Facebook

Boekvoorstelling “Gekochte tijd” van Wolfgang Streeck

door Herman Michiel, 15 februari 2016

 

Dit is de eerste bijdrage aan een nieuwe rubriek waarin we boeken en studies over de Europese Unie onder de aandacht willen brengen. Het hoeven geen pas verschenen titels te zijn, als ze maar de moeite van het lezen en bespreken waard zijn. We zullen ons ook niet tot Nederlandstalige publicaties beperken, want dan zou de keuze al te beperkt zijn. In het Frans, Engels, Duits, Italiaans … zijn in de voorbije jaren zeer interessante dingen verschenen, die in ons taalgebied zo goed als onbekend zijn. Daar willen we met deze rubriek wat aan doen.

Onze eerste bekommernis is weer te geven wat diverse auteurs zoal beschreven, beweerd of voorgesteld hebben. Het deel ‘boekvoorstelling’ mag dus best nogal uitgebreid zijn, al is het het voorrecht van de recensent om selectief in te zoomen op wat hem/haar het meest getroffen heeft. Daarnaast is een inspirerend boek ook het begin van een debat, al was het maar binnensmonds tussen de auteur en de lezer. Elk rechtgeaard recensent wil daar de buitenwereld iets van laten horen.

Indien u de zin bekruipt om zelf het voorgestelde boek te lezen: des te beter. Maar we proberen onze recensies ook interessant te houden voor wie daartoe niet de tijd of de mogelijkheid heeft. En wie hier zelf een recensie wil plaatsen van een boek, over een Europese problematiek wel te verstaan, is welkom en kan met ons contact opnemen.

De redactie van Ander Europa

gekochtetijdWe steken in deze rubriek van wal met Gekaufte Zeit van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck. Het boek verscheen in 2013 1, in Engelse vertaling in mei 2014 2, enkele maanden later in het Frans 3 en in maart 2015 ook in het Nederlands 4. Er zou ondertussen zelfs een Chinese vertaling van bestaan.

Dat er een Nederlandse vertaling is heb ik pas vastgesteld nadat ik de originele Duitse uitgave had gelezen; als ik Streeck citeer zal het mijn vertaling uit het Duits zijn. Ook heb ik ondertussen een aantal Nederlandstalige recensies aangetroffen 5, maar dit belet mij niet ook mijn steentje bij te dragen tot de bekendmaking van dit interessant werk.

Streeck

Wolfgang Streeck

Eerst nog een woordje over de auteur. Wolfgang Streeck werd geboren in 1946, studeerde sociologie in Frankfurt en New York, deed onderzoek en doceerde aan diverse universiteiten in Duitsland en de USA. Van 1995 tot zijn pensioen in 2014 was hij directeur aan het Max Planck Instituut voor sociaal onderzoek in Keulen. Hij heeft zich vooral met economie als sociaal fenomeen beziggehouden. Streeck was vanaf zijn studententijd actief in de Duitse sociaal-democratie (SPD); hij stapte eruit als protest tegen de niet-uitsluiting van Thilo Sarrazin. Dit toenmalig bestuurslid van de Bundesbank had in 2010 een boek uitgebracht (Deutschland schafft sich ab) met racistische en islamofobe beweringen.

 

Van Keynes naar Hayek

Ik zal het in deze bespreking vooral hebben over de Europese aspecten van Gekochte Tijd, maar het onderwerp is breder. Het gaat over het kapitalisme van na de Tweede Wereldoorlog, het ‘laatkapitalisme’, dat na een eerste ‘keynesiaanse’ fase, de Golden Sixties in de volksmond, in crisis geraakte. Die eerste fase duidt Streeck aan als het democratisch kapitalisme. Het raakte in crisis vanaf de jaren ’70, en vanaf de jaren ’80 werd het stelselmatig verdrongen door het neoliberaal beheer van de economie. De crisis die we sindsdien meemaken beschouwt Streeck als het gevolg van het permanent spanningsveld tussen kapitalisme en democratie: “Terugblikkend verschijnt de geschiedenis van de crisis van het laatkapitalisme als de geleidelijke ontwikkeling van de zeer oude en zeer fundamentele spanning tussen kapitalisme en democratie, als de stapsgewijze ontbinding van het dwanghuwelijk dat na de Tweede Wereldoorlog tussen beide werd afgesloten.” Dwanghuwelijk: de term maakt duidelijk dat Streeck ‘democratisch kapitalisme’ als een oxymoron (iets als ‘zwarte sneeuw’ of ‘vierkante cirkel’) beschouwt, ver verwijderd van de claim van liberale ideologen dat democratie de vrije markt veronderstelt en omgekeerd.

