Facebook

‘Over de toestand en de strubbelingen in Europa’

4 februari 2016

door Vincent Scheltiens Ortigosa

 

Hier volgt de uitgeschreven voordracht die Vincent Scheltiens  gaf op 30 januari 2016 in Brussel, ter gelegenheid van de nieuwjaarsdrink van het ecosocialistisch initiatief   ‘Socialisme 21’. Scheltiens promoveerde in 2015 aan de Universiteit Antwerpen tot doctor in de geschiedenis op een proefschrift over de Vlaamse en Waalse identiteitsconstructie. Hij volgt met aandacht de ontwikkelingen van de linkerzijde in België en Europa, in het bijzonder wat zich in de Spaanse Staat afspeelt.

Onderaan de tekst vindt u de audioversie van deze voordracht.

 

Vincent ScheltiensBeste vrienden en vriendinnen,

Juan Luis Vives was een 16de-eeuwse Spaanse humanist die nagenoeg zijn hele leven in de Nederlanden woonde en werkte. Hij zou hier ook, meer bepaald in Brugge, overlijden. Ten onrechte staat hij wat in de schaduw van die andere grote 16de-eeuwse humanist, zijn goede vriend Desiderius Erasumus. Het intellectuele nalatenschap van Vives mag er zijn, alles natuurlijk binnen de context van zijn tijd. Hij produceerde een belangrijk werk over de noodzaak van armenzorg, pleitte voor onderwijshervormingen en brak een lans voor een behoorlijke opleiding voor vrouwen. En hij – en daarmee zijn we vertrokken – maakte zich zorgen over Europa.

Dat continent hield hem zodanig uit zijn slaap dat hij zich tot de paus richtte. Dat was op dat moment de in Utrecht geboren Adrianus VI, de eerste en tot nu toe laatste ‘Nederlandse’ paus in de geschiedenis. Op 12 oktober 1522 schreef Vives vanuit Leuven zijn De Europae statu ac tumultibus. Dat kan vertaald worden als ‘Over de toestand en de strubbelingen in Europa’. Strubbelingen,  chaos, agitatie …

Jullie hebben het al begrepen. Hier laten we Juan Vives even los maar nemen de titel van zijn werk mee. Ik richt mij vandaag, een kleine 500 jaar later tot jullie, hier in Brussel. Vrienden en vriendinnen, Europa baart ons zorgen.

 

I. Crisis of oplichting?

Wat de afgelopen jaren in Europa gebeurd is, lijkt wel een staaltje van wiskundige chaostheorie, van onvoorspelbaarheid door niet-lineariteit, jullie weten wel… het voorbeeld van de vlinder die voor de kust van Europa één keer met zijn vleugeltjes klapt waarna die minieme turbulentie in de atmosfeer een paar dagen later een enorme orkaan in de Caribische zee doet losbarsten.

Mijn Europese verhaal zou dus kunnen beginnen aan de overkant van de Atlantische Oceaan en wel op 15 september 2008, toen de Noord-Amerikaanse bank Lehman Brothers overkop ging. Laat ons immers kijken naar de ravage die deze gebeurtenis veroorzaakte.

Eén van de bondigste analyses kwam van de Britse financiële journalist Paul Mason. In zijn in 2015 verschenen boek Postcapitalism. A Guido to Our Future formuleerde hij het als volgt:

‘Door soberheidsprogramma’s werd de pijn weggenomen bij mensen die geld op een domme manier investeerden; uitkeringsgerechtigden, ambtenaren, gepensioneerden en vooral de toekomstige generaties werden in hun plaats gestraft’.

Ziedaar de inzet van heel dat soberheidsproject, concludeerde Mason: gedurende de komende decennia moeten lonen, werkomstandigheden en levensstandaard in het westen zodanig zakken tot ze onderweg deze van de opkomende middenklasse in China en India ontmoeten.

Sinds het uitbreken van de crisis is dit waar het in het westelijke deel van Europa om gaat: een internationaal afgesproken inspanning om de naoorlogse afgedwongen krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal kwalitatief om te buigen in het voordeel van deze laatste. Dat is de betekenis van de eenzijdige besparingen op de kap van werkenden en werklozen. Het alibi heet crisis, maar verdient echter een correctere naam, de naam die ze kreeg van de Spaanse indignadobeweging: ‘una estafa’. Oplichting, dus.

Vermits je bij zo’n oplichting de mensen alles moet doen geloven, behalve dat je ze oplicht, zag deze crisis op discursief vlak interessante strategieën in werking treden. We hadden met z’n allen boven onze stand geleefd, klonk het. Zij die aan hun pensioen én aan de pensioenleeftijd vasthielden, werden ‘egoïsten’ die de jongeren een toekomst ontzegden.

Jullie weten dat ik bestuurd wordt door een burgemeester-in-bijberoep (de man is ook federaal Kamerlid, nationaal partijvoorzitter en federaal schaduwpremier) die al eens graag een ‘ploat’ af zet, maar deze ‘ploat’ laten hij en de zijnen, overal in Europa, grijs draaien: ‘Er is geen alternatief’. 1

Politiek moest dus gereduceerd worden tot een stalen consensus over deze hoofdzaak. Dat de wezenlijke kern van het beleid niet ter discussie gesteld werd, compenseerde men door gekibbel over secundaire kwesties. Over het ‘hoe’ van het besparen, over het ritme ervan, over de prioriteiten en de termijnen, over dikke of dunnere schijven, maar gesneden moest er worden.

Wie voorstelt deze consensus te doorbreken, spuwt in de soep. Meteen wordt hij of zij weggezet als iemand die niet ernstig is, aan ideologie doet. Dat laatste is not done. Het ontbeert hem of haar aan ‘gezond verstand’.

