Facebook

Het belang van onafhankelijke collectieve loononderhandelingen

28 januari 2013

door Ronald Janssen (*)

verschenen op 25 januari 2013 in Social Europe Journal
Nederlandse vertaling en voetnoten: Ander Europa

 

Een opheldering over een dubbelzinnige loonstandaard

Het ‘competitiviteitspact’ [i] lanceerde in 2010 het ordewoord om de lonen af te stemmen op de ontwikkeling van de productiviteit. Sindsdien bleef deze loonstandaard in nevelen gehuld. Bedoelen de beleidsmakers dat de reële lonen in lijn moeten blijven met de evolutie van de productiviteit? Of moeten we het letterlijk verstaan zoals het daar staat, als een scenario waarbij de nominale lonen de productiviteit moeten volgen?

De eerste interpretatie is gelijklopend met de vuistregel die de vakbonden in heel Europa sinds meer dan tien jaar gebruiken bij de coördinatie van de collectieve loonoverlegstrategie. Om te vermijden elkaar te beconcurreren hebben de vakbonden onderling aangedrongen ervoor te zorgen dat zowel de inflatie als de productiviteit opgenomen zijn in de overeenkomsten over het nominale loon.

De tweede interpretatie komt neer op de strategie van loonkoststagnatie zoals Duitsland die gevolgd heeft sinds het eind van de jaren 90 tot de financiële crisis in 2009. Over deze hele periode verliep de stijging van het nominale loon in Duitsland perfect in lijn met de evolutie van de productiviteit, maar zonder bijkomende compensatie voor de inflatie. In Duitsland was er nauwelijks enige evolutie tussen 2002 en 2008 in de nominale loonkost per eenheid product (die bij definitie evolueert zoals het verschil tussen het nominaal uurloon en de productiviteit [ii]).

In een aantal gevallen heeft DG ECFIN [iii] expliciet deze interpretatie [nominale loonkost per eenheid product] gevolgd. Zo bijvoorbeeld in de grondige analyse van Finland in mei 2012 als onderdeel van de nieuwe procedure om buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te voorkomen; DG ECFIN publiceerde er een grafiek die de nominale loonsverhogingen vergeleek met de productiviteit en daaruit besloot dat de loonevolutie in Finland de regel had overtreden om de lonen af te stemmen op de productiviteit.

In het recente begin januari gepubliceerde jaarrapport 2012 over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen bevestigde ook DG Werkgelegenheid en Sociale Zaken in het hoofdstuk over de loonevolutie deze standaard om de nominale lonen, en niet de reële, af te stemmen op de productiviteit: “Wanneer de nominale loonkost per eenheid product toeneemt, wijst dit erop dat de nominale lonen sneller stijgen dan de productiviteit. Wanneer dit gebeurt bestaat het risico dat de prijzen meer moeten stijgen dan de doelstelling van een duurzame inflatie van net onder 2% per jaar (…)” (pag. 12)

Een ernstige vergissing

De Commissie maakt hier een belangrijke fout, die kan geïllustreerd worden aan de hand van een grafiek uit het commissierapport zelf. Zoals men op de grafiek kan vaststellen [iv] is er nagenoeg een 1-1 verband tussen de evolutie van de nominale loonkost per eenheid product en de inflatie, tenminste over de geselecteerde tijdsperiode. Wanneer de nominale loonkost per eenheid met 5% stijgt, is de jaarlijkse inflatie ook nagenoeg 5%. Wanneer de nominale loonkost per eenheid bijna niet verandert, is de inflatie ongeveer nul. Met andere woorden, in tegenstelling tot de hoger vermelde bewering van de Commissie impliceert een nulgroei van de nominale loonkost per eenheid product niet een inflatie van 2%, maar van 0%.



 

Maar centrale banken houden niet echt van een nul-inflatie. Centrale banken willen wel graag hoge, en zeker hollende inflatie vermijden, maar ze zijn ook allergisch voor het omgekeerde proces van deflatie. De reden is dat hun monetair instrumentarium dan zeer inefficiënt wordt. Aangezien de nominale intrestvoet niet onder nul kan gaan, stijgt de reële intrestvoet als de prijzen dalen en de inflatie negatief is [v].  Je krijgt dus automatisch een strengere monetaire politiek, net op het ogenblik als de teugels zouden moeten gevierd worden om de economie te ondersteunen.

Om dit soort toestand te vermijden zet iedere respectabele centrale bank, inclusief de Europese Centrale Bank, de beoogde inflatiegraad boven nul. Op die manier bestaat er een speelruimte voor het geval van een neergaande vraagschok. Als de inflatie daalt ten gevolge van een dergelijke schok, kan de centrale bank nog altijd hopen deflatie te vermijden door snel het monetaire beleid lakser te maken, en aldus zowel de nominale als de reële intrestvoet te laten dalen alvorens de deflatie zich vastnestelt. Een positieve inflatie fungeert dus als een veiligheidsklep om het eventuele gevaar op deflatie af te wenden. Deze veiligheidsklep is er niet bij nul-inflatie. Nul-inflatie bedreigt dus het goed functioneren van het monetair beleid. Dat is waarom de Europese centrale Bank als formeel doel stelde een inflatiegraad van niet méér dan, maar ook niet minder dan 2%.

Waarom nulgroei van de loonkost per eenheid product?

Waarom wil de Commissie zo nodig de nulgroei van de loonkost per eenheid product als loonstandaard doordrukken? Een mogelijke uitleg zou zijn dat de Commissie een technische fout maakte. Een andere is dat dergelijke loonstandaard een aanzienlijke herverdeling toelaat van de last om het loonbeleid aan te passen tussen de verschillende lidstaten van de eurozone. Enerzijds laat nulgroei van het loon toe om Duitsland wat uit de wind te zetten bij discussies over het beleid. Zo was de globale verandering van de nominale loonkost per eenheid product in Duitsland tussen 2002 en 2007 negatief, minus 2,2%. Dat is dicht bij de nullijn, en het vereist dus heel beperkte opwaartse correcties wanneer men probeert de Duitse lonen terug in lijn te brengen met de commissiestandaard van het afstemmen van de nominale lonen op de productiviteit. Anderzijds verhoogde de nominale loonkost per eenheid met 14 à 20% in de rest van de eurozone. Als men dan de commissiestandaard op deze lidstaten toepast, vereist het een lang en diepgaand proces van loonmatiging of zelfs loonsverlaging om deze landen terug op het spoor te brengen van onveranderlijke nominale loonkost per eenheid product. Op die manier blijft Duitsland, toevallig de lidstaat die de facto de financiële touwtjes in handen heeft in de eurozone, buiten schot en ondergaat het weinig druk van Europa om een andere loonpolitiek te volgen.

Het Europees economisch bestuur en de onafhankelijkheid van de collectieve loonsonderhandelingen

Het Europees economisch bestuur gaat er over een aanzienlijk deel van de bevoegdheden over economisch en sociaal beleid over te hevelen van de lidstaten naar de Commissie. Dit gaat er vanuit dat individuele regeringen slechts aandacht hebben voor hun eigen nationale economie en daarom niet in staat en niet van plan zijn om een beleid te voeren dat zich inpast in de monetaire unie.

Maar de hoger gemaakte analyse doet ernstige twijfels ontstaan. Indien de Commissie in ernstige technische fouten vervalt, of de facto handelt vanuit de belangen van lidstaten die financieel de macht in handen hebben, dan zal de overdracht van nationale bevoegdheden naar het Europese niveau niet het gewenste resultaat opleveren. Het Europees economisch bestuur zou dan leiden tot prijsinstabiliteit, tot economieën die onder hun niveau presteren en tot hogere en stijgende werkloosheid. De burgers zouden er zich dan steeds meer van bewust worden dat het democratisch beslissingsproces verzwakt wordt door foute beleidsopties die van boven opgelegd worden. Dat zou voedsel geven aan politiek extremisme en anti-Europees sentiment.

