Facebook

Waar zit de linkerzijde in het Europees Parlement?

19 juli 2011

door Herman Michiel,  juli 2011

Nog één zo’n overwinning en ik ben verloren”, zou de Griekse veldheer Pyrrus gezegd hebben toen hij een veldslag tegen de Romeinen weliswaar won, maar ten koste van het gros van zijn troepen. Sindsdien spreken we van een  pyrrusoverwinning: een overwinning die in feite een nederlaag is. Voor het omgekeerde verschijnsel is mij geen uitdrukking bekend, maar daar zal misschien verandering in komen. De lamentabele mislukking van de Europese Muntunie dreigt steeds meer uit te draaien op een formidabele overwinning van haar neoliberale protagonisten op de syndicale beweging en de arbeidersklasse in het algemeen. Het euro-debacle wordt op termijn een zege voor het kapitaal. Wat niet kon onder klaar daglicht, lijkt nu te lukken achter de stofwolken die opstijgen uit de ruïnes van banken, beurzen en nationale economieën: het sociaal-economisch beleid in heel Europa onder de curatele plaatsen van ‘experten’, het beetje resterende democratie vervangen door een dictatuur van een onverkozen neoliberale bureaucratie met verregaande bevoegdheden.

Troepen, veldslag, overwinning, nederlaag…  het lijkt wel oorlogsterminologie, en dat is niet helemaal onterecht. Rechts Europa heeft de oorlog verklaard aan de gewone arbeider, bediende, ambtenaar, werkloze, gepensioneerde: zij moeten het gelag betalen van het neoliberale bacchanaal van de voorbije jaren. In Griekenland, Ierland, Portugal of Spanje weet de bevolking maar al te best wat deze rechtse oorlogsverklaring betekent: hun regeringen zijn er volop mee bezig, en bij de bevolking zelf is het – zeker in Griekenland en Spanje – tot massaal verzet gekomen.  Maar in de rest van Europa is Commissievoorzitter Barroso’s uitdrukking ‘stille revolutie’ meer van toepassing dan die van ‘oorlog’: rechts Europa verovert de ene positie na de andere, maar gecamoufleerd achter termen als ‘reddingsoperatie’, ‘gezondmaking’, ‘Europese solidariteit’. Als Europese politiek in het algemeen al een weinig transparante aangelegenheid is, is deze stille revolutie zich zo goed als onzichtbaar aan het voltrekken. In die omstandigheden zijn ook de politieke verantwoordelijkheden grotendeels aan het oog onttrokken. Daarover willen we het hier verder hebben; maar het is nuttig eerst nog eens te overlopen wat er in de Europese Muntunie fout ging, en wat die ‘silent revolution’ eigenlijk inhoudt.

Een muntunie zonder ‘economisch bestuur’ ?

De term ‘economisch bestuur’ (‘economic governance’) heeft een onduidelijke omschrijving, maar betekent in de Europese context het geheel van maatregelen op het vlak van de economische coördinatie tussen de lidstaten. Dergelijke coördinatie moest er komen met het oog op de invoering van een gemeenschappelijke munt. Gewoonlijk is een munt verbonden met een staat, die een bepaalde muntpolitiek voert, om zo de nationale economie te sturen. Zo bepaalt de intrestvoet van de nationale bank of geld lenen aangemoedigd dan wel afgeremd wordt; via de wisselkoers kan invloed uitgeoefend worden op in- en uitvoer. In een muntunie kan er maar één rentevoet, één wisselkoers, één monetaire politiek gehanteerd worden voor verschillende nationale economieën, met uiteenlopende karakteristieken en conjuncturen.

Nu is ook een nationale economie niet homogeen; er zijn altijd regio’s met sterkere economische ontwikkeling dan andere, en “transfers” via de  overheid zijn de regel. Een sprekend voorbeeld is Duitsland. Door de hereniging 20 jaar geleden, kwam er de facto een muntunie tot stand tussen Oost en West, twee regio’s met zéér uiteenlopende karakteristieken. Deze “muntunie” was niet mogelijk zonder “transferunie”, en inderdaad, jaarlijks vloeien ca. 100 miljard euro van West naar Oost (en toch blijven de loonverschillen aanzienlijk).