Wat je dan wel moet doen, heet: ‘besturen als een goede huisvader’. ‘Goed bestuur’, alsof iemand in een verkiezingscampagne het omgekeerde zou voorstellen… Er bestaat een instituut, Guberna – Instituut voor Bestuurders – lees: topmanagers – die op haar website ‘deugdelijk bestuur’ als volgt definieert:, en het is geen grap:

‘de juiste dingen doen en de dingen juist doen… op het juiste moment’.

Onder de leden tel ik ‘goede bestuurders’ als… BNP Paribas Fortis, Dexia…

Discursief is dat razend interessant. Van de Britse literatuurwetenschapper Terry Eagleton weten we dat je ideologisch hegemonisch bent als je ideologie impliciet is geworden, als vanzelfsprekend wordt beschouwd, niet meer als ideologie herkend wordt. Je moet, aldus Eagleton, je ideologie ‘commonsensual’ maken. Dat doe je door je te beroepen op het ‘gezond verstand’, in Vlaanderen ook vaak ‘boerenverstand’ genaamd… de ‘juiste dingen’ doen. Het is de efficiëntste manier om je tegenstander buitenspel te zetten, te ‘abnormaliseren’ en onschadelijk te maken.

Terwijl fanatieke, dogmatische besparingspartijen het etiket ‘centrum’ krijgen opgekleefd, worden zij die de consensus proberen te doorbreken, die stellen dat in een democratie altijd alternatieven moeten mogelijk zijn, afgeserveerd met het prefix ‘extreem’. Ook populair: is het label ‘populisme’. Een concept dat eenzijdig pejoratief ingevuld wordt als ‘het volk naar de mond praten’. Dat is interessant genoeg om dadelijk op terug te keren, maar eerst dat ‘centrum’ en dat ‘extreme’.

 

II. Extreme centrum

Goed gevonden is het etiket dat de Brits-Pakistaanse linkse alweter Tariq Ali op dat soort consensuspolitiek plakte. In zijn in 2015 verschenen boek The Extreme Centre: A Warning verwittigt hij ons voor dit ‘extreme centrum’.

Hun consensus maakt verkiezingen eigenlijk overbodig, houdt Ali ons voor. Zowel centrum-rechts als centrum-links gedragen zich als rentmeesters van ‘de markt’. Ze wisselen elkaar vaak af aan de macht en deze alternering zorgt enkel voor ondergeschikte wijzigingen zoals ritmes en modaliteiten. Zo ontstaat een ‘ononderscheidbare politieke elite’, aldus Tarq Ali.

Vaak leidt deze gewenning aan de macht – 1° tot een gevoel van ongenaakbaarheid (‘wie kan me wat’) en – 2° tot kleinere en grotere vormen van corruptie. Van vriendjespolitiek, over de fameuze draaideuren tussen een politiek ambt en riant betaalde bestuursmandaten in ondernemingen, tot regelrechte oplichterij.

Europese kampioenen van de ‘draaideuren’ zijn twee mannen die ooit, voor hun achterban, een vernieuwend socialisme belichaamden: Gerhard Schröder, al enige jaren handelsreiziger in oliepijpen voor het Russische Gazprom, en Tony Blair, voyageur voor de Morgan Chase bank en Zürich Financial Services en eigenlijk voor al wie de grotere brieven bovenhaalt. Maar ook Guy Verhofstadt, de betreurde Steve Stevaert en de al even betreurde Jean-Luc Dehaene, Stefaan De Clerck en vele anderen passeerden door deze draaideuren.

Alsof het vanzelfsprekend is dat je na een politieke carrière, zogezegd ter compensatie voor je ‘opoffering’, je verworven expertise en newerken inzet om je zakken te vullen in raden van beheer van multinationals en niet om bijvoorbeeld als vrijwilliger de lokale wereldwinkel een duwtje in de rug te geven.

Het Europa van vandaag is het topproduct van dit extreme centrum. De gevolgen zijn kwalijk en mogen ons eigenlijk niet verbazen.

De Ierse politieke wetenschapper Peter Mair, in 2011 helaas plots overleden, kwam tot gelijkaardige conclusies in een in 2013 postuum verschenen studie. In Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy – wat zoveel betekent als ‘de leegte besturen’ – schetste hij hoe de consensus rond de ‘derde weg’ de democratie uitholde. Europese politieke elites, zo zag de auteur, herkneedden zichzelf tot een homogene beroepsklasse.

Mensen zien geen onderscheid in het politieke aanbod, herkennen er zich niet in en verliezen er hun belangstelling voor. Partijen kampen met afkalvende ledenaantallen, de interne democratie valt stil. Een zeker dédain neemt toe vanwege deze elites die zich vasthaken in de instellingen.

Intussen neemt de macht van ondemocratische actoren en niet verkozen instellingen des te makkelijker toe. De Europese Unie, zo stelde ook Mair, is daar de duidelijkste belichaming van. Ze depolitiseert compleet de lidstaten. Over de Europese dictaten valt niet te discussiëren.

Extreme centrum, consensueel neoliberalisme, crisis partijen en democratie, democratisch deficit, vorming van een elite… een kaste.

Is dat de Europese erfenis van de sociaaldemocratie? De sociaaldemocratie was en blijft vooralsnog één van de pijlers van dat Europa. Vanaf de totstandkoming van dit Europa liep de sociaaldemocratie op kop. Wim Duisenberg, eerste voorzitter van de Europese Centrale Bank, Jacques Delors van 1985 tot 1995 voorzitter van de Europese Commissie, de tientallen EU-lidstaatregeringen die van toen tot vandaag alleen of in coalitie door sociaaldemocraten geleid werden. Het was al Derde Weg wat de klok sloeg. Jeroen Dijsselbloem is jammer genoeg de voorlopig recentste schakel van een langere keten. Ook bij ons, uit de mond van Frank Vandenbroucke, klonk het niet anders toen die in 1999 met Guy Verhofdstadt Paars fundeerde omdat ‘de tijd van de ideologische verschillen achter ons ligt’.