Op economisch vlak betekent het eind van het dwanghuwelijk dat niet langer Sir Keynes, maar Herr von Hayek het voor het zeggen krijgt: het keynesianisme wordt opgevolgd door het hayekianisme. Een beetje sterk gepersonnifieerd misschien, maar wie enigszins vertrouwd is met de opvattingen van Friedrich von Hayek weet wat er aan de hand is. Vanaf de jaren ’30 begint deze Oostenrijkse vrijemarktideoloog een (toen) hopeloze strijd tegen overheidsoptreden en voor de onvervalste vrije markt als ultieme arbiter. Over Hayeks profetische visie in verband met de Europese integratie zullen we het nog hebben. In ieder geval begint vanaf de jaren ’70 de ‘markt’ steeds meer zijn voorrechten op te eisen, en gaan politici daar steeds meer op in. Het gevolg is dat productiviteitsstijgingen slechts heel gedeeltelijk of zelfs niet meer leiden tot hogere lonen voor de werkende klasse, en vooral de beurzen vullen van de bezittenden. Het is kras hoe duidelijk dit tot uiting komt in de cijfers. De onderstaande grafiek is genomen uit een andere publicatie van Streeck 6. Men ziet hoe (hier voor het geval van de USA) vanaf de jaren 70 de kloof tussen stijgende productiviteit en stagnerende lonen en het gezinsinkomen steeds breder wordt. Het kapitalisme verliest zijn democratische dimensie, en de democratie haar greep op de economie, stelt Streeck.

 

2016-02-12 22_47_44-Wolfgang Streeck_ How Will Capitalism End_. New Left Review 87, May-June 2014.

Evolutie van de productiviteit, het gezinsinkomen en het gemiddeld uurloon in de Verenigde Staten. Vanaf de jaren ’70 deelt de arbeidersklasse niet langer in de vruchten van de productievere arbeid.

Tijd kopen om de crisis uit te stellen

Daarmee is echter ook de basis voor het stilzwijgend pact tussen Arbeid en Kapitaal verdwenen. Dit stelt voor het kapitalisme zowel een probleem op het gebied van legitimiteit als van functionering. Het kapitalistisch systeem heeft daarop een voorlopig antwoord gevonden, maar het is volgens Streeck ‘gekochte tijd’, uitstel van een onvermijdelijke crisis. Streeck onderscheidt in dit kopen van tijd drie episodes, die alle drie te maken hebben met het financiële systeem. Er was eerst de inflatie: in West-Europa ging die in stijgende lijn vanaf begin jaren 70, bereikte toppen van 10% om tegen 1985 naar 2 à 3% terug te keren. Als prijzen en (nominale) lonen stijgen zijn we gemakkelijk het slachtoffer van de ‘geldillusie’. De koopkracht verhoogt niet echt, maar men brengt meer franken of guldens naar huis. Dit kan genoeg zijn om er de sociale vrede mee af te kopen. In een tweede fase steeg de staatsschuld zienderogen. De legers werklozen moesten in leven gehouden worden, met werkloosheidsuitkeringen, overheidsbestedingen of gesubsidieerde banen. In een derde fase is het de voortschrijdende private schuld die de dreigende onhoudbaarheid van het systeem moet tegenhouden. De risicovolle hypothecaire leningen in de Verenigde Staten (‘subprime’) zijn er het voorbeeld van. Het gaat steeds om het afkopen van de sociale vrede met geld dat in de toekomst nog verworven moet worden; het gaat om gekaufte Zeit.

