangaan in een vreemde munt waarover ze geen controle hebben, en die in serieuze problemen geraken wanneer het marktklimaat verandert en ze volledig afgesneden worden van de financiële markten.

Tot 2010 bleef dit mankement in de constructie van de Europese monetaire unie volledig onopgemerkt. Maar toen de crisis van de Griekse overheidsfinanciën uitbrak in 2009, en de centrale bankiers steeds weigerachtiger werden om Grieks schuldpapier als onderpand te nemen, werd de breuklijn in de muntunie pijnlijk duidelijk. De financiële markten reageerden zoals men kon verwachten, met paniek in een scenario van self-fulfilling prophecy. Nu ze beseften dat de Europese Centrale Bank niet borg staat voor Spaanse, Italiaanse, Franse of Belgische overheidsschuld, en dat een run op dergelijke obligaties tot bankroet kan leiden, spoedden de markten zich naar de uitgang door deze obligaties massaal van de hand te doen.

De rest van het verhaal is goed bekend. Lidstaten van de eurozone probeerden de markten te kalmeren, en gingen experimenteren met sterk procyclische soberheidmaatregelen [iv], aangevuld met loondevaluatie. Het bleek al snel dat de verwachtingen niet ingelost werden, en dat de soberheidsmaatregelen en de interne devaluatie aanleiding gaven tot een tweevoudige recessie; dat kon de schrik van de financiële markten voor faillissementen en/of het uiteenvallen van de muntunie alleen maar aanwakkeren. Deze vicieuze cirkel werd slechts enkele jaren later, in 2012, doorbroken toen Mario Draghi, de voorzitter van de Europese Centrale Bank, eindelijk de kwestie van de ultieme kredietverlener aanpakte door mondeling te beloven dat hij “alles zou doen wat nodig is” om de eenheidsmunt te redden.

Europa heeft hiervoor een hoge prijs betaald, en niet alleen in de vorm van economische stagnering, record werkloosheidscijfers en stijgende ongelijkheid. Nog zorgwekkender is dat het democratisch principe uitgehold werd. Verkozen regeringen hebben bij herhaling ondervonden dat ze weinig andere keus hebben dan zich neer te leggen bij wat de markten schijnen te vragen, of in het andere geval, de gedetailleerde voorschriften op te volgen die de Europese Centrale Bank in (niet eens zo geheime [v]) brieven oplegt.

5presidentsWat heeft het ‘rapport van de vijf voorzitters’ hierover zoal te zeggen? Het antwoord is niets, of toch zeer weinig. Het rapport gaat voorbij aan het probleem van de ‘denationalisatie van het geld’ in de EMU. En wat betreft democratische legitimiteit zijn de voorstellen van het rapport verre van overtuigend. Het is op zichzelf niet slecht dat er bijkomende hoorzittingen en debatten tussen de Commissie en het Europees Parlement worden belegd, maar dit gaat niet echt in op de bekommernis inzake de macht die de markten en de ECB hebben veroverd over verkozen regeringen wanneer het gaat over economisch en sociaal beleid, en uiteindelijk over de maatschappelijke keuzes.

Centrale planning van de lonen: “Alle macht aan de experten”

in plaats van na te denken over de aanvulling van de EMU met een ultieme kredietverlener voor de overheidsschulden, valt het rapport van de vijf voorzitters terug op dezelfde recepten die uitgeprobeerd werden in de voorbije jaren. Is het monetaire beleid te strak en beschermt het de lidstaten niet tegen beroering op de financiële markten? Dan moet al de rest, in het bijzonder de lonen, maar superflexibel gemaakt worden. Het is het simpele verhaal van “als we de munt niet kunnen devalueren, dan moeten we de lonen maar devalueren”.

Op dit punt is het rapport buitengewoon verregaand met zijn voorstel dat ieder land van de eurozone een zogenoemde ‘Autoriteit voor de Competitiviteit’ opricht. Zulke ‘autoriteit’ (let op het woordgebruik dat herinnert aan instellingen die centrale richtlijnen de wereld insturen) wordt gedefinieerd als een ‘onafhankelijke entiteit’ die de opdracht heeft de loonontwikkelingen in een lidstaat te vergelijken met de ontwikkelingen in andere lidstaten van de eurozone. De sociale partners ‘zouden’ (let opnieuw op het woordgebruik) de standpunten van de Autoriteit moeten gebruiken als leidraad voor hun loononderhandelingen. Voorts zouden deze ‘Autoriteiten voor de Competitiviteit’ in de eurozone een systeem moeten gaan vormen, waartoe ook de Europese Commissie zou behoren. De Commissie zou dan de bevindingen van de loonautoriteit van de eurozone moeten gebruiken bij beslissingen bij de Procedure voor Macro-economisch Onevenwicht [vi], waaronder de mogelijkheid van sancties voor niet instemmende lidstaten. Men moet zich nog afvragen: zal de Europese Centrale Bank een leidende rol spelen in dit competitiviteitsysteem van de eurozone?

Dit alles gaat veel te ver, omwille van twee redenen.

Het voorzittersrapport legt er de nadruk op dat het niet de bedoeling is om tot een harmonisatie van de nationale systemen voor collectieve loononderhandelingen te komen. Maar vanaf het ogenblik dat de sociale partners op de een of andere manier verplicht zijn om deze richtlijnen te volgen bij de loonbepalingen is er een inbreuk op het recht op vrije loononderhandelingen (zoals vastgelegd in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie ILO) en een inbreuk op het principe van de onafhankelijke sociale dialoog (zoals vastgelegd in het Europees Verdrag).

