Facebook

Zelfs duizend Europese toppen zullen de eurocrisis niet stoppen

31 oktober 2011

door Willem Bos en Herman Michiel, 31 oktober 2011

Er is de voorbije weken heel wat afvergaderd door de Europese leiders, met als hoogtepunt de topontmoetingen van zondag 23 oktober en van woensdag 26 oktober die tot de vroege uren van donderdag 27 oktober duurde. In beide gevallen kwamen eerst de 27 staats- en regeringsleiders van de EU landen bijeen, daarna was de bijeenkomst beperkt tot de 17 leiders van de landen die deel uitmaken van de Eurozone.

Aan de gezichten was af te zien dat er weinig gelachen werd door de leiders. Sarkozy viel uit tegen de Britse eerste minister Cameron, terwijl die hem toch een artisanaal geweven babydekentje had gegeven voor de pasgeboren Giula. Het zijn voor iedereen moeilijke tijden, ook al zijn de problemen van de regeringsleiders van heel andere orde dan die van de kapot-bezuinigde Grieken, Spanjaarden, Ieren  en Portugezen. Bieden deze topontmoetingen een oplossing?

Het decor

Om daarop te kunnen antwoorden, bekijken we eerst nog eens de problemen. In 2007 barst de subprime-crisis los in de Verenigde Staten: lichtzinnig toegekende hypotheken – ter waarde van in totaal ongeveer 1000 miljard euro – kunnen niet terugbetaald worden en in de daaropvolgende jaren moeten miljoenen Amerikanen hun nieuwe woning verlaten. De Amerikaanse kredietverleners zitten met een probleem, maar niet alleen zij: de schuldpapieren zijn ‘getitriseerd’, dat wil zeggen omgezet in verhandelbare financiële effecten en op de internationale markt aangeboden als waardepapieren, met een aanlokkelijk rendement. Deze effecten waren door sommige kopers op hun beurt verwerkt in weer nieuwe financiële producten, die zo in de portefeuilles van banken en beleggingsfondsen wereldwijd terug te vinden zijn, ook in Europa natuurlijk. Dat is één.

Hierdoor uit hun speculatieve roes gewekt, beginnen beleggers ook hun andere papieren tegen het licht te houden; de honderdduizenden hypotheekleningen voortkomend uit de Ierse en Spaanse bouwwoede, of getitriseerde nakomelingen daarvan, moeten nu ook als ‘giftig’ beschouwd worden. Wie dacht een miljard in zijn portefeuille te hebben, weet niet meer goed of het nog driekwart miljard of nog maar een half miljard waard is. Dat is twee.

De ene bank beschouwt de andere als aids-lijder en wil er geen relaties meer mee onderhouden: het krediet stokt, de economische activiteit – ook in andere sectoren dan de bouw – valt terug, overheden voelen zich verplicht de banken te hulp te komen om zo de sputterende machine weer op gang te brengen. Met veel overheidsgeld (als lening of als waarborg voor leningen) worden private banken uit de wind gezet, maar de openbare financiën zelf vangen nu frontaal de stormwind. Ook in landen die geen failliete banken moesten overnemen moet de overheid de financiële gevolgen incasseren van de ‘grote recessie’ die volgt op het faillissement van Lehman Brothers. Dat is drie.

Het spectaculairste voorbeeld is Ierland: een verwaarloosbare staatsschuld van 25% van het BBP in 2007 schiet in 2010 pijlsnel naar het Belgisch niveau van 97,5%, terwijl het begrotingstekort 32% bereikt. Voor Spanje loopt de schuld in dezelfde periode op van 36% naar 60% van het BBP, de begroting had in 2007 nog een overschot van 1,9%, terwijl in 2010 een tekort van 9% opgetekend wordt.

De schuldencrisis zoals we die nu in Europa kennen is dus het gevolg van mechanismen in de wereldeconomie; wie de oorzaak legt bij ‘luie’ of statistiekenvervalsende Grieken is gewoon niet serieus. Naast de reeds genoemde, zijn er nog andere algemene tendensen aan het werk. Dertig jaar neoliberaal beleid heeft er in de meeste westerse landen toe geleid dat het deel van het nationaal inkomen dat naar de vergoeding van de arbeid gaat met ongeveer 10 procentpunten van het BBP is gedaald; die tien procentpunten zijn naar de vergoeding van het kapitaal gevloeid in de vorm van dividenden, winsten, bonussen en dergelijke. (10% van het BBP van de Europese Unie vertegenwoordigt meer dan 1200 miljard euro).