 

Belastingsstaat, schuldenstaat, consolidatiestaat

Wat de rol van de Staat onder het laatkapitalisme betreft ziet Streeck ook drie periodes (niet gelijklopend met de net genoemde drie fasen in het beheer van de naoorlogse economie). Door progressieve belastingen was er tijdens het ‘democratisch kapitalisme’ een aanzienlijke herverdeling; de Staat was een ‘belastingsstaat’. Naarmate de democratie en de herverdeling teruggeschroefd worden stijgt zowel de private als de publieke schuld. Minder belastingen en hogere buying timewerkloosheidsuitgaven doen de staatsschuld stijgen; minder sociale voorzorg en toenemende financialisering zorgen ook voor steeds meer private schuld, culminerend in de Amerikaanse subprime-crisis. Streeck duidt deze evolutie aan als de ‘schuldenstaat’. De onhoudbaarheid ervan blijkt in alle duidelijkheid als er in 2008 een wereldwijde financiële crisis uitbreekt. In Europa 7 wordt deze de aanleiding om voluit te gaan voor het neoliberaal model, en een Staat die zich naar dit model schikt, de ‘consolidatiestaat’. Deze stelt het oordeel van ‘de markten’ boven dat van de burgers, er wordt niet aan politiek maar aan economisch management gedaan.

Streeck gaat gedetailleerd in op de achteruitgang van democratische aspecten in het beheer van de ‘schuldenstaat’ en parallel daarmee de vooruitgang van de consolideringsstaat. Neen, de staatsschuld is niet het gevolg van een zogezegd ‘common pool effect’, het liberale bezwaar tegen gemeenschappelijk bezit (openbare voorzieningen, sociale zekerheid enzovoort) dat een soort door iedereen bevisbare vijver zou zijn die daardoor al vlug leeggevist zou raken. De schuldenstaat is ook niet het gevolg van een ‘teveel’ aan democratie, die aan economisch onhoudbare claims ten onder zou zijn gegaan. Het simpele antwoord is dat de toenemende staatsschuld niet het gevolg is van te veel uitgaven, maar van te weinig inkomsten. Streeck verwijst hierbij naar de Amerikaanse anti-belastingsactivist Grover Norquist en zijn slogan Starving the beast (‘het [belasting-]monster uithongeren”).

Streeck noemt de ‘schuldenstaat’ nog steeds democratisch. Er speelt zich in deze democratische schuldenstaat een strijd af tussen twee groepen, waarvoor hij een eenvoudig sociologisch model geeft. Hij onderscheidt een ‘staatsvolk’ en een ‘marktvolk’; het is niet ver gezocht om dit te vertalen als de oppositie tussen de 1% en de 99%. Dat het marktvolk het haalt, illustreert hij met een citaat van de voormalige voorzitter van de Amerikaanse Fed, Allan Greenspan:

We hebben het geluk dat politieke beslissingen in de Verenigde Staten dank zij de globalisering grotendeels door de wereldwijde markteconomie vervangen werden. Met uitzondering van de nationale veiligheid speelt het nauwelijks een rol wie de volgende president wordt. De wereld wordt door marktkrachten geregeerd.”

 

De politiek van de consolidatiestaat, of het neoliberalisme in Europa

Onder invloed van de financiële en budgettaire crisis zijn we in Europa de overgang aan het meemaken van de schuldenstaat naar de consolidatiestaat, aldus Streeck. De contouren die de Europese consolidatiestaat aanneemt zijn die van een internationaal multilevel-regime. Dat is niet toevallig, zegt Streeck, want door de discussies over globalisering is iedereen zich bewust geworden van het verband tussen internationalisering en dénationalisering enerzijds en liberalisering anderzijds. Maar wie dit al veel vroeger en veel scherper inzag, was de reeds genoemde Friedrich von Hayek. In 1939 publiceert hij een artikel, The Economic Conditions of Interstate Federalism, dat door Streeck wordt samengevat 8. Men staat werkelijk verbluft hoe – 70 jaar vóór sixpack, twopack, Begrotingsverdrag en wat de EU nog meer aan dwangbuizen voortgebracht heeft – hier een uiterst nauwkeurig scenario geschreven werd voor de neoliberalisering van Europa.

