Facebook

Van grondwet naar verdrag van Lissabon – Hoe democratisch Europa werkelijk is

21 juli 2011

door Willem Bos (Ander Europa), 2008

[Dit is een tekst uit de brochure Wat Europa werkelijk doet – een kritisch boekje over de EU]

Op 1 juni 2005 konden de Nederlandse kiezers ja of nee zeggen tegen de Europese grondwet. Dit werd zo belangrijk gevonden dat er voor het eerst in Nederland een landelijk referendum werd gehouden. Een ruime meerderheid van de Nederlanders zei ‘nee’ tegen de grondwet, net als even daarvoor de Franse kiezers. Daarmee was de grondwet formeel van tafel. Maar ondertussen probeert men hem nu in een iets andere vorm gewoon door te voeren. Nu zonder referendum.

De Europese grondwet was vooral bedoeld om het democratische gezicht van de Europese Unie op te poetsen. Europa (de EU) wordt door de bevolking gezien als een ondemocratisch, bureaucratisch en ondoorzichtig geheel. Daar wilde men wat aan doen door haar van een echte grondwet te voorzien. Tegelijkertijd konden dan een aantal aanpassingen in het functioneren van de Unie worden doorgevoerd. Veranderingen die noodzakelijk waren door de groei naar 27 leden. En als dan de bevolking in een referendum ‘ja’ zou zeggen, was er sprake van een echte democratische legitimering.

Het ‘nee’ in de referenda in Frankrijke en Nederland stak daar een stokje voor. Maar zo snel gaven de Europese leiders zich niet gewonnen. Onder voorzitterschap van Angela Merkel werd een nieuw verdrag in elkaar gezet dat niet meer de vorm van een grondwet heeft en ook niet die titel draagt, maar waarin verder alle essentiële elementen van de grondwet terug komen.

De herschreven grondwet

Het nieuwe verdrag wordt aangeduid als ‘hervormingsverdrag’. Feitelijk gaat het om de wijziging cq. aanpassing van de twee belangrijkste Europese verdragen: het Verdrag voor de Europese Unie en het Verdrag tot Stichting van de Europese Gemeenschap.

Het hele pakket telt honderden pagina’s en omvat 296 wijzigingen van de bestaande verdragen. Daarnaast zijn er 12 protocollen en 51 verklaringen en annexen, die allemaal deel uitmaken van de verdragen en dezelfde wettelijke status hebben als de verdragen zelf. In tegenstelling tot de grondwet is er dus niet één doorlopende tekst, maar gaat het om toevoegingen op en veranderingen van bestaande verdragen.

De grondwet bestond uit drie delen. Deel I, waarin de waarden en doelen van de Europese Unie werden bepaald en de bevoegdheid van de verschillende organen werd vastgelegd, is helemaal terug te vinden in de nieuwe tekst. Zo vinden we daar weer de vaste voorzitter (gekozen voor tweeënhalf jaar met de mogelijkheid van één herverkiezing), het verminderen van het aantal Eurocommissarissen zodat niet ieder land meer een ‘eigen’ commissaris heeft, de aanstelling van een verantwoordelijke voor buitenlands beleid, de beperkte toename van terreinen waarop het Europees Parlement bevoegd is, enzovoorts.

De belangrijkste verandering is de terminologie. De verantwoordelijke voor het buitenlands beleid heet niet meer ‘minister van Buitenlandse Zaken’ maar ‘hoge vertegenwoordiger’, er wordt niet meer gesproken van ‘Europese wetten’ maar van ‘verordeningen’ en de Europese symbolen zoals de vlag en de hymne worden niet meer genoemd (maar blijven wel gewoon bestaan).

Deel II van de grondwet bevatte het ‘Handvest voor de grondrechten’. Hier is geen letter aan veranderd. Het enige verschil is dat het nu niet meer een integraal onderdeel van het verdrag is maar dat er in het verdrag naar wordt verwezen. Aan de juridische status doet dat niets af.

Ook Deel III van de grondwet, over de politiek en het functioneren van de Unie, is geheel in het nieuwe verdrag terug te vinden, evenals Deel IV dat de mogelijke lidmaatschappen en terugtrekkingen van de lidstaten regelt.