Behalve dat er een inbreuk is op ons model van sociale dialoog is er ook het feit dat de rangschikking volgens looncompetitiviteit iets relatief is, zeker in een sterk geïntegreerde regio als de eurozone. Wanneer men de lonen beperkt in een land (bijvoorbeeld in Frankrijk) verhoogt dit de Franse competitiviteit, maar het impliceert automatisch een verslechtering van de competitiviteit in Spanje, België en Duitsland. Er zal dus een gevaarlijk spel gespeeld worden waarbij werknemers en lonen uit verschillende lidstaten systematisch tegen elkaar uitgespeeld worden. Het land waar het meest geknipt wordt in de lonen wordt dan de referentie voor alle andere, waardoor we onze eigen binnenlandse vraag en de exportmarkten van de andere lidstaten ondermijnen. Kort gezegd komt dit neer op het expliciet legitimeren, en zelfs organiseren, van een neergaande loonspiraal. Het is een ‘beggar-thy-neighbour’– strategie [vii] die zal eindigen met depressie, meer desinflatie [viii], en mogelijks zelfs deflatie.

Democratieën aanpassen aan de markten

Een paar jaar geleden, bij het hoogtepunt van de eurocrisis, zei kanselier Angela Merkel openlijk dat democratieën in Europa zich moeten aanpassen aan de markten. Met het monetaire beleid in de handen van een supranationale centrale bank, met het budgettair beleid aan de ketting gelegd door het Stabiliteitspact en het Begrotingsverdrag met zijn begrotingsraden[ix], zijn de democratieën al goed op weg om zich ‘marktconform’ te maken onder de voogdij van onafhankelijke professionals. De volgende stap lijkt te zijn om ook de lonen en de loononderhandelingen onder het toezicht van raden van experten te brengen, op basis van regels die de arbeiders in de hele eurozone ertoe verplichten om met elkaar te concurreren en elkaars jobs af te pakken. Dat laat niets goeds voorspellen voor een democratisch Europa.

 


(*) Ronald Janssen is economisch adviseur werkzaam bij de Europese vakbeweging in Brussel.

[i] Zie “Verslag van de vijf voorzitters met plan voor versterking Europese EMU vanaf 1 juli 2015”, http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5240_nl.htm

[ii] Het gaat over Jean-Claude Juncker (voorzitter van de Europese Commissie), Donald Tusk (voorzitter van de Europese Raad, opvolger van Van Rompuy), Jeroen Dijsselbloem (voorzitter van de Eurogroep), Mario Draghi (voorzitter van de Europese Centrale Bank) en Martin Schulz (voorzitter van het Europees Parlement).

[iii] Een run betekent dat plots heel veel beleggers zich van bepaalde waardepapieren willen ontdoen, zoals bij een bank run heel veel spaarders plots hun geld van de bank willen halen (cfr. Griekenland). [Noot van de vertaler]

[iv] Procyclisch betekent dat de overheid minder uitgeeft net als de economie een stimulus nodig heeft. Als de privésector minder investeert, doet de overheid hetzelfde. Het is het tegengestelde van een keynesiaans anticyclisch beleid, dat probeert een recessie tegen te gaan door de injectie van overheidsgeld in de economie. [Noot van de vertaler]

[v] Zie bv. Ander Europa, De “neutrale” rol van de Europese Centrale Bank. [Noot van de vertaler]

[vi] De Procedure bij Macro-economisch Onevenwicht (PMO) is een onderdeel van de zogenoemde sixpack, een reeks Europese wetten die eind 2011 goedgekeurd werden. PMO houdt voor elke lidstaat een ‘scorebord’ bij, d.w.z. een stel macroeconomische parameters die op de voet gevolgd worden door de Europese Commissie. ‘Knipperlichten’ waarschuwen dat een lidstaat begeleiding nodig heeft: uw loonkosten stijgen te vlug, uw pensioenen zijn te duur … Landen van de eurozone die de raad niet opvolgen kunnen boetes oplopen van honderden miljoenen euro’s. Met deze PMO kunnen de Europese Commissie en de Raad tussenkomen op zowat het hele sociaal-economische terrein van elke lidstaat. Het gaat over alles wat de ‘competitiviteit’ kan hinderen: lonen, belastingen, ontslagregelingen, pensioenen, werkloosheidsvergoedingen enz. [Noot van de vertaler]

[vii] Met een ‘beggar-thy-neighbour’-politiek (letterlijk: “ruïneer je buurman”) wordt bedoeld dat een land probeert zijn economische problemen op te lossen door ze af te wentelen op de buurlanden. [Noot van de vertaler]

[viii] Desinflatie is het afnemen van de inflatie, bv. een afname van 3% naar 2% van het ene jaar op het andere. De prijzen verhogen nog, maar aan een lager tempo. Deflatie is het afnemen van het algemeen prijsniveau; hetzelfde winkelwagentje kost slechts 98 € in plaats van 100 €. Deflatie lijkt op het eerste gezicht aangenaam, en verkieslijk boven inflatie, maar er zijn macro-economisch kwalijke gevolgen, die zelfs catastrofaal kunnen worden. Bestedingen en investeringen worden uitgesteld, omdat men wacht op nog lagere prijzen. Lonen zullen in het beste geval nominaal gelijk blijven, maar kunnen ook reëel dalen, samen met het algemene prijsniveau. Schulden van privépersonen, bedrijven en overheden gaan echter zwaarder wegen, want wie een miljoen leende, moet nog steeds dat miljoen terugbetalen, het geleende bedrag en de renteaflossingen ondergaan geen deflatie … De reële intrestvoet gaat met andere woorden stijgen. [Noot van de vertaler]

[ix] Het Begrotingsverdrag stipuleert dat er een ‘onafhankelijke’ raad van experten moet opgericht worden die toezicht houdt op de uitvoering van dit verdrag. [Noot van de vertaler]

 

Reacties plaatsen niet mogelijk