Facebook

Vredesprijs voor een nobele Unie?

16 oktober 2012

 

door Herman Michiel, 16 oktober 2012

De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Europese Unie werd op daverend applaus onthaald… door de kleine elite die het gewoon is in naam van “Europa” te spreken. Zo jubelde Europees “president” Van Rompuy over zijn EU: the biggest peacemaking institution ever created in world history. Dat een Noorse elite een Europese elite ter hulp snelt in moeilijke tijden is misschien nog het minst verbazende; was het trouwens niet hetzelfde Nobelcomité dat in 1973 haar vredesprijs toekende aan Henry Kissinger, medeplichtig aan de moord op honderdduizenden onschuldigen in Indochina? Als logica en consequentie geen punt meer zijn, hoeft het ook niet te verbazen dat de grote Europese voorvechter Verhofstadt in de prijs een aansporing zag om voort te maken met de oprichting van een Europees leger. En dat lidstaten België, Nederland, Duitsland  en Italië van 15 tot 26 oktober in NAVO-verband deelnemen aan oefeningen voor het inzetten van kernwapens (oefening Steadfast Noon) is ook al maar een kleine inconsequentie meer.

Vredesactivisten Ludo De Brabander en Georges Spriet hebben in een Opinie gewezen op nog veel meer inconsequenties tussen het huidig beleid van de Europese Unie en het nu toegekende aureool van vredesduif. We willen hier nog een andere vraag stellen: was afschuw voor oorlog werkelijk een belangrijke beweegreden waarom een aantal regeringen, staatsmannen en diplomaten in het decennium na de Tweede Wereldoorlog de aanzet gaven tot het Europees project?

Ik wil niet uit de losse pols een vraag beantwoorden die een grondig  historisch onderzoek zou vereisen; de Europese lobby maakt al teveel gebruik van pseudo-historische argumenten. (Men kan zich wel afvragen aan hoeveel faculteiten en instituten nog werkelijk objectief wetenschappelijk onderzoek kan verricht worden naar Europese politiek en geschiedenis, zo doordrenkt zijn de “Europese studies” van propaganda en ideologische verblinding.) Maar een aantal historische feiten moeten op zijn minst vragen doen rijzen rond “Europa als vredesproject “.

8 mei 1945

Op 8 mei wordt in veel landen het einde van de Tweede Wereldoorlog herdacht. In Algerije echter roept diezelfde achtste mei ’45 andere herinneringen op, die van Le massacre du Sétif. Het Franse koloniale bewind doet een vreedzame betoging voor onafhankelijkheid eindigen in een bloedbad. Vielen hierbij “slechts” enkele honderden doden (aan beide zijden), de represailles die het Franse leger inzette de volgende dagen kostten duizenden Algerijnen het leven. Dat was echter slechts het begin van een oorlog die nog tot 1962 zou duren en nog honderdduizenden Algerijnse doden zou eisen. Hoeveel honderdduizenden is niet zo duidelijk, zoals zo vaak als de kogels uit “onze “geweren komen.

8 mei 1954

De laatste Franse troepen zijn verdwenen  uit Dien Bien Phu, de Vietminh kan deze stad in het noorden van Vietnam van de bezetters bevrijden. Het is echter niet het eind van de oorlog, want de Amerikanen zullen de “fakkel” overnemen van de Fransen die er sinds 1946, onder de socialistische president Auriol, probeerden een koloniaal regime in stand te houden.

Het eind van de Franse aanwezigheid in Indochina had dus blijkbaar niet zozeer te maken met een hartstochtelijke vredeswens ontstaan na twee wereldoorlogen, maar met een militair debacle na een koloniale oorlog tegen een “inferieure “vijand…

De ‘Suezcrisis’ 1956

Nasser nationaliseerde het Suezkanaal  op 26 juli 1956 (en bood de Franse en Engelse aandeelhouders zelfs schadeloosstelling aan; deze nationalisatie kwam er kort nadat het Westen de toegezegde leningen voor Nassers Assouan-dam had ingetrokken). De regeringen in Londen en Parijs zijn ziedend en dreigen openlijk met militair optreden als Nasser het “gestolen goed” niet teruggeeft. Washington laat echter weten niet gediend te zijn met zulke niet door haar gecontroleerde operaties.  De Franse regering (onder socialistisch premier Mollet en met de socialistische minister van Buitenlandse Zaken Christian Pineau)  bekokstooft een plan met de Britse regering (onder de Conservative Anthony Eden): ze vragen in het geheim aan Israel om Egypte aan te vallen; Parijs en Londen zullen daarop tussenkomen om de vrede te herstellen [i]. Israel valt Egypte binnen op 29 oktober, een paar dagen later komen de Franse en Britse vredestichters ook hun deel van de afspraak na  …
1956 dus, we zijn nu al 11 jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog, de Europese eenmaking heeft al de eerste fase, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, achter de rug, de onderhandelingen rond het toekomstig Verdrag van Rome zijn volop aan de gang, maar van een obsessieve vredeswens bij een aantal eersterangsspelers is toch nog niet (of niet meer?) veel te merken.