Minder inkomen uit loon betekent normalerwijze ook minder vraag naar consumptiegoederen. Toch is de consumptie eerder gelijk gebleven, of zelfs verhoogd. Dit kon alleen door minder te sparen, en te consumeren op krediet. De subprime-crisis illustreert zeer duidelijk dat roekeloos leningen toekennen een tijdlang de koopkracht kunstmatig kan op peil houden. Maar men kan niet eindeloos de schuldenberg blijven voor zich uit schuiven, uiteindelijk barst de bel. Zo ziet men dat de sterk gestegen financiële sector niet zo maar een ‘uitwas’ is van de neoliberale economie, maar een noodzaak om de consumptie en dus de winst te garanderen niettegenstaande lage lonen.

De ‘hold-up van de eeuw’ kwam er enerzijds door een druk op de lonen, anderzijds door het systematisch terugschroeven van de belastingen op bedrijven, winsten en hoge inkomens. En wat doen deze losgeslagen honderden miljarden? Ze zoeken winstgevende gelegenheden op, liefst zéér winstgevende, en die vonden ze, eerder dan in de zo genoemde ‘reële’ economie, in vastgoed- en andere speculatie, door te beleggen in al dan niet getitriseerde private en publieke schulden. De opbrengst van de hold-up werd, in authentieke gangsterstijl, besteed aan de roulettetafels van een speculatief financieel systeem, dat van overheidswege niet veel te vrezen had.

Daarmee hebben we nog maar het decor geschilderd van de eigenlijke eurocrisis, waarvoor deze toppen een definitieve oplossing zouden moeten bieden. We maken ons geen illusies, de eurocrisis is onoplosbaar binnen de huidige EU-architectuur. Een eenheidsmunt voor 17 staten in een unie van 27 staten die op grond van verdragen, formele en informele regels verplicht worden tegen elkaar op te concurreren: het is de kwadratuur van de cirkel.

De EU en haar eenheidsmunt

Voor veel mensen is het hele gebeuren rond de euro onbegrijpelijk: hoe kunnen kleine landen als Griekenland, Ierland of Portugal voor zoveel problemen zorgen? De Japanse schuld bedraagt het dubbel van het Japans BBP, maar er wordt niet gesproken van een Japanse schuldencrisis; de Amerikaanse, de Britse schatkist en economie staan er ook niet al te best voor, maar daar geven de rating-bureaus |1| hoogstens wat speldeprikjes. Hebben deze Angelsaksische creaties iets tegen Europa?

Men hoeft geen chauvinisme in te roepen om het verschil te verklaren. De Japanse overheidsschuld is een volledig binnenlandse aangelegenheid; de Amerikaanse of Britse niet, maar achter deze schulden staan de respectievelijke centrale banken die desnoods dollars of ponden zullen creëren. Dat kan niet gezegd worden voor landen die de euro als munt hebben. Er is weliswaar een Europese Centrale Bank (ECB), maar het verdrag van Lissabon (art. 123 en 124) verbiedt kredietverlening door de ECB of door een nationale centrale bank van een lidstaat. Een land van de eurozone moet voor zijn schulden dus een beroep doen op private kredietverleners, die zich om de rentevoet te bepalen baseren op de rating-bureaus. Al hebben Griekenland en Duitsland dus dezelfde munt, ze worden voor hun schuld op de private geldmarkt totaal anders beoordeeld. De rest is bekend: in oktober 2009 blijkt dat de achtereenvolgende Griekse regeringen de statistieken van hun overheidsfinanciën gemanipuleerd te hebben – met de hulp trouwens van de expert-sjoemelaars van zakenbank Goldman-Sachs- en de kredietwaardigheid van het land wordt drastisch teruggeschroefd, wat de problemen alleen nog vergroot.

Griekenland was hoogstens het startsein voor een algemeen wantrouwen van de beleggers in Europese staatsschulden, schulden die snel opliepen door de redding van … de beleggers. In Griekenland was er gesjoemeld, maar dat was niet het geval in Ierland of Spanje. Toch gingen de beleggers de stralende prestaties in deze landen met steeds meer argwaan bekijken: ook hier bleek veel toxisch papier in de bankkluizen te zitten, ook hier was er driftig geleend voor miljoenen vierkante meter appartementsvloer zonder dat daar solvabele afnemers tegenover stonden.  Geen enkel land van de eurozone ontsnapte nog aan het wantrouwen van de ‘markten’, die zich nu volop realiseerden dat er vanuit Frankfurt (waar de ECB gevestigd is) geen heil te verwachten was. Dat die ‘markten’ nog maar net gered waren door die staten, veranderde daar niks aan; zoals ze zelf vaak genoeg zeggen: banken zijn geen liefdadigheidsinstellingen. Maar de ironie, nee, het cynisme, gaat veel verder. Private banken kunnen zich, in tegenstelling tot landen van de eurozone, wél wenden tot de ECB voor leningen, en wel met heel voordelige tarieven: 1,0 à 1,50% rente. Met dat geld kunnen ze dan leningen verstrekken aan Spanje, Portugal, Griekenland tegen een rente van 3%, 5% of zelfs, 9% . Ook dit is een rechtstreeks gevolg van het Verdrag van Lissabon alias de Europese grondwet, die volgens liberalen, christendemocraten, sociaaldemocraten en groenen het leven van de Europeaan zoveel aangenamer zou maken.

Eén munt, zeventien concurrenten

De financiële problemen van de lidstaten kunnen niet los gezien worden van de Europese economische structuur. Deze kan in grote trekken geschetst worden met het beeld van de ‘kern’ en de ‘periferie’. De kern, dat zijn landen met sterk concurrentievermogen en exportoverschotten (een positieve betalingbalans): Duitsland in de eerste plaats, Oostenrijk, Nederland (overschot van 45 miljard € in 2010) en Finland. Aan de andere kant de landen van de zo genoemde periferie: Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje (vaak aangeduid als PIGS), steeds vaker wordt daar ook Italië aan toegevoegd. Daar tussenin staan dan landen als België en Frankrijk.

Ofschoon de begrotingstekorten en schulden met de crisis ook in de kernlanden aanzienlijk toenamen, bleef dit toch veel beperkter dan in de periferie. De werkloosheid schoot er niet de hoogte in, de belasting inkomsten liepen daardoor minder terug en het begrotingstekort minder ver op. Regeringen en Europese beleidsmakers grijpen dit aan om remedies voor te schrijven voor het economisch beleid in het algemeen: doe zoals Duitsland! Maar dit houdt geen steek. De kernlanden kunnen exporteren omdat andere EU-landen hun producten importeren. Om dit ‘model’ te kunnen veralgemenen zou men een type oorlog moeten uitvinden met alleen maar winnaars |2|.

In het Europees jargon is veel sprake van ‘convergentie’, en daaronder verstaat men het naar elkaar toe groeien van het concurrentievermogen van de verschillende landen. Dat is niet alleen een hoogst onwaarschijnlijk scenario, maar als het gerealiseerd zou worden zou het ook het einde betekenen van de succesformule (als we het zo mogen noemen) van de kernlanden. Het doet denken aan de ezel van Buridan, die omkwam van de honger omdat hij niet kon kiezen tussen de hooischoof links en een identieke rechts.

In principe zouden ook ‘transfers’ van rijkere landen of regio’s naar armere – een herverdeling via overheidsinkomsten – aan convergentie kunnen bijdragen. Dit is een normale functie van een staat of een federatie van staten. Maar de EU is geen normale staat of federatie. Op een minieme overdracht na via de zgn. structuurfondsen, (die zeker sinds de uitbreiding in Oost-Europa totaal ontoereikend zijn) is dit binnen de EU niet denkbaar. Het heeft zelfs weinig zin om van “egoïsme” te spreken, er bestaat gewoon geen kader voor. Men kan moeilijk solidariteit verwachten in een structuur die volledig op concurrentie is ingesteld.

Zijn er dan geen oplossingen?

Een economische oorlog met alleen winnaars bestaat dus niet. Een oplossing zou dus elders gezocht moeten worden.

Er zou in de eerste plaats voor gezorgd moeten worden dat de Unie haar lidstaten beschermt tegen de speculatiewoede van de ‘markten’. Het omgekeerde is nu het geval: wie in de problemen zit, wordt juist uitgeleverd aan die markten. Daar kan een einde aan worden gemaakt door heel eenvoudig aan de lidstaten toe te staan wat men nu toestaat aan private banken: dat ze aan een éénduidig en laag tarief kunnen lenen bij de Europese Centrale Bank. Er is dan geen behoefte aan publieke rating-agentschappen, zoals sommigen die voorstellen, geen speculatie op het bankroet van lidstaten, geen gesjacher met credit default swaps waarmee gespeculeerd wordt op de waardemindering van (staats-)papieren. Tegen onverantwoord lenen door lidstaten zou men clausules kunnen inbouwen, maar een belangrijk doel zou bereikt worden: de dictatuur van de financiële markten een serieuze opdoffer geven.

In de tweede plaats zou er een werkelijk sociaal-economisch convergentieprogramma uitgewerkt moeten worden. De “onmogelijkheid om met 27 regeringen tot een akkoord te komen” zou daarbij kortgesloten kunnen worden door de sociaal aantrekkelijke aard van de voorgestelde hervormingen: veralgemeende Europese sociale zekerheid (met garanties voor de landen die reeds een uitgebouwd systeem hebben, zodat ze niet moeten vrezen voor een harmonisatie naar beneden), grootschalige gecoördineerde projecten voor de overgang naar een koolstofvrije, duurzame economie, ontraden van grote handelsoverschotten door ondersteuning van lonen en arbeidsduurvermindering, enz. Het spreekt vanzelf dat daartoe ook een veel groter Europees budget nodig is dan het huidige dat beperkt is tot 1% van het Europees BBP. Ook hier zal eerst afgerekend moeten worden met de loodzware hypotheek van het neoliberaal beleid van de EU, waardoor de bevolkingen elke cent die naar ‘Brussel’ vloeit beschouwen als een geroofde cent.

Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk programma alleen verdedigd en gerealiseerd kan worden door andere krachten dan degene die nu aan de macht zijn. ‘Utopisch’, zullen velen zeggen, maar men mag twee zaken niet uit het oog verliezen. De crisis die we meemaken is geen gewone recessie; het hele economische, financiële, monetaire, en steeds meer ook sociale systeem raakt steeds meer uit evenwicht. Dat biedt kansen om alternatieven te verdedigen.  En ten tweede: de ‘oplossing’ waaraan de EU momenteel werkt, met steeds groter misprijzen voor de bevolking, is niet alleen tot mislukken gedoemd, maar dreigt catastrofale maatschappelijke gevolgen te hebben, zoals we zullen zien als we deze remedies nader bekijken.
De EU-remedies

Er zijn redenen om aan te nemen dat de Europese beleidsmakers zich aanvankelijk weinig zorgen maakten om de subprime-crisis en zijn gevolgen: men zag het vooral als een gevolg van Amerikaanse onverantwoordelijkheid. De Griekse schuldcrisis bracht daar, zeker vanaf 2010, verandering in, want niet alleen voor Griekenland steeg de rente op staatsschulden, maar voor iedereen, zij het in verschillende mate. Bovendien berust staatsschuld voor de meeste landen deels bij buitenlandse banken; vooral de banken van kern-Europa hadden heel omvangrijke leningen uitstaan in de periferie. Men hoeft niet veel verbeelding te hebben om bezorgde Duitse, Franse en andere bankiers te zien aankloppen bij ‘de politiek’ om daar iets aan te doen.

Zo werd begin mei 2010, artikels 123 en 124 van het Verdrag van Lissabon ten spijt, een hulpfonds voor Griekenland opgericht ten bedrage van 110 miljard, en een nog groter noodfonds, het Europees Financieel Stabiliteits Fonds (EFSF) van 440 miljard, plus daarnaast nog 250 miljard van het Internationaal Monetair Fonds IMF. De hoop was dat dit EFSF nooit gebruikt zou hoeven worden, dat het eerder een symbool was van de financiële betrouwbaarheid van de EU, een signaal naar de geldschieters, een soort surrogaat Federal Reserve. Sinds de oprichting ervan zijn de discussies over het EFSF nooit opgehouden en ook bij de dubbel-top van 23-26 oktober was het de inzet van verhitte polemieken. We komen daar nog op terug.

Terwijl de oprichting van het EFSF een impliciete erkenning is dat de Europese architectuur, in het bijzonder die van de muntunie, gebreken vertoont, wijst de tweede Europese remedie een beschuldigende vinger in een heel andere richting: die van de lidstaten die het ‘stabiliteitspact’ niet gerespecteerd hebben. Zoals bekend moeten volgens dit pact de begrotingstekorten onder de 3% van het BBP blijven en de staatsschulden onder de 60%. In het verleden waren de meeste lidstaten al buiten deze vrij willekeurige lijntjes getreden, maar na de hulp aan de banken en door de economische recessie waren de ‘excessen’ de regel en niet de uitzondering.

Hoe onlogisch, ja nonsensicaal het ook moge zijn, de huidige crisis wordt door de nationale en Europese beleidsmakers geïnterpreteerd als grotendeels het gevolg van het verwaarlozen van het stabiliteitspact. Naarmate het beleidsniveau lager wordt, krijgt dit idee een meer tot de verbeelding sprekende uitdrukking: de potverterende overheid, de luie Grieken, de krekels uit het zuiden die willen leven op kosten van de noeste arbeid van de mieren uit het noorden, de te ontvetten staat, enz.

Nog voor het EFSF was opgericht, was de werkgroep Van Rompuy al aan het werk om maatregelen uit te werken die dit soort ‘uitwassen’ voor goed moesten uitroeien. Uit de bus kwam o.a. het ‘Europees semester’: voortaan moeten nationale ontwerp begrotingen vooraf door de Europese Commissie (EC) goedgekeurd worden alvorens ze aan het parlement worden voorgelegd. Daarbij blijft het niet. Als een land het stabiliteitspact overtreedt, is dit het gevolg van achterliggende macro-economische onevenwichtigheden, die het concurrentievermogen negatief beïnvloeden, is de redenering. Het komt er dus op aan tijdig in te grijpen en die onevenwichtigheden te herstellen, zodat er geen schulden en tekorten ontstaan. Er werden dus, met de grootste minachting voor elk democratisch principe, een reeks wetten voorbereid, het beruchte ‘sixpack’, die niet alleen de staatsfinanciën tot een zaak van de EU maken, maar ook het sociaaleconomisch beleid: loonvorming, pensioenregelingen, werkloosheidsvergoedingen enz.

Punten van akkoord

Onder de Europese beleidsmakers is er volledige overeenstemming over de noodzaak van het disciplineren van de werkende klasse. Ofschoon sociaaldemocraten en groenen delen van het sixpack verworpen hebben, keurden ze allebei – samen met de rechtse meerderheid – een essentieel onderdeel daarvan goed: het onderdeel waardoor het sociaaleconomisch beleid van alle lidstaten onder toezicht van de Europese Commissie en de Raad komt, en waardoor elke eis voor loonsverhoging, voor brugpensioen of optrekken van de werkloosheidsuitkeringen zal stuiten op Brussels is watching you |3|. Met zo ’n ruim mandaat op zak, kunnen EC en Raad vanaf nu allerlei toezichtsmechanismen en ‘technische’ commissies in het leven roepen. Zo werd op de top van 23 oktober beslist een ‘supercommissaris’ voor de eurozone aan te stellen, die de budgettaire orde in de gaten moet houden; deze functie lijkt aardig op de curatorfunctie die de Nederlandse premier Rutte in september voorstelde om de volledige economische bevoegdheid van schuldbeladen lidstaten als Griekenland aan toe te vertrouwen. Op 27 oktober kondigde commissievoorzitter Barroso aan dat Olli Rehn, huidig commissaris voor economie en monetaire zaken, die bijkomende bevoegdheden zal krijgen, al is nog niet duidelijk wat dit precies zal inhouden.

Er werd door de Europese Raad ook opdracht gegeven om te onderzoeken of een “beperkte verdragswijziging” wenselijk is om de budgettaire controle en het economisch bestuur in de eurozone te versterken.

Hierbij doen zich enkele problemen voor. Een verdragswijziging, ook al zou die in eerste instantie alleen betrekking hebben op de 17 landen van de eurozone, moet door de 27 lidstaten, en het Europees Parlement, goedgekeurd worden; Sarkozys uitval tegen Cameron ging erover dat de Britten zich er niet in moeten mengen aangezien ze toch tegen de euro zijn. Daarnaast zijn de Europese leiders natuurlijk ook als de dood voor nieuwe referenda over een verdragswijziging. Daar komt bij dat Duitsland eigenlijk méér wil dan een beperkte wijziging van het Verdrag van Lissabon: wat Merkel betreft zouden zondaars tegen het stabiliteitspact hun stemrecht in de Europese Raad moeten verliezen en veroordeeld worden door het Europees Hof van Justitie.

Te elfder ure (d.w.z. donderdagmorgen 27 oktober rond 4 uur) werd er een akkoord bereikt met de bankensector, over de “kwijtschelding” van 50% van de Griekse overheidsschuld. Deze schuld bedraagt momenteel 350 miljard euro. De banken doen zogezegd ook hun duit in het zakje van de Europese solidariteit door daar 170 miljard van af te doen. Het geeft aan de Grieken het fantastische perspectief om – mits nog 10 jaar leven aan het infuus – de overheidsschuld tegen 2020 gereduceerd te zien tot 120% van het BBP (aldus Merkels prognose). Maar rond deze “geste” van de banken wordt nogal wat mist verspreid. Bij de vorige top van 21 juli was er sprake van een ‘bijdrage van de banken’ van 21%. Nu dit opgetrokken is tot 50% lijken de banken wel te dansen naar de pijpen van de Europese beleidsmakers. De realiteit is echter dat de marktwaarde van het Grieks overheidspapier in het beste geval nog maar 50% van de nominale waarde is, en in de toekomst verder zal dalen. Het ‘inleveren’ van 50% door de banken is met andere woorden in werkelijkheid een garantie door de publieke sector voor 50% van papier dat nog dagelijks van zijn waarde verliest|4|. Een gratis verzekering voor speculanten dus, die minstens de helft van hun inzet recupereren. Men kan goed begrijpen dat de bankensector er graag enkele onderhandelaars een nachtje voor door liet werken.

Onenigheid

Er is meer onenigheid over de maatregelen ten aanzien van de kapitaalbezittende klasse. Er is natuurlijk geen sprake van disciplineren, maar er is de verscheurende vraag: hoe kun je de speculatiegolf tegen de zwakste lidstaten afwenden, met zo weinig mogelijk inbreng van je eigen overheidsgeld en met zo weinig mogelijk verliezen voor ‘jouw’ banken? Dat is de hamvraag waar reeds anderhalf jaar over getwist wordt binnen de EU, tot ergernis van de andere wereldmachten. Het is over deze kwestie dat veel commentatoren telkens opnieuw zeggen: het is steeds te weinig en steeds te laat. In mei 2010 werd het EFSF opgericht met waarborgen voor 440 miljard euro |5|. Dit kwam overeen met de som van de staatsschuld van Griekenland (300 miljard) en Portugal (140 miljard) in 2009. Te laat, omdat de vervaldatum van een grote Griekse lening vlakbij was wat de rente reeds deed oplopen. Te weinig, omdat op zijn minst ook Spanje en Italië door de ‘markten’ gewantrouwd werden |6|. Er zouden veel grotere reservefondsen nodig zijn om de geldschieters gerust te stellen: de staatsschuld van Italië bedraagt 1843 miljard euro (2010), 119 % van zijn BBP. Pas met garanties voor 2000 miljard |7| zou de EU zich een tijdlang van het wantrouwen van de markten kunnen ontdoen.

Voor dit probleem was er op de zondagstop van 23 oktober geen antwoord. De nachtelijke zitting van 26-27 oktober bracht zogezegd een doorbraak. Er wordt gesproken over 1000 miljard (en niet over 2000 miljard) en het betreft nog slechts een intentieverklaring waarvan de ‘details’ verder ingevuld moeten worden. Dit laatste zou misschien op een nieuwe top eind november gebeuren. Het klopt dat de beurzen positief reageerden op dit bericht, en dat de rente voor staatsleningen iets daalde. Maar dit is in het verleden altijd het geval geweest na noodingrepen; het verhinderde niet dat de spreads na korte tijd terug gingen oplopen. Heel wat waarnemers |8| zijn een stuk minder euforisch dan Van Rompuy of Barroso. Trouwens, de Italiaanse langetermijnrente liep niettegenstaande de historische reddingsoperatie van 26 oktober verder op tot boven de 6%.

Wat betreft het invullen van de ‘details’ circuleren er een aantal voorstellen, maar deze worden van meet af aan beperkt door de absolute weerzin van Duitsland |9| voor financiële transfers binnen de EU. Als de ECB in het verleden het Verdrag van Lissabon heeft geschonden door Grieks staatspapier op te kopen, dan was dat eenmalig en niet voor herhaling vatbaar, is de Duitse opvatting. Voor Merkel moet de ECB zich strikt blijven beperken tot het bestrijden van de inflatie, schuldproblemen van lidstaten behoort niet tot haar takenpakket. Wat we de Duitse optie kunnen noemen voor de uitbreiding van het EFSF, bestaat erin het als een garantiefonds te laten functioneren bij het aangaan van leningen op de private geldmarkt (de financiële pers spreekt van een Credit Enhancement Insurance Mechanism, CEIM). De hoge rentes voor risicolanden kunnen omlaag gebracht worden door bijvoorbeeld de garantie te geven dat de eerste 20% van een eventueel verlies door het EFSF wordt terugbetaald. (Deutsche Bank leent een miljard aan Italië; Italië kan slechts 800 miljoen terugbetalen, het EFSF past de 200 miljoen bij; grotere verliezen worden niet gecompenseerd.) Het EFSF fungeert dan als “hefboom”, waardoor haar middelen |10| ‘opgepompt’ worden tot een veelvoud. Veel hangt hierbij natuurlijk af van hoe groot de geldschieters de risico’s inschatten. Na het Griekse voorbeeld zal 20% niet noodzakelijk veel indruk maken.|11|

Een andere, o.a. door Frankrijk en de Europese Commissie verdedigde optie voor het opkrikken van het EFSF zou erin bestaan het fonds tot bank om te vormen. Die zou dan kunnen lenen bij de ECB, tegen een zeer voordelig tarief zoals elke Europese Bank, onder het voorleggen van waarborgen; de ECB zou hierbij de vrijheid hebben om bv. ook Grieks staatspapier als waarborg te beschouwen. De Franse optie had weinig kans van slagen, want in Duitse (Bundesbank-) ogen is het een overtreding van de strikt monetaristische doelstelling van de ECB. Een optie die beter te pruimen valt voor Berlijn en die Special Purpose Investment Vehicle, SPIV word genoemd, zou erin bestaan het fonds uit te breiden met gelden uit groeilanden als China, India of Brazilië |12|. Een combinatie van CEIM en SPIV behoort ook tot de mogelijkheden. Het waren ook de twee opties die door de Bundestag goedgekeurd werden net voor Merkel naar de top in Brussel vertrok.

Tenslotte zijn er ook rond de herkapitalisatie van de banken nog een hoop vraagtekens |13|. Er is een akkoord dat de banken tegen eind juni 2012 hun kapitaalratio (verhouding eigen kapitaal/uitstaande leningen) opgetrokken moeten hebben naar 9%, zodat ze iets beter bestand zijn tegen schokken . Daar zou zo ‘n 108 miljard euro voor nodig zijn. De vraag is van waar dit geld vandaan moet komen. Er is een principe afgesproken, waarbij banken in eerste instantie zelf op de private markt geld zoeken. Als dat niet lukt (als er te hoge rentes mee gemoeid zijn), moeten ze bij hun nationale overheden aankloppen. Alleen als dat ook niet mogelijk is, zou het EFSF kunnen tussenkomen. In landen als Roemenië en Hongarije bestaat de bezorgdheid dat de herkapitalisatie geld uit het Oosten naar de West-Europese banken zal doen vloeien, wat tot krediettekorten bij hen kan leiden. En tot slot blijft er de vraag hoeveel veiliger de banken met dit alles zullen zijn, want het gesjeesde Dexia passeerde toch ook met stip de stress-test?

Perspectieven

Ons uitgangspunt was dat de huidige crisis geen accident is, niet het gevolg van knoeiende Griekse regeringen, maar voortvloeit uit fundamentele mechanismen verbonden met het neoliberaal beheer van de economie die we als volgt samen kunnen vatten:

  • neerwaartse druk op de lonen ten voordele van steeds minder belaste inkomsten uit kapitaal,
  • daardoor grote massa’s geld op zoek naar zeer winstgevende beleggingen in de weinig gereglementeerde financiële sector;
  • ontstaan van ‘zeepbellen’ in de private sector, waarvan de schulden omgezet worden in schulden van overheden;
  • voor de eurozone komt daarbij dat de Europese Centrale Bank niet de rol speelt die een centrale bank normaal speelt in een muntunie.

Hier zitten we bij de kern van de huidige crisis, maar de vele initiatieven van de EU in de afgelopen twee jaar, en de voorbije week in het bijzonder, zijn hierop niet ingegaan.  Integendeel, de druk op de lonen wordt nog versterkt via het budgettair en macro-economisch toezicht op de lidstaten, en van een strenge reglementering van de financiële sector is geen sprake. Er is evenmin sprake van een ‘normalisering’ van de ECB en een aanpak van de dictatuur van de rating-agentschappen. In die omstandigheden kan men niet inzien waarom geen nieuwe zeepbellen en crisissen zouden ontstaan.
Men moet bovendien uitgaan van een flink verzwakte economie en verzwakte staatsfinanciën die het nóg moeilijker zullen maken om in te grijpen bij een nieuwe crisis; alsof de duivel ermee gemoeid was voert de EU dan nog een actief beleid om de koopkracht laag te houden.

Dat alles biedt geen rooskleurige vooruitzichten op middellange termijn. Maar zijn de acute gevaren voor het Europees schuldprobleem nu van de baan? Veel waarnemers betwijfelen dat, want ook de 1000 miljard euro van een opgekalefaterd EFSF is onvoldoende om een Italiaanse of Spaanse schuldcrisis te bezweren.