Het is zoiets grotesks als het ‘einde van de geschiedenis’ afkondigen. Als je oprechte in de oppositie vertoevende sociaaldemocraten vandaag confronteert met de toen modieuze these dat er geen kloof bestaat tussen het aan gang zijnde liberalisme en het socialisme, wordt er geconcentreerd en langdurig… naar de veters van de eigen schoenen gestaard.

Hoe kan je een stroming revitaliseren als je enige boodschap luidt dat je de verstolling van het ‘minste kwaad’ bent? Dat je reden van bestaan, je aanwezigheid, gelegitimeerd wordt door het feit dat het zonder jou erger zou geweest zijn?

Zowel Tariq Ali als Peter Mair wijzen er in hun werk op dat almaar meer mensen zich de vraag stellen waarom ze nog zouden gaan stemmen als ze in de politiek toch allemaal een pot nat zijn. Dat brengt me tot Griekenland.

 

III. De les van Griekenland

De eenzijdige en draconische besparingsmaatregelen die de Griekse bevolking door de Trojka en haar eigen opeenvolgende regeringen – sociaaldemocraten en conservatieven – werden opgelegd leidden tot de doorbraak van twee politieke krachten weg van het centrum. 1. Het extreem-rechtse Gouden Dageraad dat zowel de politieke retoriek als de baseball-knuppel hanteert. 2. Het conglomeraat van linkse politieke formaties dat zich Syriza noemt, de Coalitie van Radicaal Links, een onwaarschijnlijk staaltje van wat in kleinlinks jargon wel eens ‘politieke herschikking’ wordt genoemd en waar al bij al zo’n dertien groepen bij betrokken waren.

Ondanks verkiezingsoverwinningen, ondanks een gewonnen referendum, trad het Europa van het Extreme Centrum de Griekse soevereiniteit radicaal met de voeten. Ten eerste moeiden Angela Merkel en José Manuel Barroso zich met de campagne middels stemoproepen tegen Syriza. Ten tweede: hoe meer de nieuwe regering haar bevolking consulteerde, hoe sterker ze zich daardoor democratisch legitimeerde, hoe meer dit de toorn opwekte van de onverkozen instellingen en hun vazallenregeringen.

De Grieken deden dingen die in Europa niet gezien mochten worden, ze zegden dingen die in Europa niet mochten gehoord worden. Tsipras en de zijnen hadden de ‘omertà’ geschonden: de ijzeren consensus doorbroken, het essentiële ter sprake gebracht. Maar waarover ging hun ‘extremisme’ dan? Wel, wat de Griekse regering vroeg en wilde, klonk ongeveer als volgt:

“We willen eigenlijk niet eenzijdig inleveren, een schuld afbetalen die deels onwettig is. We vragen toestemming om die schuld te kunnen heronderhandelen. We willen zuurstof en centen voor een eigen investeringsbeleid: banen scheppen, gezondheidszorg, onderwijs, performante openbare dienstverlening, en dus de privatiseringen stopzetten.”

Tot daar de gruwelijke ‘out of the box’-voorstellen van de Griekse Syriza-regering.

Niet één land stak de wettelijke Griekse regering de hand uit. Wel, zoals we weten moest de arme Alexis Tsipras niet alleen plooien. Omdat hij op zijn soevereiniteit gestaan had, de ‘omertà’ had doorbroken, moest hij ook gebroken en vernederd worden. Vandaag is Griekenland herleid tot een kolonie. Een soort van Treuhandanstalt privatiseert en verkoopt ondernemingen, van fabrieken tot zee- en luchthavens. Sinistere Men in Black dicteren de regeringspolitiek. Europa wil ook de grensbewaking overnemen of er massa-concentratiekampen voor aangespoelde vluchtelingen bouwen.

Ik weet wel dat menig oprecht links mens van mij verlangt dat ik nu luid uitroep dat Alexis Tspiras een smerige verrader is. Meer. Dat het in de sterren geschreven stond, omdat hij een eurocommunist was en meer Nicos Poulantzas dan Ernest Mandel heeft gelezen… Ik zou die vrienden één opmerking en twee andere historische episoden voor ogen kunnen houden. De opmerking luidt dat je geen concrete politieke houding kan baseren op basis van een steriel moralisme. Stel dat hij dat soort verrader is. Et alors? Hoe gaan we dan verder? De twee historische perioden die ik wil aanhalen, klinken miscchien wat pijnlijk in de oren van linkse uitdelers van oorkonden van ideologische zuiverheid. 1. – De goedkeuring van het Brest-Litovsk-akkoord in maart 1918. De jonge Sovjet-Unie kocht zijn vrede van Duitsland af door die staat massa’s land en kapitaal te schenken. 2. – De invoering van de NEP. In de zomer van 1921 introduceerde de nog steeds jonge Sovjet-staat een Nieuwe Economische Politiek waardoor vormen van privé-bezit en het maken van winsten weer werden toegestaan. Tweemaal getekend Lenin en Trotski, tweemaal ‘nood breekt wet’, tweemaal geïnterioriseerd en toegegeven als een nederlaag.

Ik ben eerder geneigd naar twee, volgens mij essentiëlere zaken te kijken, waar een oplossing voor kan bedacht worden: de rol van de Europese sociaaldemocratie en het alternatief voor de EU-constructie van vandaag.

