Flexicurity: een model dat er nooit een was

7 december 2013

door Ronald Janssen (*)

verschenen op 6 december 2013 in Social Europe Journal
Nederlandse vertaling door Ander Europa

 

Herinnert u zich het flexicurity model dat door de Europese Commissie gelanceerd werd in het midden van de jaren 2000? De Commissie beweerde dat er zoiets bestond als de ‘Gouden driehoek van de flexicurity’ (zie de figuur hieronder) en ze spoorde de lidstaten en de vakbonden aan om loopbaanbescherming op te geven in ruil voor aangepaste werkloosheidsuitkeringen en een actief arbeidsmarktbeleid.

De inspiratie hiervoor had men duidelijk in Denemarken gevonden; het land werd geroemd als de perfecte illustratie van het samengaan van een flexibele arbeidsmarkt waar de werkgevers weinig in de weg wordt gelegd om te ontslaan, en anderzijds een hoge werkzekerheid.

De “Gulden Driehoek” van de flexicurity

 

 flexicurity

In dit opzicht is de recentste OESO tewerkstellingsprognose ( OECD Employment Outlook, zomer 2013) buitengewoon interessant. In deze publicatie voerde de OESO een grondige herziening door van haar database met indicatoren over jobbescherming. Er wordt onder andere meer systematisch aandacht besteed dan in het verleden  aan loopbaanbeschermingsmaatregelen die het gevolg zijn van collectieve onderhandelingen en jurisprudentie. Hieruit volgt logischerwijze voort dat deze nieuwe OESO indicatoren de werkelijkheid beter benaderen, in het bijzonder wanneer een zwakke bescherming van de loopbaan gecorrigeerd wordt door collectieve akkoorden en/of jurisprudentie die bijkomende en strengere loopbaanbescherming biedt.

Flexicurity, welke  flexicurity?

De herziening van de OESO-database leidt tot verrassende conclusies, in het bijzonder wat betreft het flexicurity-systeem in Denemarken. De onderstaande grafiek toont de nieuwe schattingen voor de loopbaanbeschermingsindicatoren voor normale contracten (van onbeperkte duur), waarbij ook rekening wordt gehouden met jobbescherming in het geval van collectieve ontslagen. De waarde van de indicator voor loopbaanbeschermende wetgeving (LBW) in de grafiek wordt bekomen door een gewicht toe te kennen aan de twee subindicatoren, waarbij bescherming van normale contracten telt voor 70%, en bij collectief ontslag voor 30%. Een waarde van de indicator dicht bij nul wijst op een zeer lage jobbescherming,terwijl een waarde van vijf of zes erop wijst dat werkgevers enorme moeilijkheden hebben om mensen aan de deur te zetten.

 

bescherming_grafiek

bron: http://www.oecd.org/employment/emp/oecdindicatorsofemploymentprotection.htm

De grafiek toont dat de arbeidsmarkt in Denemarken niet bepaald zeer flexibel is. Met een indicator op 2,3 is het niveau van jobbescherming in Denemarken niet lager maar precies gelijk aan het OESO-gemiddelde. Men kan ook vaststellen dat normale contracten en collectief ontslag in Denemarken beschermd zijn op een gelijkaardig niveau als in Duitsland, Spanje en Griekenland. En de Deense jobbescherming ligt niet veel lager dan die in Frankrijk en Italië. Anderzijds is er een aanzienlijk verschil in jobbescherming tussen Denemarken en de flexibele Anglo-Saksische arbeidsmarkten, waarbij Groot-Brittannië en de USA waarden hebben van 1,5 en 1. Praktisch uitgedrukt betekent de Deense LBW- waarde van 2,3 een vooropzegperiode van vier (twee) maanden voor een bediende (arbeider) met vier jaar anciënniteit, met bijkomende voorwaarden (opzegperiode, procedures) in het geval van collectief ontslag.

Wanneer we nog dieper gaan graven in de ontstaansgeschiedenis van deze statistieken zien we nog duidelijker dat de OESO het al die jaren verkeerd voor had. In de volgende grafiek zien we de waarden van de subindicatoren over jobbescherming van normale contracten voor het jaar 2004 volgens de schatting van de OESO in 2004 (bron: OECD Employment Outlook 2004); deze worden in de grafiek vergeleken met de LBW-waarde voor het zelfde jaar 2004 zoals we die nu, anno 2013,  vinden in de OESO-database. Uit deze vergelijking wordt duidelijk wat er gebeurde. In 2004 (blauw in de grafiek) oordeelde de OESO dat normale jobs in Denemarken zwak beschermd waren, met een indicator van slechts 1,5. Gebaseerd op de cijfers van 2004 kon men Denemarken klasseren bij de landen met een flexibele arbeidsmarkt, met jobbescherming even laag als in Groot-Brittannië en Ierland, een aanzienlijk lager dan in landen als Duitsland of Frankrijk.

Kijk nu naar de okerkleurige staafjes, die de cijfers van de OESO in 2013 weergeven over de jobbescherming in 2004. Dat geeft een totaal ander beeld. De waarde voor Denemarken in 2004 ligt nu aanzienlijk hoger, bij 2,1. Dat betekent dat in tegenstelling met hun cijfers uit de oude database Deense arbeiders in 2004 een jobbescherming genoten die twee keer zo hoog lag als een Groot-Brittannië, en niet veel verschilde van die in Frankrijk en Duitsland.

Men kan een gelijkaardige vergelijking maken (die hier niet wordt getoond) voor de andere subindicator, jobbescherming in het geval van collectief ontslag. Opnieuw besluit men dat Deense werknemers even sterk beschermd werden als Duitse, en zelfs meer dan Franse of Italiaanse.

 

OESOcijfers_vergeleken

 

Dit alles betekent dat de jarenlange promotie door de Europese Commissie van de flexicurity op een statistische illusie berustte. Het argument dat het succes van de arbeidsmarkt in Denemarken ligt in het feit dat de werknemers en niet hun jobs worden beschermd, is eenvoudigweg niet juist. Via een systeem van collectieve onderhandelingen genieten Deense werknemers net een hoge graad van jobbescherming. Het werkelijk specifieke en gunstige van het Deens systeem is dat Denemarken sterk investeert zowel in passief als actief arbeidsmarktbeleid. Het heeft niets te maken met werkgevers die het gemakkelijk zouden hebben om af te danken.

 


(*) Ronald Janssen is economisch adviseur werkzaam bij de Europese vakbeweging in Brussel.

Reacties plaatsen niet mogelijk