Om tegen dat gevaar op te treden moeten Europa en zijn beleidsmakers dringend het belang van onafhankelijke loononderhandelingen terug naar waarde weten te schatten. Dat onafhankelijke loononderhandelingen vast verankerd zijn in het Europees Verdrag, in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO)  en in tal van nationale wetgevingen en landelijke praktijken, is precies omdat onafhankelijke onderhandelingen ertoe strekken de lonen en de arbeidsvoorwaarden te beschermen tegen inmenging van regeringen en politieke instellingen die onderhevig zijn aan ‘regulatory capture’ [vi] door welbepaalde actoren. Dat geldt des te meer op het Europese niveau, waar beleidsbeslissingen niet altijd even transparant zijn en gemaakt worden ver van de mensen op wie ze van toepassing zijn. Een Europees economisch bestuur kan enkel functioneren als het evenwichtig is, en het kan alleen evenwichtig zijn als de onafhankelijkheid van de sociale dialoog en de collectieve onderhandelingen volledig gerespecteerd wordt.


(*) Ronald Janssen is economisch adviseur werkzaam bij de Europese vakbeweging in Brussel.

[i] Het ‘competitiviteitspact’ is de de aanvankelijke benaming van wat uiteindelijk het Europluspact zou gaan heten. Het betreft een voorstel van Angela Merkel en Nicolas Sarkozy  op de top van februari 2011 (vandaar ook soms ‘Merkozy-pact’ genoemd); ze maakten op een nogal brutale manier bekend wat er volgens hen moest gebeuren om  Europa competitief te maken. Dat ging over de afschaffing van de loonindexering (zoals in België), de hervorming van de pensioenstelsels,  het grondwettelijk verbieden van begrotingstekorten (nu bekend als ‘gulden regel’ en onderdeel van het Begrotingsverdrag). [Noot van de vertaler]

[ii] Men kan dit als volgt inzien. Stel dat de productiviteit verdubbelt; men produceert dan twee maal zoveel stuks per uur in vergelijking met vroeger. Zelfs als de uurlonen verdubbelen, blijft de loonkost per geproduceerd  stuk ongewijzigd. Uurlonen die de evolutie van de productiviteit volgen weerspiegelen zich dus in een ongewijzigde loonkost per geproduceerd  stuk; een stijging (respectievelijk daling) in de loonkost per geproduceerde eenheid wijst op een loonevolutie die sneller (resp. trager)  is dan de evolutie van de productiviteit. In het Engels is de loonkost per geproduceerde eenheid de unit labour cost of ULC, zoals voorkomt in de grafiek.
Er is tenslotte nog het onderscheid tussen nominaal en reëel loon. Het nominaal loon is het aantal euro per uur. Maar als de prijzen verhogen (inflatie) zal eenzelfde nominaal  loon niet meer dezelfde koopkracht vertegenwoordigen, m.a.w. het reëel loon zal gedaald zijn. [Noot van de vertaler]

[iii] De directoraten-generaal (DG) zijn administraties die werken voor de Europese Commissie. DG ECFIN is het ‘ministerie van economische en financiële zaken’. [Noot van de vertaler]

[iv] De grafiek toont de gemiddelde jaarlijkse  inflatie in de periode 2001-2011 als functie van de gemiddelde jaarlijkse  toename van de nominale loonkost per eenheid product in dezelfde periode.  Elk datapunt komt overeen met een lidstaat (DE Duitsland, HU Hongarije enz.) waarvoor deze gemiddelden berekend werden. Men ziet bv. dat de gemiddelde inflatie in Hongarije 5% bedroeg, en dat de nominale loonkost per eenheid er met ongeveer 4,5% steeg. In Duitsland daarentegen was de inflatie op jaarbasis gemiddeld slechts 1%, en de gemiddelde jaarlijkse nominale loonstijging ongeveer 0,5%. De rechte lijn is de best aansluitende lineaire functie, en men ziet dat die inderdaad 1 met 1 laat overeenkomen, 2 met 2, het “1-1 verband” waarvan sprake in de tekst. [Noot van de vertaler]

[v] Stel dat je € 1000 leent tegen 0%, maar de prijzen dalen met 10% per jaar (deflatie of negatieve inflatie). Wanneer je een jaar later € 1000 moet terugbetalen, stelt dit bedrag een 10% grotere koopkracht voor dan een jaar voorheen. De reële rente is met andere woorden 10%.  [Noot van de vertaler]

[vi] Met de term  regulatory capture wordt het fenomeen aangeduid waarbij een overheid die ondersteld wordt regulerend op te treden in het algemeen belang, ‘gevangen’ wordt door de particuliere actoren die gereguleerd moesten worden.

Reacties plaatsen niet mogelijk