De Suez-affaire kan als een waterscheiding beschouwd worden voor de betrekkingen van het Verenigd Koninkrijk met het continent. Na het Amerikaanse No op het Frans-Britse avontuur in Egypte koos Londen definitief en tot vandaag voor de band met Washington, ook al is daar sinds  1973 een formeel  lidmaatschap van de Europese constructie op gevolgd.

25 november 1957: Parijs, Rome en Bonn tekenen een geheim protocol over conventionele en nucleaire bewapening

Het einde van de militaire verstandhouding Londen-Parijs is echter het begin van een Franse poging om een grotendeels geheime  samenwerking op te zetten met Duitsland en Italië, tussen de drie landen dus die naast de Benelux het prille Europese project gaan belichamen. Nog vóór de Europese stichtingsacte (akkoorden van Rome, 25 maart 1957) werd getekend, tekenden de defensieministers van  Mollet en Adenauer,  Bourgès-Maunoury  en  Franz Josef Strauss  het geheim akkoord van Colomb-Béchar (stad in Algerije, nabij de toenmalige Franse militaire testzone in de Sahara). De tekst bleef onbekend tot 1993; pas sinds dan weten we, dankzij het werk van de Franse historicus Georges-Henri Soutou [ii], dat er sprake was van het opzetten van een nauwe samenwerking, onder andere  op het gebied van “nieuwe wapens”. Nog explicieter was het akkoord van 25 november 1957, waarbij nu ook de Italiaanse minister van defensie Taviani betrokken was. Hierin werd door de drie partijen een “prioritaire samenwerking” beoogd op het gebied van vliegtuigen, raketten en “militaire toepassingen van kernenergie”. Op vraag van Strauss was een eerdere formulering “nucleaire explosieven” geschrapt, om een uitweg over te houden als het akkoord toch zou uitlekken; met de akkoorden van Parijs van 1954-55 was Duitsland immers  lid geworden van de NAVO, met de bepaling dat het geen Atoom-, Biologische of Chemische (ABC-) wapens mocht ontwikkelen.

Het was ironisch genoeg de machtsgreep van een generaal (de Gaulle) die een eind maakte aan deze “militaire Europese integratie avant la lettre”…

Wat in deze historie sterk opvalt, is dat toen reeds, bij het prille begin van het Europees project, uiterst belangrijke beslissingen genomen werden door  geheime afspraken tussen regeringen. De ondemocratische kanker zat blijkbaar reeds in de boorling. Nu er geen 6 maar 27 lidstaten zijn, nu ook het muntbeleid Europees is geworden, nu het handelsbeleid in de handen van de Commissie ligt en door geen enkele democratisch verkozen instantie meer gecontroleerd wordt, nu de EU zich zelfs rechtstreeks met lonen, pensioenen, openbare diensten en stakingsrecht inlaat, is die congenitale kanker uitgegroeid tot een gezwel waardoor het Europees gezicht nog nauwelijks is aan te zien.

Het Europees vredesproject

Het meest ideologisch geladen en minst geloofwaardige argument van de EU-propaganda is dat het Europees project zou ontstaan zijn uit een ‘oorlogswalg’ van Franse, Duitse en andere Europese politici.  De aangestipte fragmentjes uit de geschiedenis van de jaren ’50 zijn zeer moeilijk samen te rijmen met zulke bewering. De aangehaalde feiten speelden zich immers af onder dezelfde regeringen die de “integratie” in gang zetten. Dat sluit natuurlijk niet uit dat er wel degelijk politieke figuren waren die in een Europese eenmaking de sleutel zagen voor vrede op het continent. Het federalistisch Ventotene Manifest [iii] (1941) van Altiero Spinelli is daar een duidelijke uiting van, maar het is eveneens een bewijs dat de reëel bestaande integratie langs heel andere wegen is verlopen.