Honderd miljard euro: dat is bijna het hele budget van de Europese Unie (126 miljard in 2011). Dat op zich wijst er al op dat de Europese Muntunie een problematische constructie is: zowel de wil als het budget ontbreekt om te doen wat in elke muntunie gebeurt. Op dit aangeboren gebrek van de Europese Muntunie (EMU) hebben heel wat economisten van meet af aan gewezen, en zeker niet alleen vanuit linkse hoek. Zo voorspelde de Leuvense liberale professor Paul De Grauwe sinds jaren de onleefbaarheid van de EMU. Toch dachten de voortrekkers van de Europese marktintegratie de monetaire kwadratuur van de cirkel gerealiseerd te hebben. Geen transfers, geen onderlinge steun tussen de lidstaten (verboden volgens artikel 125 van het Verdrag van Lissabon), zelfs geen andere rol voor de Europese Centrale Bank dan het waken over de (door speculanten en financiers zo gehate) inflatie; als er onevenwichten zijn, dan zullen die zich door de vrije en onvervalste concurrentie tussen de nationale economieën uitvlakken. En om regeringen niet in de verleiding te laten komen schulden te maken met een munt die van iedereen is, werd in 1997 het Stabiliteits- en Groeipact gesloten: begrotingstekorten moeten onder de 3 % van het Bruto Binnenlands Product (BBP) blijven, overheidsschulden onder de 60%. Ziedaar het recept voor een muntunie van de eenentwintigste eeuw!

Het ging met deze muntunie zoals met een paraplu met gaten: geen probleem zolang het niet regent. Maar in 2007 begon het in de Verenigde Staten heel sterk te regenen, de rommelhypotheken en giftige bankproducten vielen uit de hemel, sleurden mastodonten als Lehman Brothers en General Motors mee. Aanvankelijk sloegen de euro-architecten zich op de borst (Guy Verhofstadt, voorzitter van de Europese liberalen in 2009: Wat zouden wij de voorbije maanden geweest zijn zonder de euro? Zonder de euro zouden zonder enige twijfel een heel aantal lidstaten in moeilijkheden gekomen zijn…)  maar  ook in Europa bleek het financiële systeem vergiftigd te zijn door de neoliberale recepten. Het bleef niet bij de banken: lidstaten zelf werden ontwricht, enerzijds door de pogingen “hun” banken te redden, anderzijds door de fragiliteit van een systeem waar overheidsinkomsten (belastingen) jarenlang geminimaliseerd werden om de privéwinsten te maximaliseren. Zo belandde Ierland, het wonderproduct van het Europees neoliberalisme, bijna van de ene dag op de andere in het slijk. Ierland, Griekenland, Portugal, (Spanje, Italië, België … ?) de ene domino wankelt na de andere, de ene bevolking na de andere bekoopt de hybris van zijn elites met toekomstvooruitzichten in mineur.

Dus toch maar een economisch bestuur…

Zelfs voor deze elites werd het duidelijk dat het zo niet verder kon met de EMU. Plots had iedereen het altijd al gezegd: een monetaire politiek kan niet zonder economische politiek, een muntunie niet zonder economisch bestuur. Op 10 maart 2010 roepen de leiders van de drie grootste politieke fracties in het Europees parlement, Guy Verhofstadt voor de liberalen, Joseph Daul voor de Europese Volkspartij (EVP, vooral christen-democraten) en Martin Schulz voor de sociaal-democraten, zelfs samen de Europese Commissie op om een sterkere economic governance in te stellen, inclusief met sancties.

En zo geschiedde. Europees ‘president’ Herman Van Rompuy kreeg de opdracht om met een werkgroep (‘taskforce’, vooral ministers van financiën) voorstellen uit te werken,  voortgaand op wat de Europese Commissie reeds had geopperd. Tegen het najaar 2010 lagen drie voorstellen op tafel:

  • De verstrenging van het Stabiliteits- en Groeipact;
  • De instelling van een ‘Europees Semester’, waarbij de lidstaten jaarlijks hun begrotingsvoorstellen eerst moeten laten goedkeuren door de Commissie alvorens de nationale parlementen er zich over buigen; ze moeten ook ieder jaar in april een ‘nationaal hervormingsplan’ indienen dat rekening houdt met aanbevelingen die de Commissie in januari formuleert (de zgn. Jaarlijkse Groeianalyse). Dit Europees Semester werd door de ministerraad in september 2010 goedgekeurd, en is reeds in voege.
  • de invoering van een macro-economisch toezicht op de nationale economieën, om ‘onevenwichten’ preventief op te sporen en lidstaten eventueel te verplichten – op straffe van zware financiële sancties – hervormingen door te voeren. Onder onevenwicht moet men alles verstaan wat het concurrentievermogen kan hinderen; de loonvorming speelt hierbij een eersterangsrol (collectief loonoverleg, indexering, ambtenarenwedden…)

Zoals altijd het geval is met Europese reglementeringen, is ook hier onduidelijkheid troef; de verschillende initiatieven doorkruisen elkaar, de ene keer beslist de Raad, een andere keer Raad en Parlement, het macro-economisch toezicht zal blijkbaar uitgeoefend worden zowel door de administratie van de Europese Commissie (directoraat-generaal economie en financiën) als door een pas opgerichte (en door de Europese Centrale Bank gedomineerde) ‘European Systemic Risk Board’. Bovendien werd onder Frans-Duitse druk in maart van dit jaar onder 23 van de 27 lidstaten een ‘Pact voor de Euro’ gesloten dat in feite een copie is van de reeds opgesomde initiatieven (en waarschijnlijk meer voor binnenlands gebruik bedoeld was ten behoeve van de met populariteitsproblemen kampende Angela Merkel en Nicolas Sarkozy).

Om al deze plannen kracht bij te zetten, werden een aantal bepalingen in wetteksten (verordeningen) gegoten. Het gaat over een pakket van zes teksten, daarom soms ‘sixpack’ (1) genoemd. Vier ervan vereisen de goedkeuring van de Raad van ministers en van het Europees Parlement (‘medebeslissingsprocedure’), bij twee andere wordt het parlement alleen geraadpleegd. Het is rond de goedkeuring van dit sixpack dat de voorbije weken wat zenuwachtigheid ontstaan is in de Europese cenakels. Op 23 juni keurde het parlement het pakket weliswaar goed, maar zonder voorafgaand akkoord met de Raad over de precieze amendementen. Ook tegen  de volgende zitting van het parlement begin juli was er nog geen algeheel akkoord tussen Raad en parlement; het wordt nu waarschijnlijk september (2). Men moet echter niet de illusie hebben dat het zou gaan om een fundamenteel meningsverschil tussen  parlement en Raad, en men moet nog minder denken dat het parlement de tirannieke wetten probeert tegen te houden, integendeel. De parlementaire amendering strekt ertoe dat de rol van de Europese Commissie (EC) nog versterkt wordt, dat er méér en zwaardere sancties zijn en dat ze quasi automatisch worden toegepast (behalve als een gekwalificeerde meerderheid van de Raad er zich tegen verzet, de zogezegde ‘omgekeerde gekwalificeerde meerderheid’).

Beter een rechts dan helemaal geen economisch bestuur?