 

Friedrich von Hayek

The Economic Conditions of Interstate Federalism (1939)

 

Hayek’s betoog gaat als volgt.
Hij vertrekt van de vraag naar de voorwaarden voor een stabiele internationale vrede. Zijn antwoord: een federatie van staten die naar binnen de conflicten kan oplossen en naar buiten haar veiligheid kan verdedigen. Er moet dus een centrale regering van de federatie zijn die op zijn minst defensie en buitenlandse politiek als bevoegdheid heeft. Maar men heeft het nog nooit meegemaakt dat een regering bevoegd is voor defensie en buitenlands beleid, en niet voor het economische. Want waren er verschillende economische ordes binnen de federatie, dan zouden de conflicten volgens nationale lijnen verlopen. Maar voor een stabiele regime moeten de conflicten volgens wisselende coalities verlopen. Bijgevolg moet de federatie aan twee voorwaarden voldoen:

1. Er moet een eenheidsmarkt zijn zonder interne tol en met vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal. De economische bevoegdheid van de deelstaten kan slechts zeer beperkt zijn, anders zouden ingrepen om de nationale economie te bevorderen te grote gevolgen hebben voor de federatie. Om die reden is ook een eigen monetaire politiek moeilijk denkbaar. En door de onderlinge economische concurrentie tussen de lidstaten zal al te sterke regulering vanzelf uitgesloten worden (“zelfs de beperking van de kinderarbeid”, voegt Hayek er aan toe). Idem voor hoge belastingen en de macht van monopolistische organisaties als vakbonden of kartels.

2. De macht om in de markt in te grijpen wordt dus grotendeels aan de deelstaten onttrokken. Maar het mag ook niet de bedoeling zijn dat de centrale regering die dan wel opneemt. De bevoegdheid om in te grijpen moet dus verdwijnen. De federatie zal dus een beperkte regering hebben. Dat ze veel in de markt zou ingrijpen is ook onwaarschijnlijk want in de federatie zijn er veel meer belangen dan in een nationale staat, het gemeenschapsgevoel is er kleiner, en dat verhindert solidariteitsverbanden. Dat maakt het moeilijker om bijvoorbeeld de arbeidstijd te beperken, of een verplichte werkloosheidsverzekering op te leggen.

Een federatie betekent dus noodzakelijk liberalisering, want marktingrijpen door een nationale regering zou de federatie verstoren, en dat de federatie een economische politiek zou opleggen zou moeilijk aanvaard worden in de lidstaten. Om die reden is socialistische planning in de federatie ook uitgesloten. De op die manier tot stand gebrachte internationale democratie is als gevolg daarvan bescheiden van opzet, maar daardoor mengt ze zich ook niet in de vrijheid van het individu en staat ze borg voor vrede. Liberalisme overwint socialisme en nationalisme.

 

Men kan zeker tegenwerpen dat het niet helemaal verlopen is zoals Hayek het zich voorstelde; de buitenlandse en militaire politiek bijvoorbeeld komt laatst en niet eerst aan de orde. En zoals Streeck opmerkt, de Europese integratie ging aanvankelijk uit van een model van gemengde economie. Maar er zit een interne logica in het Hayek-schema dat meer is dan wishful thinking. Men zou kunnen zeggen dat deze logica alleen wachtte op gunstige historische omstandigheden om zich volop te ontwikkelen.
In Brussel zijn er tal van gebouwen en pleinen genoemd naar ‘vaders van Europa’ : Schuman, Spaak, Monnet en zoveel andere, maar een Hayek-gebouw is er niet. Is dit niet ondankbaar tegenover deze grote visionair van het neoliberaal Europa? Of zou het wat te compromitterend zijn? Men moet zich in ieder geval afvragen of al die vaders van Europa geen weet gehad zouden hebben van de geschriften en visies van deze vooraanstaande intellectueel, wiens The Road to Serfdom (1944) een bestseller was en bleef bij alle tegenstanders van de welvaartstaat.

 

Regionale groeiprogramma’s

Streeck is een socioloog, maar ook goed thuis in economische, financiële en monetaire onderwerpen. Hij weet om te gaan met cijfers en statistieken. Zijn beschouwingen over economische integratie in Europa zijn dan ook het lezen waard. Ze gaan in tegen de Europese officiële leer dat deelname aan de EU van landen met zeer verschillend economische infrastructuur vlug tot convergentie zal leiden. Hij maakt een vergelijking tussen de pogingen tot convergentie binnen nationale Staten met grote economische verschillen (Italië met zijn economisch onderontwikkeld Zuiden, de Mezzogiorno, of West-Duitsland sinds de eenmaking met het Oosten) en de zeer beperkte transfer die binnen de EU plaats heeft in het kader van regionale steunprogramma’s.

Veronderstel dat drie rijke staten: Duitsland, Frankrijk en Nederland, dezelfde rol willen spelen tegenover het armere drietal uit Zuid-Europa, Spanje, Portugal en Griekenland, als West-Duitsland tegenover het armere Oost-Duitsland sinds de hereniging. Het gemiddeld inkomen per hoofd van het armere trio is 66% van dat in de drie rijke landen, niet erg verschillend van dat in Oost-Duitsland tegenover West-Duitsland (73% in 2010). Hun bevolking bedraagt 41% van die van de drie genoemde rijke landen. Die van het vroegere oosten van Duitsland was ongeveer een kwart (25%) van die van het rijkere Westen . Als ik dit nareken zou het rijke EU-trio een inspanning moeten doen naar het armere trio die 80% hoger is dan die van West-Duitsland ten opzichte van Oost-Duitsland.

Maar de jaarlijkse transfer van West naar Oost in Duitsland bedraagt 3 à 4% van het BBP (terwijl de verschillen in levensstandaard en lonen na twintig jaar nog steeds zeer aanzienlijk zijn). Een schatting is dat het 55 jaar zal duren alvorens Oost-Duitsland aan 90% van het inkomen per hoofd van West-Duitsland komt 9. Het zelfde inhaalmanoeuvre door het armere Zuid-Europese trio door transfers vanuit het noordelijke zou onder gelijkaardige voorwaarden dus 99 jaar duren (80% meer dan 55 jaar). Maar het hele Europese budget is momenteel slechts een goede 1% van het BBP. Het rijke trio zou dus zijn nog veel grotere inspanningen moeten leveren om in de loop van een eeuw ook maar in de buurt van een convergentie te komen.
Maar zelfs dit is een rooskleurig scenario, omdat de uitbreiding met de ex-Oostbloklanden een aantal nieuwe lidstaten toevoegde (Bulgarije, Roemenië …) met nog veel slechtere startvoorwaarden. Men kan hier slechts één conclusie uit trekken: de enorme welvaartverschillen binnen de EU zullen er nog veel jaren zijn. Dat houdt ook in dat bedrijven nog zeer lang zullen kunnen inspelen op de enorme loonsverschillen tussen diverse regio’s in Europa. Voor de ever closer union among the peoples of Europe hoevenze op dat vlak nog niet te vrezen…

 

Wat te doen?

Streeck houdt het niet bij de sociologische interpretaties en economische bespiegelingen van wat er aan de hand is in de EU, maar geeft ook zijn visie op hoe er gereageerd moet worden op deze kwalijke tendensen. Hij doet dat niet zozeer in politieke termen links versus rechts, maar eerder als socioloog die in navolging van Karl Polanyi 10 overtuigd is van de onleefbaarheid van een samenleving die door de markt Gekaufte Zeitbeheerst wordt.

Zoals te verwachten door zijn beschouwingen over het antagonisme tussen kapitalisme en democratie, gaat Streeck natuurlijk in op de democratische gebreken van de Europese Unie. Maar hij koestert geen illusies in het wegwerken van het democratisch ‘deficit’ door enkele institutionele ingrepen, en hij waarschuwt naïeve hervormingsgezinden dat speculeren over wat theoretisch mogelijk is, kan eindigen in een bodemloos vat. Een democratisch project is voor Streeck ook iets heel anders dan de verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie of de Europese Raad. Een democratisch project moet uitgaan van beschouwingen over de relatie tussen democratie en neoliberalisme, of zelfs tussen democratie en kapitalisme.

In verband met een democratisch project voor Europa neemt Streeck een helder standpunt in over het soort eenheid dat nagestreefd kan worden. Zijn standpunt wijkt af van wat bij de debatten over Griekenland soms als ‘links europeanisme’ wordt aangeduid. Volgens mij gaat het over een uiterst belangrijke kwestie, en is Gekochte Tijd alleen al om die reden een belangrijke bijdrage in het Europees debat. Een democratisch project moet voor Streeck een antwoord bieden op de grote verscheidenheid aan economieën en levenswijzen in Europa, “die zich niet zonder geweld in een gemeenschappelijke sociale en politieke ordening laten duwen.(…) Democratie in Europa kan geen institutioneel homogeniseringsproject zijn. In tegenstelling tot het neoliberalisme kan en mag een democratisch project zich niet onttrekken aan de moeilijke opgave om een plaats te geven aan de historisch gegroeide nationale verschillen tussen de Europese volkeren, en ook binnen de staten. (…). Men kan zich in het reëel bestaande Europa geen unitaire jakobijnse grondwet voor een Europese Staat voorstellen.” Democratische grondrechten kunnen niet zonder autonomierechten.

Streeck wijst ook op de rol van de factor tijd . Deze is inderdaad moeilijk terug te vinden in de argumentatie van het links-europeanisme, dat hoopt op een gunstiger conjunctuur, ergens in een onbepaalde toekomst, waarbij meerdere linkse regeringen aan de macht komen of de sociale bewegingen een permanente opmars kennen en een gesynchroniseerde aanval kunnen inzetten tegen het EU-regime. Wat in afwachting daarvan moet gebeuren is niet duidelijk. In mijn bespreking van Que faire de l’Europe 11 maakte ik ook een bedenking over de factor tijd daarin: “Een geloofwaardige uitbreidingstrategie zou ook een tijdskader moeten schetsen waarin een en ander mogelijk geacht wordt. Nu komt de formule “ongehoorzaam zijn aan de verdragen om Europa te herstichten” over als een weliswaar grootmoedige gedachte, maar niet als een haalbare strategie.” Streeck wijst erop dat democratisering een langdurig proces is, en dat ook het neoliberaal project tientallen jaren in beslag nam. De sociale differentiëring in Europa zal nog voor lange tijd een economische differentiëring betekenen. Ook Hayek vergiste zich in het tijdskader. Hij dacht dat de verschillende nationale gemeenschappen zich goedschiks naar de liberale orde zouden plooien; “de reden voor zijn fout was misschien dat hij in de mens alleen de homo oeconomicus zag”, stelt Streeck. In ieder geval zou een linkse strategie ook een antwoord moeten hebben op de niet-synchroon verlopende strijd in de diverse lidstaten van Europa, de vraag wat je doet in een Griekse (weldra Portugese ?) situatie, ook al heeft het uur van de Europse opstand niet geslagen.

 

En de euro?

Bij Streeck vindt men niet de enorme terughoudendheid terug voor een eventuele terugtrekking uit de Europese eenheidsmunt zoals men die bij een groot deel van de Europese linkerzijde aantreft. De term ‘links europeanisme’ gebruikt hij niet, maar impliciet kan men die er gemakkelijk bij denken. Bij herhaling wijst hij op het nut van de mogelijkheid van de devaluatie van een nationale munt, als antwoord op de ongelijke voorwaarden in de verschillende landen, waarbij hij expliciet het doemscenario afwijst van een devaluatiespiraal, zoals bijvoorbeeld geschetst in het reeds genoemde Que faire de l’Europe. Van het argument van de euro als schild tegen speculatie laat hij niets heel, en verwijst daarbij naar Europese landen zonder de euro, zoals Denemarken, Zweden of Groot-Brittannië. En over de euro als schild tegen de globalisering schrijft hij: “Wie globalisering afwijst omdat deze de wereld op uniforme wijze aan de wetten van de markt onderwerpt, kan niet aan een euro willen blijven vasthouden die precies dát met Europa doet.” Wat wel genade vindt in zijn ogen is een vorm van lossere koppeling tussen nationale munten, iets in de trant van Keynes’ bancor 12.

Streeck is er zich goed van bewust dat zijn opvattingen door sommigen als ‘nationalistisch’ bestempeld zullen worden. In de laatste paragrafen van het boek gaat hij daar uitdrukkelijk tegen in. Bij de verdediging van een democratisch ontwikkelingsproject voor Europa kan het niet de bedoeling zijn de nationale staat op te heffen. Integendeel, wat ervan overgebleven is moet provisorisch aangewend worden om de neoliberalisering tegen te houden, aldus Streeck. Hij richt zich expliciet tot Jürgen Habermas 13:”Een strategie die hoopt op een postnationale democratie als functionalistisch gevolg van de kapitalistische ontwikkeling speelt onder de huidige omstandigheden alleen de maatschappijingenieurs van een zelfregulerend globaal marktkapitalisme in de kaart.” Streeck stelt in dit verband ook dat het hayekiaans marktliberalisme een groter gevaar is dan het nationalisme.

