Evenementen

  • Geen evenementen

Facebook

Die Linke heeft nieuwe leiding, maar geen strategie


door Loren Balhorn (*)
15 maart 2021

 

Na jaren van stagnerende peilingen en dalende verkiezingsresultaten hoopt de Duitse partij Die Linke dat haar nieuwe leidersteam haar zal doen terugkeren naar de belofte van de jaren 2000. Maar aangezien haar sociale basis in het voormalige Oosten verbrokkelt, heeft Die Linke niet alleen een andere marketingstrategie nodig – zij moet haar wortels in het leven van de arbeidersklasse opnieuw opbouwen.

Op 27 februari hield de socialistische partij van Duitsland, Die Linke, eindelijk haar lang uitgestelde partijcongres. Janine Wissler, een rijzende ster in de linkervleugel van de partij, en Susanne Hennig-Wellsow, partijleider in Thüringen, waar Die Linke regeert aan het hoofd van een centrum-linkse coalitie, namen het roer over van Bernd Riexinger en Katja Kipping, voorzitters van de partij met een  lange staat van dienst.

De bijna negenjarige ambtstermijn van Riexinger en Kipping was oorspronkelijk een verstandshuwelijk tussen de partij van extreem-links en een aanzienlijk deel van het gematigder kamp. Zij zagen toe op een zekere stabilisatie binnen de partij, maar ook op onmiskenbare stagnatie. Geen van beiden bleek bijzonder charismatisch of echte publieksfiguren, en hun leiderschap werd herhaaldelijk uitgedaagd in de media door ex-parlementsvoorzitter Sahra Wagenknecht, die in 2018 een funeste poging deed om een links-populistische formatie, Aufstehen, op te richten. Die Linke schommelt al jaren tussen 6 en 9 procent in de peilingen, niet in staat te leren uit de eigen fouten en ook niet om te profiteren van die van anderen – wat het Duitse weekblad Der Spiegel ertoe bracht te vragen of de partij ‘sclerotisch’ was geworden.

 

De twee pas verkozen co-voorzitters van Die Linke: Janine Wissler (l) en Susanne Hennig-Wellsow (r)

 

Het is dan ook begrijpelijk dat Wissler en Hennig-Wellsow worden bejubeld als een kans om de partij nieuw leven in te blazen. Het online-congres dat hen koos was opmerkelijk rustig vergeleken met eerdere bijeenkomsten, met weinig openlijke botsingen en een algemene consensus dat, met een reeks van deelstaat- en federale verkiezingen later dit jaar, het nu de tijd is voor eenheid en partijopbouw. Maar ondanks alle blijken van overeenstemming kreeg het probleem van wat voor soort partij er moet worden opgebouwd geen duidelijk antwoord.

 

De fakkel doorgeven

De opkomst van Wissler en Hennig-Wellsow, die geen oppositie ondervonden, markeert de consolidatie van een nieuw partijcentrum dat aanzienlijk verschilt van de krachten die in 2004-2007 samensmolten om Die Linke op te richten.

Op dat moment had de Partij voor Democratisch Socialisme (PDS) – de opvolger van de Oost-Duitse regeringspartij en een soort Oost-Duitse belangengroepering van na 1990 – de kiesdrempel van 5 procent om weer in het parlement te komen niet gehaald, en begon te vrezen voor haar voortbestaan. Ondertussen zette de regerende sociaaldemocratische partij (SPD) onder Gerhard Schröder haar linkervleugel, in de figuur van ex-minister van Financiën Oskar Lafontaine, buitenspel en begon een reeks harde arbeidsmarkthervormingen door te voeren die een aanzienlijk deel van haar basis van zich vervreemdden. Dat leidde tot een afsplitsing (Arbeit und Sozialrechte – das Wahlalternatief, of WASG) onder leiding van Lafontaine en verscheidene andere linkse SPD’ers.