  1. De Europese sociaaldemocratie heeft Tsipras in de steek gelaten. EP-voorzitter Martin Schulz, Duits vice-kanselier Sigmar Gabriël, Italiaans premier Matteo Renzi en Frans president François Hollande hadden hem meteen, en dat is vanaf dag één van Tsipras’ aantreden, te kennen gegeven dat hij moest plooien. Uiteindelijk snoefden de Franse socialisten met het feit dat ze hem een degelijk soberheidsplan hebben leren opstellen dat aan de wensen van rentmeester Wolfgang Schäuble tegemoet kwam. De Europese SD-fractie feliciteerde Hollande omdat hij ‘de Grexit had vermeden en Europa gered had’. Tspiras had dus geen krachtsverhouding.Vandaag heeft dit in sectoren van de Europese sociaaldemocratie de vraag doen rijzen of ze zo wel door moeten gaan. Het is wellicht ook een kwestie van lijfsbehoud, om een veralgemeende ‘pasokisering’ te voorkomen. En omdat er inmiddels andere precaire maar welbedoelde stappen ondernomen werden: de vorming van de linkse regering in Portugal, de verkiezing van Jermey Corbyn tot Labour-leider, de steun van de PSOE aan de linkse besturen in Spanje (ik kom er op terug) en het dilemma waarvoor Podemos de PSOE heeft geplaatst door haar een linkse regering voor te stellen…Over de twijfel de binnen de sociaaldemocratie gerezen is over de eigen koers hoeft helemaal niet lacherig gedaan te worden. De discussie is aan de gang en ze moet op een constructieve manier in de juiste richting aangemoedigd worden. Zonder illusies, zeker. Maar cynisme is het laatste wat de linkerzijde in deze kan helpen.
  1. Tsipras had evenmin een mandaat, had dat nooit gevraagd noch overwogen om uit de Eurozone of de EU te stappen. En vermits dat riskante scenario ook niet degelijk voorbereid was, kon je er al zeker niet onvoorbereid en plotsklaps je miljoenen kwetsbare inwoners in storten.Vandaag worden deze ‘exit’-scenario’s ook ter linkerzijde besproken. Net zoals er plannen B en zelfs C besproken worden. Het debat is open: kan je de instellingen hervormen, kan je dit Europa sociaal, ecologisch en democratisch amenderen? Of is ze gemaakt – en dan vooral de euroconstructie – als neoliberaal, eenzijdig monetaristisch instrument dat moet vernietigd en vervangen worden? Hoe moet je dit Europa amenderen of hoe moet je dit Europa van de grond af aan opnieuw heropbouwen? En, niet onbelangrijk, hoe vermijd je een nationalistische terugplooi? Het is geen vergoelijking van de zware Griekse nederlaag en nog minder van het huidige Griekse beleid. Het is een contextualisering die links moet helpen sterker te worden. Die concreet uitnodigt om de sociaaldemocratie te interpelleren.Er waren, by the way, in geen enkele EU-lidstaat massastakingen tegen de eigen regering om van koers te veranderen ten aanzien van Griekenland… Hier is dus nood aan nuance in plaats van kretologie, van zoeken naar een uitkomst in plaats van het uitschreeuwen van het grote steriele gelijk.Elk nadeel heb z’n voordeel, zei Johan Cruijff, zo’n beetje de enige Nederlander die in de voetsporen is getreden van Adrianus VI. Dankzij de Grieken is het Europese masker afgevallen. Tientallen miljoenen mensen zien het sociaal en democratisch deficit, de praatjes zijn op massaschaal doorprikt. Alleen Guy Verhofstadt – ‘Méér van dit Europa’ – slaagt er niet in zijn ‘ploat’ af te zetten.

 

IV. Buitengewone politiek

Belangrijke segmenten van de bevolking zijn uitgekeken op het bestaande politieke aanbod. Het sterkst komt dat tot uitdrukking in Zuid-Europa, de meest kwetsbare regio van de Eurozone.

Hoewel ik het zeker niet over de hele lijn met hem eens ben, biedt de Grieks-Amerikaanse politicoloog Andreas Kalyvas ons een interessant inzicht om wat er in Zuid-Europa aan de gang is, te verpakken in politieke theorie. Ik verwjs naar zijn in 2008 verschenen werk Democracy and the Politics of the Extraordinary: Max Weber, Carl Schmitt, Hannah Arendt. Voor hem bestaat de politieke geschiedenis uit een afwisseling van perioden van ‘gewone’ en ‘buitengewone’ politiek.

In perioden van ‘gewone politiek’ (‘ordinary democratic politics’) wordt politiek gemonopoliseerd door politieke elites, ingewortelde belangengroepen, bureaucratische partijen, rigide institutionale procedures, het principe van vertegenwoordiging en electorale-parlementaire processen. Politiek als een utilitaristisch en statisch model gekenmerkt door depolitisering en passiviteit van het volk.

In tegenstelling hiermee wordt een periode van ‘democratic extraordinary politics’ gekenmerkt door een hoge graad van collectieve mobilisatie, brede steun in het volk voor fundamentele veranderingen, het ontstaan van irreguliere en informele politieke ruimten, de vorming van extra-institutionele en antistatische bewegingen die de heersende krachtsverhouding in vraag stellen alsook de geldende sociaalpolitieke status quo, het dominante waardensysteem. Doel is de verandering van maatschappelijke basisstructuren. De democratische politiek van het buitengewone gaat over ‘niet frequente en ongewone momenten wanneer burgers de formele grenzen van de institutionele politiek overspoelen’.

Of dit nu helemaal nieuw is, kan je best betwijfelen. Maar onthoud vooral: hoge mate van collectieve mobilisering; steun van de bevolking voor fundamentele maatschappijverandering; ontstaan van antisysteembewegingen…

 

V. Spanje en Podemos

Dat brengt mij opnieuw tot Juan Luis Vives en meer bepaald het land waar hij vandaan kwam: Spanje. We verlaten hier het terrein van de politieke theorie om te kijken naar de praktijk van de ‘buitengewone democratische politiek’.

Nergens in Europa was de beweging-van-onderuit tegen de politiek van het extreme centrum zo massaal als op het Iberische schiereiland. Om dat te verklaren moet ik, zonder uit te weiden, toch de Spaanse specificiteit schetsen. Harde en eenzijdige bezuinigingen gaan er hand in hand met schaamteloze corruptie op massaschaal. In beide gevallen zijn zowel de rechtsconservatieve PP als de sociaaldemocratische PSOE betrokken (ook het koningshuis nota bene). Dit is dan nog eens onlosmakelijk verbonden met een constitutioneel probleem: een grondwet en een overgang van dictatuur naar democratie die het land opzadelde met zowel een onverwerkt verleden als een staatkundig probleem, waarbij onder de perifere naties de zucht naar afscheiding nog eens versterkt wordt.

