Facebook

Het Europees defensieagentschap: waar bedrijfsleiders vriend aan huis zijn

6 april 2013

Verschenen op Vredesactie,  21 maart 2013

Onder de titel ‘European Defence Matters’ organiseerde het Europees Defensieagentschap (EDA) op 21 maart een jaarlijkse conferentie [1]. Tijdens verschillende lezingen en panelgesprekken lieten Europese toppolitici en -militairen hun licht schijnen op militaire samenwerking in Europa. Onder meer Herman Van Rompuy, Catherine Ashton maar ook minister van defensie Pieter De Crem deden hun zeg. Opmerkelijk: de conferentie was strikt voorbehouden aan genodigden. Ook journalisten werden op voorhand geselecteerd. Pottenkijkers zijn blijkbaar niet welkom. De CEOs van Europese defensiebedrijven EADS en Dassault kregen dan weer een prominente rol. Vredesactie hekelt de innige relatie van de Europese beleidsmakers met de defensie-industrie. Een defensie- en veiligheidsbeleid dat gereduceerd wordt tot een stimuleringsbeleid van de defensie-industrie is die naam niet waardig.

Het EDA is opgericht in 2004, volledig volgens de lijnen van de voorstellen uit de defensie-industrie [2]. Javier Solana, de toenmalige hoge vertegenwoordiger van het buitenlands beleid van de EU, stelde boudweg dat het belangrijkste doel van EDA is om Europa “meer, beter en meer samen te doen spenderen” aan bewapening [3]. Meer spenderen is er in tijden van besparingen niet meer bij, maar het valt op dat in vergelijking met andere overheidsuitgaven, op defensie relatief minder wordt bezuinigd. Het stimuleren van de Europese defensie-industrie is expliciet deel van de opdracht van EDA [4]. In dat opzicht is het niet verwonderlijk dat de bedrijfswereld zo prominent aanwezig is op haar jaarlijkse conferentie.

Het minste wat je hiervan kan zeggen is dat dit een wrange smaak nalaat. Er is namelijk geen enkele reden om aan te nemen dat een bloeiende defensie- en veiligheidsindustrie leidt tot een veiligere wereld. Integendeel zelfs. Om een recent voorbeeld te geven: tot in 2012 (er waren toen al duizenden doden gevallen) deed het Italiaanse defensiebedrijf Finmeccanica zaken met de Syrische president Assad [5]. Ongetwijfeld goed voor de portemonnee van Finmeccanica, maar geen kat die gelooft dat Syrië er veiliger door werd. Er is veel fantasie nodig om te geloven dat een veiligheids- en defensiebeleid dat zich laat leiden door de particuliere belangen van de defensiesector het publieke belang dient.

Een effectief veiligheids- en defensiebeleid is ingebed in een visie op buitenlands beleid, maar hier wringt het schoentje. Er is immers amper sprake van een gemeenschappelijk buitenlands Europees beleid. In een recent rapport in opdracht van het Europees Parlement legden onderzoekers van de KULeuven de vinger nogmaals op de wonde: niet alleen willen de Europese lidstaten de touwtjes in handen houden, ook verschillende Europese instellingen werken op z’n zachtst gezegd niet goed samen [6]. Bij gebrek aan een buitenlands beleid richt het defensiebeleid zich dan maar op de defensie- en veiligheidsindustrie. Voor die industrie is het namelijk heel duidelijk wat het beleid moet doen: de Europese spelers op alle mogelijke manieren ondersteunen zodat ze de wereldwijde concurrentie aankunnen met hun, voornamelijk Amerikaanse, tegenhangers. Tom Enders, CEO van het defensiebedrijf EADS wond er op de EDA-conferentie alvast geen doekjes om: “We need real tangible action and money”.

Europees president Herman Van Rompuy is in zijn toespraak op de EDA-conferentie duidelijk over waar dat geld zoal vandaan kan komen. Hij stelt de volgende retorische vraag: “While civilian money needs to be used for civilian purposes, can we reap the benefits of research for dual use?” Vrij vertaald:
Hoe kunnen de defensie-bedrijven meesnoepen van geld dat eigenlijk voor civiele doeleinden bestemd is. Hier horen we de echo van een discussie over Horizon 2020, het nieuwe Europese financieringsprogramma voor wetenschappelijk en technologisch onderzoek. In het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie staat dat wetenschappelijk onderzoek gefinancierd met middelen van de Europese Unie louter civiele doeleinden mag hebben. Dat zinnetje is een doorn in het oog van de defensie-industrie en haar medestanders in de Europese instellingen. Verschillende leden van het Europees parlement zouden dit zinnetje dan ook liefst zien verdwijnen en integendeel een budget 200 tot 300 miljoen euro expliciet naar defensie-onderzoek zien gaan [7].

Een Europees veiligheids- en defensiebeleid dat gereduceerd wordt tot een stimuleringsbeleid van een industriële sector is die naam niet waardig. Dit is het gevolg van het gebrek aan visie op een gemeenschappelijk buitenlands beleid in combinatie met een disproportioneel grote invloed van de defensie-industrie op de Europese instellingen.


[1] Het programma van de conferentie: http://www.eda.europa.eu/info-hub/news/2013/01/30/eda-annual-conference-2013

[2]Slijper, Frank (2005): The emerging EU Military-Industrial Complex. Arms industry lobbying in Brussels. Amsterdam: TNI / Dutch Campaign Against Arms Trade, p. 5-11. http://blog.brusselsbubble.eu/2008/12/silent-bubble.html;

[3] http://euobserver.com/9/25174/?rk=1

[4] Zie de 4e functie van EDA is “creating a competitive European Defence Equipment Market and strengthening the European Defence, Technological and Industrial Base. ” http://www.eda.europa.eu/Aboutus/Whatwedo/Missionandfunctions

[5] Enablers of the Syrian Conflict. How Targeting Third Parties Can Slow the Atrocities in Syria, maart 2013. Human Rights First. http://www.humanrightsfirst.org/wp-content/uploads/HRF-Syria-case-study.pdf

[6] ‘Er is geen esprit de corps in Brussel. De Europese diplomatie doorgelicht’ Knack, 13 maart 2013. Het oorspronkelijke rapport: http://www.europarl.europa.eu/committees/en/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=90650

[7] http://europeangreens.eu/athens2012/dont_use_EU_budget_for_defence_research

Reacties plaatsen niet mogelijk