Met de PDS buiten het parlement en een SPD die het sociaaldemocratische beleid de rug bleek toe te keren, ontstond er ruimte voor een nieuwe linkse kracht. PDS en WASG vormden in 2004 al snel een electoraal verbond, dat in 2007 Die Linke werd. Daarop traden ook kleinere groepen toe die Die Linke zagen als een kans om radicaal-linkse ideeën in de mainstream te brengen. Hoewel numeriek een minderheid, hadden zij door hun relatieve jeugdigheid en hun soms voltijds activisme een buitenproportionele impact op het partijgebeuren, terwijl de oprichtende generaties van de PDS en de WASG het soms moeilijk hadden om nieuwe kaderleden voort te brengen.

Vijftien jaar later kan worden gezegd dat van de oorspronkelijke oprichters van Die Linke alleen de PDS haar doel onvoorwaardelijk heeft bereikt: Die Linke is nu zonder twijfel een landelijke politieke kracht, met voor het eerst in haar geschiedenis meer leden afkomstig uit het Westen dan uit het Oosten van Duitsland. Dit is echter ten koste gegaan van de Oost-Duitse identiteit en de sociale basis van de partij. Die Linke verliest snel terrein in de oostelijke deelstaten, nu haar traditionele ledenbestand afkalft en de partij haar status als natuurlijke thuishaven van Oost-Duitse proteststemmers verliest aan het rechts-populistische Alternative für Deutschland (AfD). Hoewel er niet weinig Oost-Duitsers in de partijleiding zitten, zijn de meesten te jong om een groot deel van hun leven in de DDR te hebben doorgebracht, en een specifieke Oost-identiteit speelt weinig rol in hun politiek.

De WASG heeft echter haar doel om de SPD onder druk te zetten zodat ze terugkeert naar haar oude beleid – of zelfs om haar te vervangen als de leidende partij van de arbeid – steeds verder uit het zicht zien verdwijnen. De steun voor Die Linke binnen de Duitse vakbonden, die nog steeds tot de sterkste van Europa behoren, is niet groter dan bij haar oprichting, misschien zelfs zwakker. Terwijl de steun voor de SPD in het industriële hart van Duitsland de afgelopen tien jaar is gekrompen en nu op 15% staat, heeft Die Linke vrijwel geen voordeel van deze ontwikkeling ondervonden.

Zijn hartstochtelijk pleidooi voor de opbouw van een ‘verbindende partij’ die arbeiders met andere sociale bewegingen verenigt siert aftredend partijvoorzitter Riexinger, die lange tijd werkte voor Ver.di, de vakbond van dienstverleners.  Die Linke heeft enig terrein gewonnen onder werknemers in de zorgsector, maar over het geheel genomen lijkt zijn boodschap geen weerklank te vinden bij de traditionele sociaaldemocratische basis, die in plaats daarvan grotendeels politiek passief is geworden, of, erger nog, is overgelopen naar rechts. Als gevolg daarvan, en ondanks de beste bedoelingen van Die Linke, is de partij steeds meer een partij van jonge, progressieve stedelingen, met een slinkende aanwezigheid onder industriearbeiders of in plattelandsgebieden.

 

Een veranderde partij?

 Nu de georganiseerde arbeidersbeweging en de Oost-Duitse identiteitspolitiek op hun retour zijn, zijn deze kringen van jonge activisten in veel opzichten de winnaars geworden van de veranderende interne samenstelling van de partij, een realiteit die door de nieuwe covoorzitters zelf wordt belichaamd. Hoewel hun ideologische achtergrond aanzienlijk verschilt – Wissler was tot voor kort lid van de trotskistische groep Marx21, terwijl Hennig-Wellsow de Thuringse partij gedurende haar regeringsperiode heeft geleid – begonnen beiden hun politieke carrière als studentenactivisten in het begin van de jaren 2000 en hebben ze het grootste deel van hun volwassen leven als fulltime partijfunctionaris en parlementslid doorgebracht.