Uit wat voorafgaat zal voldoende duidelijk zijn dat de EU via een permanente soberheidspolitiek de bevolking wil doen opdraaien voor de mislukte casino-experimenten van haar elites. Maar is er momenteel een alternatief? Het beleid in alle lidstaten zelf is neoliberaal, rechts heeft de meerderheid in de Europese instellingen, een linkse strategie maakt momenteel toch geen kans ? En de zaken op hun beloop laten, banken en staten bankroet laten gaan is toch ook geen keuze, daar zouden opnieuw de bevolkingen het zwaarst onder lijden, want de elites redden toch steeds hun hachje? Is een rechts economisch bestuur in die omstandigheden niet het geringere kwaad?

Als ik dat ontken, zal men me misschien van vooringenomenheid verdenken. Ik laat daarom liever de liberale professor economie Paul De Grauwe aan het woord. In De Morgen van 12 februari 2011 becommentarieert hij het Competitiviteitspact (de eerste versie van wat het Pact voor de euro zou worden) als volgt:

(…) Ten tweede heeft de inhoud van het pact nauwelijks iets te maken met de problemen van de eurozone. Neem het voorstel om de pensioenleeftijd op te trekken naar 67 jaar. Ik ben voorstander van zo ’n maatregel, maar die staat los van de eurozone. Kortom: hadden we tien jaar geleden de pensioenleeftijd opgetrokken tot 67 jaar, dan nog zouden we de eurocrisis gekend hebben. Die crisis barstte los omdat in een aantal landen de zeepbel op de vastgoedmarkt en een boom in de consumptie massaal werden gefinancierd door de banken, waaronder veel Franse, Duitse en Noord-Europese financiële instellingen. Nationale overheden in de eurozone keken toe en keurden dat allemaal goed. Dat de Ieren, de Spanjaarden en de Duitsers tien jaar geleden op hun 67ste met pensioen waren gegaan, zou daar geen jota aan veranderd hebben.
Hetzelfde met de loonindexering. Je kunt daar voor of tegen zijn, maar dat er loonindexering is in België kan moeilijk als een van de oorzaken van de eurocrisis worden bestempeld. Het is dan ook lachwekkend om te betogendat de afschaffing van de loonindexering kan bijdragen tot de stabiliteit in de eurozone.
Het pact deugt dus niet, omdat de methode fout is, en omdat de inhoud ervan niks zal veranderen aan de problemen van de eurozone.

Zo hoort men het ook eens van een ander. Voor wie weinig vertrouwen stelt in het oordeel van een liberale prof, kan ook nog verwezen worden naar het oordeel van de financiële markten zelf. Die volgen elk Europees initiatief op de voet, ze kennen elk detail van een nationale soberheidspolitiek in detail. Maar ze zijn niet onder de indruk: niettegenstaande een draconisch soberheidsbeleid werd aan de Portugese schuld op 5 juli en aan de Ierse op 11 juli de junk-status toegekend. De haaien van de financiën weten maar al te best dat het schuldprobleem niet ligt bij de lidstaten, maar bij de EU zelf. We kunnen er ook nog op wijzen dat bij het uitbreken van de crisis, Spanje en Ierland van de weinigen waren die het Stabiliteitspact gerespecteerd hadden. En wat te denken van een lidstaat die – op het ogenblik dat hij te kampen heeft met financieel-economische problemen – een boete van honderden miljoenen euro moet betalen aan de EU?

Het door de EU geplande economisch bestuur is dus niet alleen asociaal en onrechtvaardig, het is bovendien ondoelmatig en economisch stupide. Of de Europese leiders een beperkt inzicht in de realiteit hebben door hun neoliberale beheptheid, dan wel in een crisissituatie een lang gekoesterde droom van totale controle over de arbeidskracht proberen te realiseren, in beide gevallen moeten hun plannen verworpen en bestreden worden. Stelt zich dan de vraag: op welke politieke krachten kan de arbeidersbeweging hierbij rekenen ?

Rechts tegen Links?