 

Eindbeschouwing

Streecks sociologische doorlichting van de opgang van het neoliberalisme en de rol van de Europese Unie daarin is op veel punten verhelderend en door zijn eenvoudig taalgebruik voor velen toegankelijk. Nog belangrijker echter vind ik zijn overwegingen over de aan te nemen strategie in de strijd tegen de Europese ‘consolidatiestaat’. Provisorisch gebruik maken van de mogelijkheden van de nationale staat, zonder apriori’s de uittrede uit de euro overwegen, zich duidelijk de tijdschaal waarin maatschappelijke processen zich afspelen in het hoofd prenten, zijn dat geen tastbaardere uitgangspunten voor een succesvolle strijd dan “ongehoorzaam zijn aan de verdragen”? Radicale doelstellingen sluiten een goede dosis pragmatisme niet uit, integendeel. Dergelijk pragmatisme blijkt uit de laatste zin van Streecks boek, waarmee we ook deze bespreking afsluiten:

“Wanneer de historisch gegroeide verschillen tussen de Europese volkeren te groot zijn om in afzienbare tijd in een gemeenschappelijke democratie geïntegreerd worden, dan kunnen de instellingen die de uitdrukking zijn van deze verschillen mogelijkerwijze als tweede beste oplossing dienen, als remschijven op de steil dalende weg naar de Staat van de eenheidsmarkt zonder democratie. En zolang de eerste beste oplossing er niet echt een is, wordt de tweede beste de eerste beste.”

Voetnoten

  1. “Gekaufte Zeit, Die vertagte Krise des demokratischen Kapitalismus” , Suhrkamp.
  2. “Buying Time: The Delayed Crisis of Democratic Capitalism”, Verso.
  3. “Du temps acheté. La crise sans cesse ajournée du capitalisme démocratique”, Gallimard.
  4. “Gekochte tijd, de uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme” , Leesmagazijn.
  5. Enkele recensies in het Nederlands: Geert Van Istendael in MO, http://www.mo.be/artikel/een-moeilijke-duitse-professor-doktor, Mia Molenaar op Lang Leve Europa, http://langleveeuropa.nl/2015/04/gekochte-tijd-wolfgang-streeck-over-de-trucs-van-de-neoliberale-revolutie/,  Eduard van Scheltinga bij Leesmagazijn, https://leesmagazijn.wordpress.com/2015/07/25/fundamentele-spanning-tussen-kapitalisme-en-democratie-in-spanning-april-2015-eduard-van-scheltinga/, een interview met Streeck in de Volkskrant,http://www.volkskrant.nl/archief/een-hele-generatie-gaat-het-moeras-in~a3491356/ …
  6. W. Streeck, How will Capitalism end ? New Left Review, mei-juni 2014,.
  7. Streeck maakt niet steeds duidelijk welke evoluties hij als universeel beschouwt, en welke vooral in de Europese Unie plaatsvinden.
  8. Het loont de moeite de 17 korte heldere bladzijden van dit geschrift uit 1939 eens door te nemen. Overwin uw afkeer, surf naar de website van het ultraliberale, ‘libertaire’ von Mises Institute. U kunt er werken downloaden als “Leftism: From de Sade and Marx to Hitler and Marcuse” maar we houden het hier bij Individualism and Economic Order, en meer bepaald de pagina’s 255-272 met Hayeks blauwdruk voor de Europese Unie.
  9. K. Blessing, Die Schulden des Westens, Was hat die DDR zum Wohlstand der BRD beigetragen? Berlin, Uitg. Ost, 2010.
  10. Karl Polanyi, The Great Transformation (1944).
  11. Zie Een punt achter de eenheidsmunt? pagina 32. Que faire de l’Europe is een uitgave (2014) van het Franse Attac enFondation Copernic.
  12. Een gelijkaardig voorstel vindt men in de ‘gemeenschappelijke munt’ van Frédéric-Lordon, die ik beknopt voorstelde in Een punt achter de eenheidsmunt?
  13. Habermas, vooraanstaand Duits filosoof en socioloog van sociaaldemocratische signatuur, groot pleitbezorger van de Europese integratie (bijvoorbeeld ook voor de Europese grondwet van 2005) maar steeds kritischer sinds het optreden van de Trojka en de Duitse opstelling tegenover Griekenland.
Druk dit bericht af Druk dit bericht af

Reacties plaatsen niet mogelijk