Ze worden geflankeerd door een partijbestuur dat in toenemende mate een beroep doet op jonge politici van vergelijkbare herkomst. Hoewel de nieuwe partijleiding jonger en diverser is dan ooit tevoren, zijn het in grote lijnen ook functionarissen die hun carrière begonnen als campusactivisten. Voor velen van hen zijn de partij en haar jongerenorganisaties de enige politieke arena die ze ooit hebben gekend. Zoals PDS-doyen André Brie al in 2018 opmerkte, trekt Die Linke weliswaar jongeren aan, maar het algemene gebrek aan actieve leden betekent dat jonge rekruten vaak zo snel in de gelederen stijgen dat ze “weten hoe ze meerderheden op een partijcongres moeten organiseren, maar geen gevoel voor normale mensen meer hebben.” Deze trend blijkt uit de ‘hippe’ subculturele esthetiek die de partij de laatste jaren aan haar publieke imago probeert te verlenen, maar die, eerlijk gezegd, geforceerd overkomt.

Wagenknecht en haar medestanders hebben hun twijfels geuit over de verschuiving van de partij in de richting van jonge, stedelijke progressieven, maar neigen ertoe deze ontwikkeling te duiden als het resultaat van een bewuste keuze van de vertrekkende leiding om een partij te worden van wat zij spottend latte macchiato links noemen – waarbij zij hen afschilderen als stedelingen uit de middenklasse die meer geïnteresseerd zijn in symbolische diversiteit en het gebruik van de juiste voornaamwoorden dan in de herverdeling van rijkdom. Hoewel met name Kipping heeft geprobeerd de partij te positioneren als het “voornaamste adres voor jonge mensen die de wereld willen veranderen”, valt het te betwijfelen of dit de moeilijkheden van de partij in haar traditionele milieus verklaart. Uiteindelijk hebben alle politieke partijen jonge, enthousiaste leden nodig om campagnes te leiden en de partij over het algemeen draaiende te houden.

Wat voor kern van waarheid er ook in zit, het kamp Wagenknecht doet geen recht aan de complexiteit van de werkelijke situatie. Het baseert zich op stereotypen van wat de ‘arbeidersklasse’ is en wil (een beetje meer law and order, een beetje minder feminisme), en, wat nog belangrijker is, het negeert de bredere historische context ten gunste van simplistische verklaringen. Uiteindelijk worden oorzaak en gevolg door elkaar gehaald, waarbij een in de meeste gevallen vrij zwak leiderschap de schuld krijgt van fundamentele veranderingen die het bereik van een enkele partij te boven gaan, laat staan van een partij die ruimgeteld nauwelijks 10 procent van de stemmen haalt.

De verschuiving naar de stedelijke middenklasse is geen verschijnsel dat alleen Die Linke betreft, en is ook niet begonnen onder het leiderschap van Kipping en Riexinger. De ontkoppeling van links t.o.v. zijn historische arbeidersbasis is een decennialang proces geweest, dat niet zozeer wortelt in verschuivende esthetische voorkeuren of beleidsveranderingen aan de top, als wel in de relatieve neergang van de verwerkende industrie en de gelijktijdige opkomst van de dienstensector en de witteboordenbanen. Deze ontwikkelingen versnelden de versnippering van de arbeidersmilieus die na de Tweede Wereldoorlog begon, en holden de gemeenschappen uit die ooit het fundament van links vormden. Tegen de tijd dat de SPD aan het eind van de jaren negentig een neoliberale koers ging varen, was dit proces al grotendeels voltooid.

In de praktijk heeft de erosie van de georganiseerde arbeidersklasse ertoe geleid dat de politiek steeds meer de arena is geworden van de midden- en hogere klasse. Historisch gezien was dit altijd het geval voor de meeste politieke krachten. Maar van cruciaal belang was dat niet voor links, dat erin slaagde miljoenen arbeiders bewust te maken van hun klassenbelangen en hen te organiseren tot een machtig blok – een blok dat in staat was zijn belangen te doen gelden door middel van stakingen, verkiezingscampagnes, en soms zelfs revoluties. Dit was met name het geval in Duitsland, althans tot 1933.