Men zou redelijkerwijze kunnen verwachten dat het geplande Europees economisch bestuur door rechtse politieke fracties omarmd, door linkse verafschuwd wordt. Men kan daar ook enige aanwijzingen voor vinden. Zo lanceerden een aantal prominenten van Europese sociaal-democratische en groene partijen op 6 juni 2011 een petitie onder de titel  ‘Change Europe’ .  Daarin is er sprake van het economisch bestuur als “een invraagstelling zonder weerga van de fundamentele waarden en principes van ons gemeenschappelijk streven:  solidariteit, sociale rechtvaardigheid, gelijkheid van kansen en duurzame ontwikkeling”. Onder de eerste ondertekenaars: Martin Schulz, fractieleider van de sociaal-democratische fractie in het EP,  Daniel Cohn-Bendit (vice-voorzitter van de Europese Groenen), Poul Nyrup Rasmussen (voorzitter van de PES, de Europese socialistische partij), Jacques Delors (Franse socialist, gewezen voorzitter van de Europese Commissie), SPD-leider Gabriel, de Belgen Elio Di Rupo (PS), Caroline Gennez (sp.a), Wouter Van Besien (Groen!), Phillippe Lamberts (Ecolo)…
Dezelfde Poul Nyrup Rasmussen verklaarde op 24 februari in naam van de Europese socialisten dat ze these terrible reforms zouden verwerpen als ze niet dramatisch konden veranderd worden, en zelfverzekerd: “We will not put our name to reforms that undermine workers rights and will have catastrophic consequences for the economy. “

Toch zijn niet alle commentaren uit het rood-groene kamp even afwijzend. Marije Cornelissen, europarlementslid voor het Nederlandse Groenlinks, bestempelde eind 2010 de oproep van FNV-voorzitter Agnes Jongerius om het Europees economische bestuur tegen te houden als “schadelijk voor de werknemersbelangen”; als de Europese Commissie een stok in handen krijgt waarmee ze de lidstaten om de oren kan slaan, is die stok nu “precies waar ook Nederlandse werknemers belang bij hebben”.

Iets meer politieke duidelijkheid kwam er op 19 april 2011. Toen werd in de commissie economie en financiën van het Europees Parlement gestemd over de zes wetsvoorstellen (sixpack) zoals ze in deze commissie geamendeerd waren. (Een plenaire stemming in het parlement wordt steeds voorbereid in dergelijke commissies, waarin de verschillende fracties vertegenwoordigd zijn. Een fractie stemt bij de beslissende plenaire zitting bijna altijd volgens het advies van haar vertegenwoordigers in de commissie.) Hier bleek dat de sociaal-democraten drie van de zes ontwerpen goedkeurden en zich bij één onthielden (de vertegenwoordigers van de Franse PS stemden tegen vijf  van de zes); de Groenen keurden er drie goed en drie af. De grote rechtse families (christendemocraten van EVP, liberalen van ALDE) keurden ze  natuurlijk over de hele lijn goed.  Alleen de vertegenwoordigers van Europees Unitair Links stemden over de hele lijn tegen.

Zeker, de voorstellen van de Europese Commissie werden op tal van punten geamendeerd, een aantal al te aanstootgevende voorstellen werd verworpen (zo het idee om de boetes die de weerbarstige  lidstaten moeten betalen, te verdelen onder de voorbeeldige), er werd gepoogd wat meer logica aan te brengen door bv. ook te grote exportoverschotten als een teken van onevenwicht te duiden. Maar doorgaans strekte de amendering ertoe om nog meer macht te geven aan de Europese Commissie, en de sancties zo automatisch mogelijk te maken (cfr. de reeds vermelde ‘omgekeerde gekwalificeerde meerderheidsstemming’). Van een “dramatische verandering” zoals geëist door PES-voorzitter Rasmussen was absoluut geen sprake.  In alle commentaren achteraf blijkt de grote frustratie  van groenen en sociaal-democraten, niet dat budgettaire en sociaal-economische politiek grotendeels aan de parlementaire democratie wordt onttrokken en toegeschoven wordt naar een onverkozen bureaucratie, maar dat “een meerderheid van conservatieven en liberalen niet bereid was hen te steunen in het verdedigen van investeringen, groei en jobs”. Met andere woorden, als de Europese Commissie (zoals een jaar of vijftien geleden) een paar miljard voorzien had voor “trans-Europese netwerken” of iets gelijkaardigs, waren de reforms niet langer terrible