Een minder bevlogen argument is dat de zestigjarige vrede te danken is aan het feit dat economische belangen in een moderne economie cruciaal afhangen van intense handelsbetrekkingen met andere landen, wat alleen kan mits er permanent vrede heerst. Vrede is dan een soort bijproduct van de commercie, zoals welvaart voor Adam Smith een bijproduct was van het individueel egoïsme. Laten we aannemen dat het vrede-door-commercie-argument een zekere realiteit dekt, hoe sterk pleit het dan voor de reëel bestaande Europese constructie, de EU? Zou er daarzonder misschien geen of weinig handel  geweest zijn in Europa? Zijn de niet-EU landen Zwitserland of Noorwegen een gevaar voor de vrede, of lopen ze gevaar aangevallen te worden? Waarom zijn er nauwelijks oorlogen tussen Latijns-Amerikaanse staten geweest, terwijl er geen vergelijkbare “integratie” heeft plaatsgehad? Karl Polanyi spreekt in zijn bekende werk De Grote Transformatie (1944) trouwens over de honderdjarige vrede van 1815 tot 1914, waar – buiten de Krimoorlog –  er slechts 18 maanden oorlog was tussen de grote Europese mogendheden Engeland, Frankrijk, Pruisen, Oostenrijk, Italië en Rusland, tegenover 60 à 70 jaar gemiddeld voor elk van die landen in de twee eeuwen ervoor. En dat in een negentiende eeuw van revoluties, statenvorming en beginnende economische concurrentie, in afwezigheid van welke “Europese integratie” dan ook…

Wat men toeschrijft aan de magische kwaliteiten van de Europese integratie is veel meer het gevolg van globale evoluties van het kapitalistisch wereldsysteem. Inter-imperialistische oorlogen of koloniale rijken zijn geen vereisten meer voor de winststrategie van de grote bedrijven, de economische uitbuiting heeft heel wat ‘cleanere’ wegen gevonden om haar doel te bereiken. Militaire middelen zijn niet verdwenen, maar  worden ingezet waar er zand  zit in de grote winstmachine, waar strategische belangen op het spel staan. De roep om een “Europees leger” moet ook in dat verband worden gezien.

Onschuldige propaganda?

Men zou de EU-propaganda kunnen afdoen als ideologisch gekleurd, maar voor de rest vrij onschuldig. Stelt elke politicus zijn verdiensten niet wat mooier voor dan ze werkelijk zijn? Zo onschuldig is het echter niet. De keuze: dit Europa of de chaos, lijkt het toch nog steeds bij velen te doen, zelfs nu de EU effectief  chaos zaait in landen als Griekenland of Portugal. Dit Europa heeft er effectief voor gezorgd dat nationalistische, xenofobe en zelfs neo-nazistische tendensen versterkt worden.

Vanuit een vredesperspectief is er ook niets gevaarlijker dan een grote concentratie van macht bij een ongecontroleerde en oncontroleerbare elite. Dat is net wat zich aan het voordoen is in de EU. Men stelt vast dat deze elite zich van dag tot dag minder gehinderd voelt door democratische overwegingen. Het kan de Europese volkeren duur komen te staan in hun sociale en politieke rechten;  het kan echter ook niet-Europese volkeren duur komen te staan in hun bestaansrechten. Als het nu gaat om verdrinkende asielzoekers, Grieken verstoken van geneesmiddelen  of om de basisbehoeften van de armen in de Derde Wereld, nooit wordt de EU-elite gehinderd door een teveel aan humanitaire overwegingen.

Zo bekeken hebben de Noorse wijzen de vrede een zeer slechte dienst bewezen.


[i] Wie moeite heeft dit te geloven kan er betrouwbare bronnen op naslaan zoals André Fontaine, Histoire de la guerre froide (deel 2), Editions du Seuil, 1983, of het schitterende The Arabs: a history, 2009, van de Oxford-historicus Eugen Rogan (vertaald in het Nederlands, De Arabieren, verschenen bij De Bezige Bij in 2011).

[ii] Le Monde, 28 oktober 1996. Soutou’s artikel kan nu integraal gedownloaded worden: Soutou Georges-Henri. Les accords de 1957 et 1958 : vers une communauté stratégique nucléaire entre la France, l’Allemagne et l’Italie?. In: Matériaux pour l’histoire de notre temps. 1993, N. 31. pp. 1-12.
http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/mat_0769-3206_1993_num_31_1_404096

[iii] Bart Kerremans, Nooit meer oorlog? Europa en conflictpreventie (p. 50-59),  Davidsfonds/Leuven – Pax Christi/Vlaanderen, 2001

Reacties plaatsen niet mogelijk