Maar van nieuwe Europese linkse partijen als Die Linke tot de Labour Party onder leiding van Corbyn, zijn recente pogingen om de socialistische beweging nieuw leven in te blazen grotendeels bemand door goedwillende activisten die voor het overgrote deel gerekruteerd zijn uit de geschoolde middenklasse. Dat is in 2021 meer het geval dan ooit tevoren. In termen van actief partijlidmaatschap vormden arbeiders waarschijnlijk nooit een belangrijk onderdeel en dat is nu nog minder het geval. Die Linke-leden hebben dus moeite om hun taal te spreken, simpelweg omdat die niet de hunne is.

In de historische arbeiderspartijen waren jonge linkse intellectuelen organisch verbonden met een proletarische basis en via die weg politiek gevormd. Dit is natuurlijk niet langer het geval. Voor velen van de jonge generatie van de partij zijn arbeiders in hun politieke verbeelding slechts een van de vele onderdrukte groepen die zij proberen te vertegenwoordigen. Een abstracte bevestiging van de macht van de arbeiders kan van tijd tot tijd in hun retoriek opduiken, maar in de praktijk speelt de arbeidersklasse geen bijzonder belangrijke subjectieve rol. En hoe zou dat ook kunnen? Een socialistische arbeidersbeweging is iets wat zij alleen uit de geschiedenisboeken kennen, als zij die al kennen.

 

Identiteitspolitiek is niet het probleem

Wat Die Linke en veel nieuwe linkse formaties lijkt te treffen, is niet zozeer de boeman van de ‘identiteitspolitiek’, een slecht gedefinieerde term die meestal als een scheldwoord wordt gebruikt, maar een politiek die kan worden omschreven als ‘identitair’ – politiek die niet is afgeleid van iemands objectieve economische belangen, maar veeleer als een verzameling morele overtuigingen. Op die manier begrepen gaat politiek minder over het ontwikkelen van een strategie om een meerderheid voor zich te winnen en meer over het overbrengen van de juiste ethische principes en het projecteren van de juiste esthetische gevoeligheden, een tendens die onlangs werd bekritiseerd door uittredend Die Linke parlementslid Fabio De Masi.

Deze politieke habitus helpt ook te verklaren waarom de centrale boodschap die van het congres van vorige week leek uit te gaan niet een specifiek beleidsstandpunt of Die Linke’s campagneplatform was, maar eerder de diversiteit van haar nieuwe leiderschap en de onaantastbaarheid van haar pro-LGBTQ, feministische, en anti-racistische geloofsbrieven. Zeker, een socialistische partij zou al deze dingen moeten zijn, en het zou fout zijn om te suggereren dat deze dingen intrinsiek kiezers uit de arbeidersklasse afstoten die alleen maar zouden geven om lonen en gezondheidszorg. Toch moet men zich afvragen of dit soort boodschap weerklank vindt bij mensen buiten Die Linke’s directe achterban, laat staan dat het hen een reden geeft om op Die Linke te stemmen.

De zorg om het imago van Die Linke maakt niet altijd een duidelijk onderscheid tussen morele principes en strategische prioriteiten, wat ertoe neigt dat alle kwesties als even belangrijk worden voorgesteld: de taak van een moderne socialistische partij is dan te functioneren als een beweging van bewegingen’ of, zoals de partij zichzelf beschrijft, een ‘partij in beweging’. Maar wat betekent dat concreet? Wat zijn de strategische hefbomen om op een dag de macht over te nemen en de maatschappij opnieuw vorm te geven?

Op dit vlak heeft Die Linke ervoor gekozen om het antwoord te omzeilen, door vage formuleringen aan te bieden over campagne voeren voor progressieve verandering zowel “op straat als in het parlement,” “door vrijdagen voor de toekomst, Black Lives Matter en vakbonden in gelijke mate te steunen” en door de nadruk te leggen op een vage focus op ‘organiseren’.  In plaats van zich expliciet te beroepen op de arbeidersklasse, spreekt de partij over “een samenleving van de velen”, een zinswending die rechtstreeks uit het (opzijgeschoven) draaiboek van Corbyn komt en in het Duits nog minder inspirerend klinkt dan in het Engels.