De hoofdauteur van de grondwet, de voorzitter van de Conventie die haar opstelde, Giscard d’Estaing, vatte het zo samen: “De inhoud blijft nagenoeg hetzelfde, ze is slechts een beetje anders gepresenteerd” en, zo ging hij verder: “De rede hiervan is dat de nieuwe tekst niet teveel op het grondwettelijke verdrag moest lijken. De Europese regeringen zijn tot overeenstemming gekomen over deze oppervlakkige veranderingen aan de grondwet, opdat deze makkelijker door het volk geslikt zou worden.”

Schijnveranderingen

Al dat plak- en knipwerk was noodzakelijk door het Franse en Nederlandse nee tegen de grondwet. Daarom was het van belang dat de Franse en Nederlandse regering iets mee naar huis zouden kunnen nemen dat ze aan het thuisfront als een inhoudelijke overwinning konden verkopen, hoe klein en beperkt dan ook.

De Franse president Sarkozy had in zijn verkiezingscampagne gezegd dat hij voorstander was van een minigrondwet en dat daarover geen nieuw referendum nodig was. Er valt over te discussiëren of het nieuwe verdrag wel of niet als een grondwet aangeduid kan worden, maar in omvang is het niets minder dan de grondwet, dus de term mini is zeker niet van toepassing.  Het neoliberale karakter van de grondwet was een belangrijk punt in de Franse neecampagne. Om Sarkozy toch iets te gunnen werd door de 27 regeringsleiders een amendement aangenomen waarin de “vrije en onvervalste concurrentie” uit de doelstelling van de Unie verdween. ‘Sarkozy heeft de neoliberale kern eruit gehaald’, was vervolgens de boodschap die in Frankrijk werd uitgedragen. Maar wie het nieuwe verdrag leest ziet in protocol 6 (dat precies dezelfde juridische status heeft als de rest van het verdrag): “De markt binnen de grenzen, zoals bepaald in artikel 3 van het verdrag voor de Europese Unie, bevat een systeem dat een onvervalste concurrentie garandeert.” Er is dus niks verdwenen, het heeft gewoon een andere plaats en iets andere formulering gekregen.

De oranje kaart

De Nederlandse regering interpreteert het Nederlandse nee als een stem tegen te veel Europese macht. Daarom kwam zij terug van de onderhandelingen over het nieuwe verdrag  met het verhaal dat met het nieuwe verdrag een rem werd gezet op de Europese bemoeizucht. De nationale parlementen zouden nu een rode kaart kunnen trekken.

In de grondwet was al een procedure opgenomen die de ‘gele kaart’ werd genoemd. Die hield in dat als een derde van de nationale parlementen binnen een bepaalde periode de Commissie zou melden dat zij van mening waren dat een bepaald voorstel niet onder de competentie van Europa valt, de Commissie dit zou moeten heroverwegen.

De rode kaart waarmee de Nederlandse regering thuis kwam behelst dat aan de term heroverwegen ‘of intrekken’ is toegevoegd. Dat wil zeggen: de commissie kan een voorstel intrekken, maar hoeft dat niet. Na een discussie hierover op zijn weblog[1] moest staatsecretaris Timmermans al snel erkennen dat er niet van een ‘rode’ maar hooguit van een ‘oranje’ kaart sprake is. Daar komt bij dat het aantal parlementen dat nodig is voor een dergelijke procedure nu opgetrokken is van een derde tot de helft van alle nationale parlementen. Dus of we hier nu van een half ei of een lege dop moeten spreken?

Geen referenda

De belangrijkste reden om de grondwet te herschrijven en herschikken was dat nieuwe referenda voorkomen moesten worden. Bij de Nederlandse parlementsverkiezingen in november 2006 haalden de partijen die zich in de verkiezingscampagne hadden uitgesproken voor een nieuw referendum een meerderheid in de Tweede Kamer. De PvdA was een van die partijen. Zij schreef in haar verkiezingsprogramma: “Voor een nieuw (grondwettelijk) verdrag is een nieuw referendum nodig.” Maar nadat de PvdA tot de regering was toegetreden, liet ze  dit punt vallen. Ze zegt nu: omdat er niet van een grondwet sprake is, hoeft er ook geen referendum te komen. Met deze opstelling van de PvdA is er geen meerderheid meer in de Kamer voor een referendum en wordt de kiezer buitenspel gezet.

Wat voor Europa?