De combinatie van eenzijdige bezuinigingen, welig tierende corruptie en pronken met straffeloosheid leidde tot de gigantische massabeweging die als symbolisch vertrekpunt de bezetting van de Madrileense Puerta del Sol had op 15 mei 2011. Van een paar tientallen ‘occupyers’ sloeg de lont in het kruitvat. Over heel het land werden straten en pleinen massaal bezet en werd in een vorm van prefiguratieve politiek vergaderd, beslist, bottum up georganiseerd en samengeleefd.

Tal van sociale protestbewegingen, zwanger van inhoudelijke alternatieven, groeiden als paddestoelen uit de grond: Democracia Real Ya, Juventud Sin Futuro (jeugd zonder toekomst), Plataforma de Afectados por la Hipoteca (PAH, de beweging tegen de huisuitzettingen), Estado de Malestar (de ‘onwelvaartstaat’) en tientallen andere collectieven zagen het licht. Sectorieel verzet werd gebundeld in ‘mareas’ (vloed, hoogtij) die naargelang de sector een andere kleur hadden: de ‘marea blanca’ tegen de privatiseringen in de gezondheidszorg, ‘marea verde’ voor kwaliteitsvol openbaar onderwijs, etc. etc.

Je kan hier zeggen dat een nieuwe generatie is opgestaan. En je moet er aan toevoegen dat de oudere generaties een nieuwe jeugd beleven. In de actie en de discussie.

Hoe massaal en diepgaand de sociale bewegingen ook zijn, hoe lang de mobilisaties ook duren… mensen blijven niet eeuwig op pleinen wonen, uitputting laat zich gevoelen. Daar ligt het vernuft van de initiatiefnemers van Podemos. Ten eerste dat ze begrepen dat, zoals hun allereerste manifest-oproep luidde, de sociale verontwaardiging moest omgezet worden in politieke verandering (‘Mover ficha: transformar la indignación en cambio político’). Ten tweede dat die politieke verandering niet via de reeds bestaande partijen – evenmin de linkse of radicaal-linkse – kon verlopen. Ten derde dat timing essentieel was. Op het moment dat de brede protestbeweging begon te slabakken, lanceerden de initiatiefnemers, een zestigtal tot dan toe vooral met radicaal links gerelateerde academici en activisten, hun oproep om het politieke terrein te bespelen.

Dat bleek een onverhoopt succes. Vijf maanden na de oproep van januari 2014 behaalde Podemos met meer dan 1 miljoen 250.000 stemmen vijf zetels in het Europees Parlement. In mei 2015 volgden tientallen zetels in de verschillende regionale parlementen. Veel belangrijker was op diezelfde 24ste mei 2015 het succes van links bij de gemeenteraadsverkiezingen. Cruciale centrumsteden, waaronder Madrid, Barcelona, A Coruña, Zaragoza, Cádiz… werden door een onuitgegeven samengaan van Podemos, andere linkse formaties en sociale actiegroepen veroverd. Die gemeentebesturen boekten onmiddellijk resultaten. Inzake moreel leiderschap: plafonering lonen; afschaffing dienstwagens en persoonlijke gadgets… Inzake bestuurlijke capaciteit (en binnen het kader van de bevoegdheden): afbouw schuldenlast, stopzetting privatiseringen, stopzetting uithuiszettingen, ecologische prioriteiten… Bovendien organiseerden ze zich onderling in een netwerk, om ervaringen uit te wisselen, maar ook om een de facto krachtsverhoudingen in leven te roepen die de institutionele linies doorkruist…

Ondanks vele tegenkanting, boycot, lastercampagnes werd deze politieke zucht naar verandering op 20 december, in de de parlementsverkiezingen, bevestigd. Podemos en de coalities waarmee ze een alliantie aanging (in Galicië, Valencia en Barcelona) scoorden buitengewoon goed. Samen meer dan vijf miljoen stemmen, 69 zetels, de derde grootste politieke kracht van heel Spanje.

Wat kunnen we leren van Podemos, of wat moeten we minstens bespreken?

Ten eerste. Ik verwijs hier altijd graag naar de Mexicaanse Revolutie van 1917 en het moment waarop de triomferende troepen van Emiliano Zapata aan het presidentiële paleis komen en de facto de politieke macht in handen hebben. In plaats van die krachtsverhouding voluit te laten spelen, leest Zapata de president aardig de levieten, waarschuwt hem geen tweede maal grapjes uit te halen… stapt op zijn paard en rijdt weg. Niet zo gek veel later wordt hij vermoord. Wat we vandaag het ‘momentum’ noemen, keert niet meer terug. Podemos kondigde openlijk aan ‘in leven te zijn geroepen om de meerderheid te veroveren en de macht te grijpen’.

Ten tweede. Tegelijk heeft Podemos begrepen dat politiek een specifiek terrein is en verkiezingen een specifieke oefening. Vandaar de herhaalde verwijzing naar Salvador Allende: we hebben het terrein waarop we slag moeten leveren niet zelf gekozen. Dit heeft een prijs. Internetdemocratie in plaats van decentralisatie met doorslaggevende basisgroepen. Een homogene leiding, de facto een vriendenkring die elkaar kent en vertrouwt. Een alomtegenwoordige secretaris-generaal. Ze noemden het de noodzakelijke ‘electorale oorlogsmachine’ om ‘de hemel te bestormen’. Het resultaat is contradictorisch: enerzijds is het een partij die zich de politieke vertolking van de indiganadobeweging noemt; anderzijds is het een partij die bijna even top-down functioneert als de 15-M-beweging bottum-up was.

Ten derde. En hier zijn we d’er terug mee: het populisme. Van de Argentijnse politieke wetenschapper Ernesto Laclau leerden ze bij Podemos dat ‘volk’ voor links niet pejoratief is. Dat de hoofdtegenstelling breder dan arbeid-kapitaal moet geschetst worden. Dat het anders ligt dan naar een eenheid of een juxtapositie, een nevenschikking, van klasse plus andere bondgenoten te zoeken. Maar dat een nieuw ‘agency’ moet gemaakt worden: ‘hacer pueblo’, ‘volk maken’. De tegenstelling die je dan accentueert is deze tussen volk en kaste (de elite). Voor politieke commentatoren klinkt dit verwarrend: niks zo flauw en algemeen dan volk, anderzijds niks zo scherp dan dat volk pal tegenover een ‘kaste’ te situeren. Dat anagonisme is niet alleen een discursieve kwestie, de discursieve is ook de strategische kwestie.

Ten vierde. De inzet. Soevereiniteit en zelfbeschikking. Tegenover de Europese dictaten, tegenover de grondwettelijke beperkingen. Ook hier keek Podemos naar wat aan de overkant van de oceaan gebeurde, naar plurinationale experimenten.

Ten vijfde. Politiek personeel. Kijk naar de commotie in het Spaanse parlement bij de intrede van de Podemos-fractie. Heel het land kent Alberto Rodríguez van Tenerife, de ‘rastafari’ met zijn dreadlocks. Iedereen had een mening over Carolina Bescansa, Podemos-leidster, kandidaat-parlementsvoorzitter, de moeder met haar baby op de arm. Iedereen kent Rita Bosaho van Alicante, de eerste zwarte verkozene in de geschiedenis van het Spaanse parlement… De samenstelling van het politieke personeel is ganz anders. Dat is ook een vorm van ‘Sí se puede’ in de praktijk.

En dan belanden we bij Manuela Carmena, de 71-jarige rechter op rust, maar populaire burgemeester van Madrid. De dame die met haar netzak naar ’t werk gaat en in de metro en op straat aangesproken en omhelsd wordt. Bij Ada Colau, de activiste tegen de huisuitzettingen die vandaag Barcelona bestuurt en op de koop toe met haar lijst de grootste formatie van Catalonië werd bij de afgelopen parlementsverkiezingen.

Achter de sterke schouders van deze twee ‘gewone’ buitengewone vrouwen herleeft het feminisme in dit macholand. Een land waar door huishoudelijk geweld quasi elke dag een vrouw gedood wordt door een echtgenoot, een minnaar of een ‘vriend’. Zoals een tot tranen toe bewogen Ada Colau het zei op de Podemos-massameeting in Madrid toen ze zich even uitsluitend tot alle vrouwen van Spanje richtte: ‘Omdat het kan… omdat het moét’.

 

VI. Reactie (letterlijk), het moeilijkste gedeelte van deze uiteenzetting

 We hebben dus alle reden om het hart warm maar het hoofd koel te houden. Zoals we in Europa onze onmacht niet moeten verklaren door verraad van smeerlappen, kunnen we best evenmin onze hoop uitdrukken aan de hand van een nieuwe galerij helden. Het is een methodologie die door de praktijk vaak de laatsten in de categorie van de eersten doet belanden, maar ons niet veel wijzer maakt.

De obstakels blijven immens en er komen er almaar bij.

  1.  Terrorisme.
    Een eerste opmerking. Geen enkele individuele dader kan rekenen op instemming of verzachtende omstandigheden. Niks is zo abject dan het leven nemen van willekeurige weerloze mensen, of je nu een bomgordel tot ontploffing brengt, een drone onnauwkeurig programmeert of de vuurknop van de bommenwerper indrukt. Of de slachtoffers in Parijs vallen, in Irak, in Libanon of waar dan ook… Het terrorisme dat links in het defensief lijkt te dringen is de boemerang van drie gigantische problemen van de politiek van deze maatschappij: 1- haar imperialisme in het zuiden en het oosten van de wereld; 2 – het feit dat ze in eerdere decennia alle linkse alternatieven in de conflicthaarden van vandaag de nek heeft helpen omwringen en het religieus fundamentalisme vrij baan heeft gegeven en in sommige gevallen mee groot gemaakt heeft; 3 – haar onvermogen om geïmmigreerde mensen een volwaardige plaats in de eigen samenleving te geven, zie haar discriminatie en racisme.In het defensief dus. Het is moeilijk mobiliseren onder dreigingsniveau 3, laat staan 4. Uiteraard maakt rechts van de angst – die ze zelf verspreidt – gebruik om een aantal democratische rechten en vrijheden aan banden te leggen. Het blijft onvergeeflijk dat de grootste klimaatmobilisatie ooit op die manier geneutraliseerd werd. Tijdelijk, sussen ze. Het lijkt wel van alle tijden en in alle regimes. Zoals het ook tijdelijk was dat onder de bolsjewieken – omwille van de terreur – concurrerende politieke partijen buiten de wet werden gesteld. Zoals ook het Chavez-regime dissidente media het zwijgen oplegde. Wie politiek wil maken mét de mensen, moet de gevoeligheden begrijpen. De mensen die links wil organiseren, die waarmee ze ‘de hemel wil bestormen’, mogen dan misschien wel ongelijk hebben dat ze angstig worden, maar het maakt hun angst niet minder reëel. Er ligt huiswerk op de plank.
  2. Vrijheid of veiligheid.
    Moeten we, om ons tegen terreur te beschermen, delen van onze privacy en vrijheid afstaan? Links zit hier geprangd tussen zij die de vrijheid verabsoluteren en de veiligheidsmaatregelen ridiculiseren en zij die de securitaire weg zoals uitgestippeld door de EU-lidstaten mee volgen. Ook een linkse meerderheid zal antwoorden moeten vinden op de terreurdreiging en om het moeilijker te maken: niet de gekende langetermijn-antwoorden (vrede en gerechtigheid in het Midden-Oosten, volwaardige en zinvolle tewerkstelling in het Westen)… maar ook op de onmiddellijke termijn om de burgers te beschermen, hun gevoel van onveiligheid weg te nemen.
  3. Godsdiensten en culturalisering.
    Van de nieuwjaarsnacht in Keulen tot het zwembad van Koksijde. Racisten eigenen zich feministische retoriek toe om vluchtelingen buiten te houden. Het debat wordt geculturaliseerd en links is het onderling niet eens tussen een vrije beleving van godsdiensten (zeker en vooral voor minderheden) en het verdedigen van een secularisme. Om het op z’n Frans te zeggen: tussen Edwy Plenel (‘Pour les musulmans’) en Alain Finielkraut… Links moet opletten voor statische visies en voor haar eigen mythes en stereotyperingen. Als onderzoeker van naties en nationalisme, van hoe naties discursief geconstrueerd worden door een negatieve ‘andere’ te verbeelden, zie ik parallellen met wat vandaag hieromtrent gebeurt. De vluchtelingen, de botsing der beschavingen (Samuel Huntington), de ondergang van het avondland (Oswald Spengler), de judeo-christelijke fundamenten van onze samenleving, de waarden van de Verlichting… Het rolt er allemaal uit alsof we hier in deze klassenmaatschappijen met hun racisme en seksisme, met hun kolonialisme en imperialisme al eeuwenlang een consensus hebben over wie ‘we’ zijn welke ‘onze normen en waarden’ we delen. Wat we creëren zijn imaginaire homogene blokken die 1°- ondoordringbaar worden voor de ‘andere’ van buitenaf en 2° – waar elke uiting van ‘andersheid’ binnenin als ongeoorloofd en bedreigend wordt beschouwd en ‘geëxorciseerd’ moet worden.Bijna vier decennia na het verschijnen van Edward Saïds boek hebben we hier een nieuw voorbeeld van ‘oriëntalisme’. De vreselijke externe ‘andere’, ‘de Syrische mannelijke vluchteling’, is een constructie die van de weeromstuit rechts toelaat zich een Europa te verbeelden dat homogenisch heet te zijn, niet alleen van samenstelling, maar vooral van ‘normen en waarden’.
    Wie leert nuanceren, komt tot deze vaststelling: ‘we’ kunnen de Europese geschiedenis niet inroepen om morele of culturele superioriteit te claimen, want die is er niet. Tegenover eenheid en vrede, staan kolonisering van de wereld en judeocide, zowel de mechanische van Auschwitz als de handmatige van de Einsatzgruppen in het Oosten. Zoiets is tot nader order uitsluitend maar ‘Made in Europe’. Als we het pad van de culturalisering volgen, verliest links altijd.

 

En dat brengt me tot mijn slot. Enkele bedenkingen over strategie… en dat ongrijpbare concept dat ‘tijd’ genoemd wordt.

 

VII. Strategie

 Uit wat voorafgaat kan afgeleid worden welke debatten een cruciale plaats behoren in te nemen in een linkse strategie. Ik noem ze op:

  • Er moet tegenover de elite, nagedacht worden over de ‘agency’, de ‘wie’, en wat ‘volk’ betekent.
  • Er moet nagedacht worden over het ‘platform’ waar men op staat, van waaruit men springt: tegenover het democratisch deficit en de autoritaire manier van regeren en alternatieven uitslutien, moet nagedacht worden over ‘soevereiniteit’.
  • Er moet nagedacht worden over het werkmiddel, over hefbomen: de herpolitisering en democratisering.

 

Ik was in de zomer van 2015 behoorlijk gecharmeerd door de branie waarmee twee jonge Nederlandse politicologen de linkerzijde terug wat meer ‘attitude’ wilden verschaffen. Het essay van Merijn Oudenampsen en Dylan Van Rijsbergen,  verschenen in De Groene Amsterdammer van 23 juli 2015, heeft niet de aandacht gekregen die het verdient. In wat volgt neem ik een aantal van hun stellingen over. Ik zal bovendien aantonen dat het niet om illusoire kleinlinkse recepten gaat, maar dat substantiële krachten vandaag in die zin opereren. Het is met andere woorden een ‘groot links’-verhaal.

 

  1. Een linkerzijde behoort terug naar maatschappijverandering te streven.
    Breken met pragmatisme. Gedaan met beheren van het bestaande. Doe voorstellen op lange termijn. Pleit bijvoorbeeld op Europees vlak voor een New Deal voor Europa. In dat verband moeten we het initiatief en de voorstellen verwelkomen die door de voormalige Griekese financiënminister Yanis Varoufakis op 9 februari in Berlijn en over drie weken in Madrid zullen gelanceerd worden. Vanuit de as van de Griekse tragedie, moeten we politieke lessen trekken. De linkerzijde moet zich programmatorisch sterken en eenmaken rond een concreet project voor een Ander Europa, met of zonder Euro.
  1. Het uitgangspunt moet niet het midden zijn, maar zichzelf.
    Ik zou graag willen dat zowel Meyrem Almaci als John Crombez dit goed in de oren knopen. Geloof Kristof Calvo niet. Links moet naar de mensen gaan met een eigen alternatief programma dat niet ingegeven is vanuit de bekommernis om het politieke centrum te veroveren. De lange termijn moet primeren (klimaat, energie, mobiliteit, sociaaleconomisch…) en de verovering van het centrum ‘as it is’ doorkruist dat cruciale langetermijn werk ten voordele van tactische en electoralistische spelletjes.
  1. Stoppen met zeveren. Links heeft wel degelijk tegenstanders.
    Radicaal breken met extreme centrum en met idee dat met iedereen kan gepacteerd worden. Noem je tegenstanders, argumenteer waarom je het met hem niet eens ben, formuleer alternatieven. Ga met hem in debat. Voer politieke strijd. Voor een links-rechts polarisatie die rechts destabiliseert. Hier moeten we Bart De Wever op zijn kop zetten en kijken hoe hij polariseerde, de vijand benoemde (het socialisme en bij voorkeur het Waalse socialisme, de PS). Hoe komt het dat werkende mensen voor de ‘verandering’ van de N-VA stemden? Hier moeten we ook kijken naar Podemos en de manier waarop door de introductie van het concept ‘kaste’ de massamedia dit ‘grotesk’ en ‘agressief’ vond, maar miljoenen mensen meteen begrepen waarover het ging.
  1. Gaan voor strategische hervormingen die een ideologische impact hebben.
    Zet ook maar Margaret Thatcher op haar hoofd. Zij voerde strategische hervormingen door (sluiting steenkoolmijnen, openlijk gevecht met de bonden) die sterk ideologisch getint waren (volkskapitalisme) en haar machtsbasis structureel versterkten. Dat is wat links ook moet doen. Om in het Verenigd Koninkrijk te blijven. De hernationalisering van de spoorwegen, een element uit het programma van Jeremy Corbyn, zou niet alleen praktisch heilzaam zijn, maar ook een sterke ideologische impact hebben en de linkse machtsbasis structureel versterken. Op voorwaarde natuurlijk dat de treinen stipt rijden, de tarieven verlagen, mensen de auto laten staan… Wat een ideologische overwinning zou dat zijn op sociaal-economisch en ecologisch vlak!
    Op dezelfde manier moet creatief nagedacht worden over offensieve voorstellen rond arbeid, vrije tijd en leven… Betekent ons losmaken van neoliberalisme en de tirannie van de winstmaximalisatie ook niet dat we anders moeten werken, dat ‘economie’ anders moet verlopen?
  1. Uitgaan van een meerderheidspolitiek, niet van een minderheidspolitiek.
    Hoger- en laaggeschoolden verenigen rond een programma. Niet toespitsen op sectoriële doelpublieken en belangen (cfr. GroenLinks en Groen versus SP en PvdA). Jongeren en ouderen verenigen rond toekomsprojecten…

 

 

VIII.  De tijd en het gebaar

We mogen op geen enkel ogenblik uit het oog verliezen dat waar we beloftevolle ontwikkelingen ter linkezijde zien, we tegelijkertijd – of elders – eveneens doorbraken van radicaal rechtse krachten zien. Ik ga hier niet uitweiden over Marine Le Pen, Geert Wilders, Viktor Orbán etc.

Het EU diskrediet is zo groot, neem er de vluchtelingenproblematiek bij, dat het hele staketsel dreigt in te storten zonder dat links daar voor nodig is, zonder dat ze er een aandeel in heeft, zonder dat ze er een alternatief voor heeft. In dat geval dreigt inderdaad de triomf van rechts en uiterst-rechts.

Er is dus in Europa een wedren aan de gang tussen de hoop (links) en de pervertering van deze hoop (rechts). Time is on our side, kunnen we helaas niet zeggen. En dat brengt me tot de klimaatkwestie, maar ook tot zeer concrete beslissingen, zoals het zieltogende leven van oude kerncentrales verlengen. De klokt tikt en de tijd staat aan niemands kant.

Daarom is stilzitten geen optie. Niemand is teveel. Lokaal en internationaal moeten we sociale krachtsverhoudingen politiek vertalen. Dit is niet in tegenstrijd met prefiguratieve praktijken. Kijk naar de linkse steden in Spanje. De mensen van het ‘kleine verzet’ vormden mee de grote politieke antwoorden. Grote politieke antwoorden kregen wortels en body door de uit de praktijk gegroeide ingeniositeit.

Iedereen telt, elk gebaar telt.

Dit jaar zullen we, tegen de zomer aan, herdenken dat tachtig jaar geleden de Spaanse Burgeroorlog uitbrak. Trek het u niet aan maar later zullen historici onze periode misschien benaderen zoals ze sinds het einde van de korte twintigste eeuw het interbellum zijn gaan beschrijven: een tijd van extremismen of totalitarismen. Een tijd waarbij het liberalisme, gemakkelijkheidshalve tot synoniem voor democratie geupgradet, langs beide zijden in de verdrukking kwam. Wie zal zich dan vragen stellen over wat dat liberalisme aanrichtte? Wat de effecten waren van het ‘extreme centrum’ waren? Ze zullen, die historici, misschien iedereen over dezelfde kam scheren. Zoals niet weinigen met het interbellum deden. Waarbij men het engagement van de internationale brigadist in de Spaanse Burgeroorlog over dezelfde kam scheert als die van de piloot van het Duitse Condor-legioen dat de weerloze burgerbevoling van Durango en Gernika bombardeerde.

We hebben er geen vat op. Trek het u niet aan… Maar laat ons de brigadisten zijn en niet de Condor-piloten.

De Europae statu ac tumultibus. Juan Luis Vives. Europa baart ons zorgen. Er zijn strubbelingen en er is agitatie. Er zijn overwinningen en nederlagen, Er zijn vragen en te weinig oplossingen. Zo triest en zo hoopvol is het tegelijkertijd. En het ontbreekt ons aan tijd.

 

We moeten maar hopen dat Doel ons niet verhindert ons doel te bereiken. Ik wil dan ook besluiten met een pleidooi voor het sluiten en het afsluiten: het sluiten van de kerncentrales en het afsluiten van deze State of the European Union.

Van harte dank voor jullie aandacht.

 

 

 

  1. V. Scheltiens woont in Antwerpen, waar NV-A kopstuk Bart De Wever burgemeester is. Met de ‘ploat’ (grammofoonplaat) wordt verwezen naar een incidentje waarbij De Wever boos uitriep “Zet die ploat off” toen de muziekinstallatie in de zaal zijn speech dreigde te overstemmen. (nvdr)

Reacties plaatsen niet mogelijk