Als de laatste zes jaar ons iets geleerd hebben, dan is het wel dat deze aanpak een heel slechte voorbereiding is op de aanzienlijke politieke en economische druk waarmee socialisten te maken krijgen telkens een nationale verkiezingsoverwinning binnen bereik lijkt, wat, gezien de weinig rooskleurige vooruitzichten voor een revolutionaire opleving op korte termijn, de enige manier is waarop Die Linke realistisch gezien kan hopen echte verandering teweeg te brengen.

De Griekse linkse partij Syriza, die qua samenstelling sterk op Die Linke lijkt, leerde deze les in 2015 op de harde manier nadat ze aan de macht was gekomen op een golf van anti-bezuinigingsgevoelens en frustraties van het volk over de Europese geldschieters. Na haar aantreden bleek Syriza niet méér te kunnen doen dan haar aanhangers te verzamelen bij protesten en demonstraties. De partij bleek niet bestand tegen de institutionele chantage van de EU en capituleerde al snel op alle fronten. Syriza is nog steeds de op één na grootste politieke kracht in Griekenland, maar de ‘partij van de bewegingen’ staat nu dichter bij de neoliberale sociaaldemocratische partij die ze versloeg, terwijl de gevierde bewegingen die haar aan de macht brachten nog niet hersteld zijn van de nederlaag.

Jeremy Corbyn heeft nooit de kans gekregen om te zien hoe politieke macht aanvoelt, maar de kans is groot dat hij voor een vergelijkbare situatie zou hebben gestaan. Hoewel hij echte steun genoot in de vakbonden, werd zijn campagne vooral gedragen door jonge, enthousiaste aanhangers, van wie velen hun eerste stappen hadden gezet in de studentenbeweging van 2010. Hun bedoelingen waren ongetwijfeld nobel, maar hun gebrek aan diepere wortels in de Britse samenleving of de instellingen van de arbeidersbeweging betekende dat zodra Corbyn was verslagen, een groot deel van de radicale golf wegebde, en het was slechts een kwestie van maanden voordat de linkerzijde van Labour werd verpletterd, met demoralisatie en verbijstering tot gevolg.

De vage strategische formuleringen die van Die Linke’s partijcongres uitgaan zijn bedoeld om publieke schermutselingen te vermijden, wat waarschijnlijk onvermijdelijk is in een verkiezingsjaar. Maar ze wijzen ook op een diepere strategische malaise die heel links teistert en die niet verder lijkt te kunnen gaan dan protestmarsen en een incidentele verrassende verkiezingsoverwinning. Er zijn geen gemakkelijke antwoorden en geen sluiproutes om een socialistische meerderheid in Duitsland (of waar dan ook) op te bouwen, maar het feit dat wat misschien wel Europa’s belangrijkste socialistische partij is, strategische schijnremedies lijkt te herhalen die elders al hebben gefaald, is niet bepaald geruststellend.

 

De partij van het arbeidersbelang

 Wat heeft de toekomst in petto voor Die Linke? Met een peiling van de drie centrum-linkse partijen samen die slechts iets boven de 40 procent ligt, lijken de vooruitzichten voor de partij om in de herfst in de regering te komen gering. In werkelijkheid zou Die Linke de zwakste partij in een coalitie zijn en waarschijnlijk gedwongen zijn om het grootste deel van haar programma op te geven. Ervan uitgaande dat de partij genoeg stemmen krijgt om in het parlement te blijven, zal ze echter hard moeten nadenken over hoe ze zichzelf opnieuw kan uitvinden als een effectieve oppositie en de publieke verbeelding kan terugwinnen zoals ze dat kortstondig deed in 2009, toen ze haar beste resultaat ooit behaalde.

Daarvoor is meer nodig dan het aankloppen op voldoende deuren of het organiseren van voldoende demonstraties, zoals één vleugel van de partij lijkt te geloven. Organiseren en activisme zijn beide waardevolle en noodzakelijke componenten van een socialistische strategie, maar organisatoren en activisten alleen vormen geen voldoende sociale basis om een massabeweging op te bouwen. De meeste mensen zijn niet per se geïnteresseerd in ‘activisme’ en willen niet ‘georganiseerd’ worden – een socialistische partij moet dat tot op zekere hoogte accepteren en nadenken over hoe ze hen toch kunnen bereiken. Uiteindelijk beoordelen de meeste mensen een partij niet op de vraag of ze de juiste ideologische hokjes aankruist, maar op haar praktische gebruikswaarde.