Wat is nu het Europa dat ons met dit verdrag wordt geboden? Het is en blijft een neoliberaal Europa waar de onbelemmerde marktwerking centraal staat. Het is en blijft een militaristisch Europa dat haar lidstaten verplicht hun militaire inspanningen te vergroten. Het is en blijft een Europa dat de band met de NAVO vastlegt. (Ondanks het feit dat een aantal van haar leden geen NAVO-lid is.) Het is en blijft een ondemocratisch Europa waar de wetgevende, de uitvoerende en rechtsprekende macht niet gescheiden zijn. Het is en blijft een Europa van de regeringen waar de invloed van de burgers minimaal is. Het is en blijft een Europa met als doelstelling van het landbouwbeleid het verhogen van de productiviteit, waarbij noch het behoud van de werkgelegenheid in de landbouw noch de bescherming van het milieu wordt genoemd.

Het enige door de burgers rechtstreeks gekozen orgaan – het Europees Parlement – heeft over hele delen van de Europese politiek niets te zeggen en heeft niet het laatste woord over de Europese begroting. Het kan slechts met een tweederde meerderheid de uitvoerende macht (de Commissie) naar huis sturen en kan geen individuele commissarissen wegsturen. De Europese Raad is en blijft het enige orgaan dat over alle Europese wetten (pardon: regelingen) zeggingsmacht heeft.

Ook dít Europese verdrag is zonder enige inspraak van de bevolking in geheime onderhandelingen tot stand gekomen. Er is bewust voor gekozen om de bevolking er buiten te houden en zo veel mogelijk referenda te voorkomen. Zo democratisch is dit Europa.

Wat zij ervan zeggen

“We hebben een hond, maar niemand wil het nog een hond noemen. Dus snijden we de staart eraf, naaien het beest een paar andere oren aan en trekken zijn muil verder open. En als iemand zegt dat het beest nog blaft, zeggen we dat het niet waar is.” – De toenmalige Belgische premier Guy Verhofstad over de pogingen om het nieuwe EU-verdrag geen “Grondwet” meer te noemen.

Valéry Giscard d’Estaing: “Ofschoon de Britten, de Fransen en de Nederlanders er op aangedrongen hebben om alle verwijzingen naar het woord grondwet te vermijden, bevat het nieuwe verdrag alle sleutelelementen van de grondwet.”

José Luis Zapatero, premier van Spanje: “Wij hebben geen enkel belangrijk punt van de Grondwet laten vallen. (….) Dit is zonder twijfel meer dan een gewoon verdrag. Het is een project met het karakter van een oprichting, een verdrag voor een nieuw Europa.”

Angela Merkel, bondskanselier van Duitsland: “De inhoud van de grondwet is gehandhaafd, dat is een feit.”

Karel De Gucht, toenmalig Belgisch minister van Buitenlandse Zaken: “Het doel van het grondwettelijk verdrag was om leesbaarder te zijn. (…) Het doel van dit verdrag is om onleesbaar te zijn. (….) De grondwet bedoelde duidelijk te zijn, dit verdrag bedoelt onduidelijk te zijn. Dat is een succes.”

Margot Wallström, Eurocommissaris: “Het is in essentie hetzelfde voorstel als de oude grondwet.”

Anders Fogh Rasmussen, minister-president van Denemarken: “Het goede is dat alle symbolische elementen weg zijn en dat wat er werkelijk toe doet, de kern is gebleven.”

Vaclav Klaus, president van Tsjechië: “Er zijn alleen maar cosmetische veranderingen aangebracht, de basistekst is hetzelfde.”

Miguel Ángel Moratinos, minister van Buitenlandse Zaken van Spanje: “Ik geloof dat 98 procent van de inhoud van het grondwettelijk verdrag in het nieuwe verdrag staat. De verpakking is veranderd, maar niet de inhoud. “

Louis Michel, Eurocommissaris: “Het nieuwe verdrag behoudt dat wat essentieel was in de grondwet.”

Giuliano Amato, voormalig Italiaans minister-president: “Kijk, het is absoluut onleesbaar, een typisch Brussels verdrag, niets nieuws, niets voor een referendum.”


[1] http://www.nederlandineuropa.nl/weblog_item/799?n=all&PHPSESSID=76c30ae103e4f6597e48f5fa80b144f6#reacties

Reacties plaatsen niet mogelijk