Wil de arbeidersklasse in Europa niet voor proefkonijn spelen in een hachelijk ultraliberaal experiment, dan heeft ze maar één keuze: deze EU bestrijden en haar eigen oplossingen uitwerken voor een solidair, sociaal en ecologisch Europees project.


Voetnoten

  1. Rating-bureaus of kredietbeoordelaars zijn bedrijven die de kredietwaardigheid inschatten van schuldenaars of schuldbewijzen. De beste classificatie (rating) is AAA, iets minder is AA+, er is BBB, enz. Bij een slecht cijfer moet een hogere rente betaald worden om te lenen; bij een zeer slecht cijfer spreekt men van junk of rommelkrediet. Omdat Duitsland een zeer grote kredietwaardigheid heeft, betaalt het voor zijn staatsleningen de laagste intrest; vaak worden andere landen daarmee vergeleken door het renteverschil met Duitsland aan te geven, de zgn. spread. De bekendste kredietbeoordelaars zijn Fitch, Moody’s, Standard & Poor’s.
  2. Massale export naar buiten de EU als oplossing voorstellen is niet alleen niet wenselijk, maar ook niet realistisch, zie F. Slegers, Alle begrotingen in evenwicht is onzin
  3. Zie H. Michiel, Europees Parlement keurt ‘economisch bestuur’ goed: 6 wetten als bekroning van 60 jaar liberalisering
  4. Zie hierover F. Slegers,  Haircut geschenk voor de banken? . Het IMF stelde zelfs een “haircut” voor, niet van 21%, niet van 50% maar van 75% , om Griekenland enige kans te geven er bovenop te komen. Nog meer beschouwingen over de ‘haircut’ in een artikel van Bruno Tersago in De Wereld Morgen.
  5. Het EFSF leent geld op de internationale markten als het moet ingrijpen, de landen van de eurozone moeten dit geld dus niet uit hun ‘staatskas’ halen. (België betaalde bv. slechts dertigduizend euro bij de oprichting van het EFSF.) Elk van de 17 euro-landen stelt zich borg voor een bepaal bedrag (België voor 15 miljard euro, Nederland voor 25 miljard), en daardoor krijgt dit EFSF een AAA-rating en kan het aan minder dan 3% lenen. Als het EFSF dan ingrijpt voor bv. Portugal, wordt er een ‘risicopremie’ bovenop gerekend; daarom hebben politici in Nederland en België al gezegd dat het EFSF geen geld kost maar opbrengt. Dit op zich doet reeds vragen rijzen over de Europese ‘solidariteit’; maar als een EFSF-lening niet terugbetaald kan worden, zullen de gegeven garanties effectief ingeroepen worden.
  6. We spreken dan nog niet van het zeer schuldbeladen Ierland, omdat rond dit land een zeker vertrouwen bestond dat zijn leiders desnoods de straten en heuvels per opbod zouden verkopen en de sociale verworvenheden naar het steentijdperk verwijzen.
  7. Bij dergelijke grote bedragen moet men een maatstaf hebben om ze te beoordelen. Het is goed om volgende (afgeronde) getallen in het hoofd te hebben:
    – het BBP van de hele EU is rond de 12.000 miljard euro
    – dat van de eurozone ongeveer 9.000 euro
    – het BBP van België is ongeveer 350 miljard euro, van Nederland een kleine 600 miljard euro.
    (Voor preciezere cijfers, zie Eurostat )
  8. Zie bv. EUobserver voor een overzicht van vroege reacties.
  9. Het is misschien toch niet overbodig er op te wijzen dat uitdrukkingen als ‘Duitsland wil…’ of  ‘Nederland weigert…’ het alleen hebben over de standpunten van de Duitse of Nederlandse regering; hoeveel Duitsers of Nederlanders hier achter staan is een heel andere zaak.
  10. Doordat het EFSF al aangesproken werd, is het vandaag nog maar 250 miljard euro groot.
  11. Een bijkomend nadeel, vanuit het standpunt van de banken, is dat bestaand schuldpapier van risicolanden, dat  zij al in hun bezit hebben, hierdoor automatisch zo goed als waardeloos wordt (met dank aan Frank Slegers voor deze opmerking).
  12. Hierbij wordt vaak verwezen naar BRICS, de groep groeilanden Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika.
  13. Zie hierover ook F. Slegers, Hoeveel hebben de Europese banken nodig?

Laat een reactie achter