Die Linke zal haar missie op de lange termijn alleen kunnen waarmaken als zij erin slaagt een massapartij van de arbeidersklasse te worden, met diepe wortels in de nog altijd machtige arbeidersbeweging. Van cruciaal belang is dat zij op die manier de steun kan mobiliseren die nodig is om het op te nemen tegen machtige kapitalistische belangen. Dat betekent campagne voeren rond universele thema’s zoals huisvesting, transport en lonen die een wig drijven tussen Die Linke en de gevestigde partijen, en tegelijk laten zien dat zij in staat is om waar mogelijk concrete verbeteringen voor arbeiders te bereiken, zoals de bevriezing van de huurprijzen in Berlijn. Het betekent ook het soort agressieve maar serieuze retoriek gebruiken waar Wagenknecht en De Masi al jaren in uitblinken. Dat zij op gespannen voet staan met hun partij is jammer, aangezien veel Linke-politici nog wel wat van hen zouden kunnen leren als het gaat om het houden van een overtuigende verkiezingsspeech.

Dit betekent echter niet, zoals sommige critici beweren, dat de partij kwesties als seksisme, racisme en andere vormen van onderdrukking moet negeren om als een arbeiderspartij te worden gezien. De historische arbeiderspartijen waren altijd organisaties die streden voor de rechten van vrouwen en minderheden, en zij speelden vaak een voortrekkersrol in deze strijd. Maar in tegenstelling tot de linkse partijen van vandaag, konden zij aannemelijk maken dat de enige weg naar universele emancipatie de strijd voor een socialistische orde was, en dat de weg naar het socialisme noodzakelijkerwijs liep via het opbouwen van een sterke arbeidersbeweging, geleid door een sterke socialistische partij.

Zo’n beweging of partij bestaat vandaag niet – maar ze bestonden ook niet toen de socialistische beweging werd opgericht. Ze moeten worden gecreëerd. Het goede nieuws is dat er weinig landen zijn die betere voorwaarden bieden om dat te doen dan Duitsland, met zijn sterke vakbonden en een robuuste welvaartsstaat om te verdedigen en op voort te bouwen. Of Die Linke het potentieel heeft om zo’n massapartij te worden, is een open vraag. Maar als de enige noemenswaardige socialistische organisatie in Duitsland kunnen we alleen maar hopen dat het lukt.

 


(*) Loren Balhorn is lid van Die Linke en redacteur bij Jacobin, waar hij reeds heel wat over Duitse politiek publiceerde. Dit artikel verscheen bij Jacobin op 14 maart 2021 onder de titel Germany’s Left Has New Leadership but Not a Strategy. Nederlandse vertaling Ander Europa.

 

 

Hits: 103

 

2 reacties op “Die Linke heeft nieuwe leiding, maar geen strategie”

  1. Kan het dan toch gaan kantelen? Ik begin her en der te lezen over economisch links en cultureel rechts, over ‘terugkeer’ naar de arbeidersklasse.

    En zeggen dat het verdomd simpel is. Of leest men zijn Marx en Engels niet?
    Het kapitalisme is een veralgemeende koopwarenproductie en Marx vond de sleutel om het kapitalistische raadsel op te lossen, in zijn vaststelling dat de (koop)waar de sleutel was om het systeem te begrijpen en te analyseren. Schaf de loonslavernij af, zei en schreef hij. Want de arbeidskracht in het kapitalisme, dat is ook een koopwaar.