Op 23 juni kwam dan de stemming in het parlement zelf, en zonder verrassing lag het stemresultaat in het verlengde van dat in de commissie op 19 april. Dat de verorderningen van het sixpack nog niet van toepassing zijn, komt – zoals reeds vermeld –  alleen omdat de Ministerraad nog niet op alle punten meegaat met het parlement. Of zoals Groenlinks het uitdrukt: “het Europarlement wil een economisch bestuur met tanden”, en vreest dat de Raad een paar tanden wil uittrekken.

Wat is dan aanvaardbaar voor Groenen en sociaal-democraten?

De kans is  groot dat deze “strijd” tussen Raad en parlement door veel (3) mensen verward wordt met een strijd tussen verschillende politieke projecten; als europarlementair ‘links’ dan nog eens uitpakt met de weigering van rechts om te investeren in jobs en groei, of beweert dat ze alleen die teksten goedkeurde die “dramatisch veranderd werden”, zullen eens te meer de politieke verantwoordelijkheden aan het oog van het publiek onttrokken blijven. Daarom analyseer ik in wat volgt één duidelijk geval: het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden.  Dit is één van de zes teksten van het sixpack, en wel de tekst die op de sterkste goedkeuring kon rekenen (551 voor, waaronder alle groene en sociaal-democratische afgevaardigden, 88 tegen, 29 onthoudingen (4)). De rapporteur ervan in de commissie (die toch een zekere invloed kan uitoefenen op het verloop van de werkzaamheden) was bovendien de Portugese sociaal-democrate Elisa Ferreira. Het gaat hier dus blijkbaar om een tekst die “dramatisch veranderd” werd. Wat staat er dan zo allemaal in?

De tekst begint met het schetsen van het algemeen denkkader, nl. de neoliberale principes waarop de EU drijft en zoals ze opgenomen zijn in het Verdrag van Lissabon:

“De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie (…) impliceert de naleving van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen [de conceptuele horizon van de Europese Centrale Bank, HM],   gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare betalingsbalans.”

Voorts moet er worden uitgegaan van de ‘EU-strategie voor groei en werkgelegenheid’ (referentie naar de grootsprakerige Lissabonstrategie, die van de EU tegen 2010 de “meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld” moest maken), van het reeds vermelde Europees Semester (keurslijf voor de begrotings- en arbeidsmarktpolitiek van de lidstaten) en van het Stabiliteits- en Groeipact. Het wordt al moeilijk binnen deze krijtlijnen een economisch bestuur op te zetten dat sociaal aanvaardbaar is.

Vervolgens gaat het over de instanties en de middelen voor het macro-economisch toezicht. Men laat er geen twijfel over bestaan dat het een toezicht-met-tanden moet zijn:

De Commissie moet in de procedure voor scherper toezicht een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, inspectiebezoeken, aanbevelingen en waarschuwingen.

Er is verder sprake van een ‘indicatief en transparant scorebord dat onder meer voorziet in indicatieve drempelwaarden’ etc. Onder dit technocratisch jargon kan echter een heel politiek programma verborgen zitten. Zo is uit tal van documenten duidelijk dat de ‘unit labor cost’ (loonkost per geproduceerd item) een eersterangsrol zal spelen in het ‘scorebord’; en loonkost wordt medebepaald door collectieve arbeidsovereenkomsten, indexeringsmechanismes enz. In feite speelt alles een rol in het concurrentievermogen: sociale zekerheidsbijdragen, pensioenregelingen, belastingen, werkloosheidsreglementeringen, arbeidsreglementen… Noteer dat de parameters voor het scorebord niet vastliggen, de Europese Commissie (EC) kan ze aanpassen zoals gewenst (alleen beperkt door de specificatie: “De keuze van de indicatoren en drempelwaarden draagt bij tot het bevorderen van het concurrentievermogen in de EU”, maar daar zal de EC wel geen probleem mee hebben.)

Het is zonder meer onthutsend dat het Europees Parlement, Groenen en sociaal-democraten incluis,  de EC hierin absoluut vrij spel geeft: de Raad en het Parlement moeten alleen op de hoogte gesteld worden en aanmerkingen kunnen maken, bij wijzigingen moet de  EC de redenen toelichten… Ook elders in dit wetsontwerp krijgt een onverkozen technocratie vrijbrieven om te handelen naar eigen goeddunken. Zo wordt een  ‘macro-economische onevenwichtigheid’ gedefinieerd als een trend die een ongunstige invloed kan uitoefenen op de goede werking van de economie. Ik vermoed echter dat José Manuel Barroso of Neelie Kroes een andere opvatting hebben over de ‘goede werking van de economie’ dan de meeste werknemers of werklozen.

Nu zullen sociaal-democraten en Groenen opwerpen dat,  door hun toedoen, een hele reeks sociale bekommernissen in de tekst opgenomen zijn. Om er enkele te noemen:

  • de bevoegde commissie van het Europees Parlement kan een lidstaat die een ‘buitensporige onevenwichtigheid’ vertoont, uitnodigen voor een gesprek;
  • Art. 8, lid 1: ”Het plan met corrigerende maatregelen moet rekening houden met de economische en sociale gevolgen van deze beleidmaatregelen
  • Sociale partners en andere belanghebbenden moeten bij de dialoog betrokken worden

Men kan over het belang van dergelijke clausules nachtenlang debatteren, elk ziet erin wat hij wil. Er is echter één overweging die een eind maakt aan dergelijk debat. Sociaal-democraten en Groenen wezen indertijd bij hun verdediging van de Europese grondwet op een alles doordringende (‘horizontale’) sociale clausule, die elk verzet tegen de grondwet  de mond moest snoeren: artikel III-117, dat stelde:

“Bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.”

Dit artikel is integraal overgenomen in het Verdrag van Lissabon (art.  9 VWEU), het is dus volop van toepassing, maar het belet op geen enkele wijze de antisociale EU-politiek. Men moet geen doctoraat in de rechten of de politicologie hebben om te weten dat “rekening houden met” geen erg dwingend karakter heeft. We zouden kunnen zeggen: een sociale clausule zonder tanden. Hetzelfde geldt voor allerlei amendementen die de ‘linkse’ parlementairen aanbrachten in het voorstel van de EC. Zo de “symmetrie” in de vaststelling van onevenwichtigheden. Daarmee wordt bedoeld dat bv. niet alleen tekorten op de lopende rekening (meer invoer dan uitvoer) maar ook grote overschotten (sterke export, zoals Duitsland) als bron of uiting van onevenwicht zouden beschouwd worden. Duitsland is natuurlijk tegen dergelijke bepaling, maar als je de bewoording leest hoeft Merkel zich niet veel zorgen te maken: “De beoordeling van lidstaten met grote tekorten op de lopende rekening kan verschillen van die van lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen.”

Conclusies

  1. Als we zien hoe verwerpelijk de ‘beste’ van de zes teksten over economisch bestuur is, kunnen we ons voorstellen hoe het met andere gesteld is die door sociaal-democraten en/of Groenen verworpen werden!
  2. De amenderingen hebben van deze ‘terrible reforms’ geen aanvaardbare wetten gemaakt, toch niet voor wie uit arbeid zijn inkomen moet halen.
  3. Alhoewel het neoliberaal economisch bestuur ook zonder de steun  van sociaal-democraten en Groenen zou  goedgekeurd geweest zijn (gezien de numerieke verhoudingen in het Europees Parlement), betekent hun instemming dat de arbeidersbeweging door geen enkele politieke kracht – op de kleine fractie van Europees Verenigd Links na –  vertegenwoordigd wordt in de Europese instellingen. Dit zou het Europees Vakverbond ertoe moeten aanzetten zich te beraden over zijn strategie, die totnogtoe veel te veel rekende op lobbywerk naar de ‘linkse’ fracties toe. Het zou bv. ook de Belgische socialistische vakbond (ABVV) moeten ertoe brengen in verkiezingsperiodes niet langer bevoorrechte tribunes te bieden aan een partij die regelrecht tegen de werkersbelangen ingaat. Voor wat de christelijke vakbond (ACV) betreft is de politieke “verweesdheid” minstens even dramatisch.
  4. De sociaal-democratische en groene opstelling (5) rond het Europees economisch bestuur is een nieuwe uiting van hun programmatorische onmacht tegenover het neoliberalisme en de Europese invulling daarvan. Het kapitalisme davert op zijn grondvesten, de ondeugdelijkheid van de Europese vrije-marktrecepten wordt elke dag opnieuw bewezen, en toch zijn het de marktideologen van diverse pluimage die stappen vooruit zetten, niet de scociaal-democraten of groenen. Erger nog: in Spanje, Griekenland, Ierland en Portugal (tot in juni ll.) zijn het net sociaal-democraten die de sociale hakbijl hanteren.

 

We zijn begonnen in Griekenland, met Pyrrus; we eindigen in Spanje, met Don Quijote. Men doet meestal meewarig met deze legendarische strijder tegen een imaginaire vijand. Maar wat te denken van een zeer reële vijand, de neoliberale machtsgreep van de EU, waartegen blijkbaar alleen imaginaire strijders bestaan?

 

[Een ingekorte versie van dit artikel verscheen als opiniestuk in MO*-magazine.]

Noten:

(1)    Over de grote stilte waarin dit sixpack geboren werd, in tegenstelling tot de ruchtbaarheid die het Europact ten deel viel, zie ‘Waarvoor Merkels Concurrentiepact toch nog goed was’.

(2)    Zie Hoe zit het nu met de economic governance?


(3)    ‘Veel’ moet hier zeer relatief geïnterpreteerd worden. Over deze verregaande Europese ingrepen werd in de media nauwelijks bericht; het gaat nu eenmaal om een ‘silent revolution’ …

(4)    Het dient vermeld dat 12 van de 29 onthoudingen kwamen van de GUE, Europees Verenigd Links (de kleine europarlementaire fractie met o.a. de Nederlandse en Ierse SP, het  Duitse Die Linke, de Portugese Bloco Esquerda, diverse communistische afgevaardigden o.a. uit Frankrijk, Tsjechië en Griekenland.)

(5) Misschien kunt u zelf een woordje uitleg vragen aan de betrokken sociaal-democratische en groene europarlementsleden die zoveel heil verwachten van het scorebord van de Europese Commissie? Hier volgen de e-mail adressen:

Nederland, PvdA: thijs.berman@europarl.europa.eu, emine.bozkurt@europarl.europa.eu, judith.merkies@europarl.europa.eu

Nederland, GroenLinks: marije.cornelissen@europarl.europa.eu, bas.eickhout@europarl.europa.eu, judith.sargentini@europarl.europa.eu

België, sp.a: said.elkhadraoui@europarl.europa.eu,kathleen.vanbrempt@europarl.europa.eu

België, PS: frederic.daerden@europarl.europa.eu, veronique.dekeyser@europarl.europa.eu, marc.tarabella@europarl.europa.eu

België, Groen! bart.staes@europarl.europa.eu

België, Ecolo: isabelle.durant@europarl.europa.eu,  philippe.lamberts@europarl.europa.eu

Reacties plaatsen niet mogelijk