    Begrijpen en analyseren is nodig, maar men moet het kunnen veranderen ook. Graaft het kapitalisme het eigen graf? Misschien, misschien ook niet. Het zal hoe dan ook enorm lang duren om dit systeem te overwinnen, dat is nu wel een les die geleerd moet zijn. Wat aangestipt is in dit artikel, welke misselijk makende troeven dit systeem niet heeft: van goedkope goederen die de dikste Chinese muren in puin schieten, met de politieke gevolgen ervan (Communistisch Manifest), tot het steunen op en mobiliseren van cultureel rechts (ook in het Communistisch Manifest, met de korte opmerking over het lompenproletariaat). Om te zwijgen over “kapitalistisch links” dat illusies schept in het denken van velen.

    Om het te kunnen veranderen moet men de elementen van het systeem goed begrijpen. De beweging is de eenheid van de tegengestelden. Zowel van het Kapitaal, als haar tegendeel: de arbeid.
    Wat zijn die elementen?
    – Dat het kan veranderen, maar onmenselijk traag. Dikwijls letterlijk onmenselijk traag, als men rond kijkt wat dit systeem de mensen kan aandoen;
    – Dat de arbeidskracht een koopwaar is en dat dit moet afgeschaft worden: de Internationale Arbeids Organisatie heeft of had trouwens in zijn statuten of beginsel het volgende staan: “arbeid mag geen koopwaar zijn”. Waar blijft radicaal links om dit naar voor te schuiven (met de precisering: arbeidskracht)?;
    – Het is een historisch proces, net zoals het ontstaan van het kapitalisme een historisch proces was;
    – Dat het in wezen een klassenstrijd is en gaat om het aandeel of verdeling van de geproduceerde meerwaarde;
    – Dat er ook is vast te stellen dat de arbeidersklasse economisch links is (economisch progressief) en cultureel rechts (ethisch rechts) maar de hoger opgeleiden, de vertegenwoordigers van het Kapitaal, zijn er het spiegelbeeld van: economisch rechts (economisch conservatief) en cultureel links (ethisch progressief). Een spoor, een kiem, een aanzet, van deze vaststelling is dus – ik herhaal voor de duidelijkheid en tegen de koppigaards – reeds te lezen bij Marx en Engels in 1848 in hun Manifest!!
    Dit zijn vanzelfsprekend tendensen, zoals bv. er de tendens is van een dalende winstvoet.
    – Het aanvoelen van recht en onrecht, dat beweegt en wijzigt in “de beweging als de eenheid van de tegenstellingen”. Het voelen van recht of onrecht, dat is in essentie net zo goed die “strijd om de meerwaarde”; maar die variabel geuit wordt naargelang conjunctuur en context, soms met een ondertoon van rechts (bv. rechts-nationalisme), dan wel met een bevrijdende ondertoon (bv. mei’68).

    Het offensief bewust combineren van deze elementen kan dus zijn:
    – De werkende klasse uit de marktlogica halen met een prima sociale zekerheid, maar zelfs een sociale zekerheid die anti-systemisch is. Elders heb ik hiervan al voorbeelden gegeven.
    – Tevens, met het besef dat het een lang historisch proces zal zijn, komaf proberen te maken met verouderde absurditeiten als de monarchie (hallo radicaal links, we zijn nu 2021 hoor!) die naast het scheppen van illusies behoorlijke stoorzenders zijn in en van het politiek bewustzijn. Ook zo voor religie. Omdat wij “religie uit de weg gaan”, gaat daarom religie ons niet uit de weg!

  2. Beste Adrien,
    Je zult het ongetwijfeld goed bedoelen, maar ik vrees dat je boodschap voor de meeste stervelingen onbegrijpelijk is. Een eerste vereiste om bij te dragen in een publiek debat is zich verstaanbaar te maken, een taal en een redeneertrant te gebruiken die communicatie mogelijk maakt. Ik vrees dat dit voor jouw reactie niet het geval is.

    Ik vrees ook dat het contraproductief werkt. Jij wil natuurlijk dat meer mensen zich voor het marxisme gaan interesseren, een bekommernis die ik volledig onderschrijf. Maar als het pleidooi overkomt als een duistere metafysische beschouwing schiet je je doel helemaal voorbij.

    Reacties op artikels zijn ten zeerste welkom, maar dan liefst geschreven om begrepen te worden en ingaand op het desbetreffend artikel.

Laat een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *