Facebook

De financiële crisis en de Europese Unie

5 juni 2011

door Frank Slegers (Ander Europa)
verschenen in Uitpers nr. 123, september 2010

De financiële crisis in de eurozone lijkt tijdelijk weggeëbd. De perifere landen van de eurozone vonden in de zomer probleemloos nieuwe leningen op de geldmarkten, en de stresstest van de Europese banken haalde ook daar de druk van de ketel. Tijd voor een tussenbalans.

Er zitten twee aspecten aan de “Griekse” crisis van de euro: enerzijds is het een nieuwe etappe van de mondiale schuldencrisis van het kapitalisme, die in september 2008 met de val van Lehman Brothers al keihard toesloeg. Maar het is ook een specifiek Europese crisis.Een nieuwe etappe

De crisis die in april en mei 2010 de eurozone op haar grondvesten deed daveren is een schakel in de wereldwijde crisis van een economie die drijft op schulden. Die schuldenzee is op haar beurt een gevolg van de averechtse herverdeling onder het neoliberalisme: groei was de afgelopen decennia maar mogelijk door de weggevallen koopkracht van de werknemers te vervangen door kredieten, waarbij steeds minder gekeken werd naar de capaciteit van de kredietnemers om deze kredieten ook terug te betalen. Rommelkredieten en financiële zeepbellen hielden de economische motor draaiend.

Ook de Europese economie werd een schuldeneconomie. Deze ontwikkeling is nauw verbonden met een andere scheefgroei in de Europese economie. Tot het onlangs werd voorbijgestoken door China was Duitsland de wereldkampioen export, en een groot deel van deze export werd afgezet binnen de Europese Unie. Duitsland heeft al jaren een groot overschot op zijn handelsbalans, waar per definitie een negatieve handelsbalans van de importerende landen tegenover staat: de vermaledijde zwakke broertjes aan de rand van de eurozone hielden met hun import de Duitse export draaiend. Maar zij moesten het geld ergens vandaan halen om die import te financieren. Dat nam allerlei vormen aan: in Spanje, Ierland en Groot-Brittannië bliezen de banken met hypothecaire kredieten vastgoedzeepbellen en zo kunstmatige koopkracht; Franse en Duitse banken leenden aan consumenten en overheid in de perifere landen van de eurozone, of brachten geld binnen via de financiering van buitenlandse investeringen; Scandinavische en Oostenrijkse banken financierden de speculatieve groei in Centraal- en Oost-Europa… Uit deze opsomming blijkt dat de financiële en economische verstrengeling van Europa groter is dan sommigen afleiden uit de afwezigheid van echte Europese multinationals.

Toen de crisis toesloeg en al deze kredieten minder waard bleken dan hun boekwaarde kwamen de Europese banken snel in de problemen: zij bleken grotere risico’s genomen te hebben dan hun Amerikaanse collega’s, met meer rommelkredieten op hun balans. Ondermeer de Duitse regionale banken van de Länder gingen zwaar uit de bocht. De Europese banken hebben ook een zwakkere kapitaalbasis dan hun Amerikaanse collega’s, wat betekent dat vele van hun (al dan niet speculatieve) investeringen gefinancierd zijn door geld dat zij zelf op hun beurt elders hebben geleend.

Europa

De financiële crisis in de eurozone is nauw verstrengeld met de institutionele structuur van de Europese Unie. Je kunt de crisis van de Griekse overheidsfinanciën niet zomaar op één lijn stellen met wat bijvoorbeeld enkele jaren eerder gebeurde in Argentinië. Dit wordt in veel analyses verwaarloosd. Het bijzondere lijkt voor vele commentatoren niet veel verder te gaan dan dat de crisis nu dichter bij huis is, “bij ons” in Europa. En soms voegt men er aan toe dat de Grieken zich niet uit de crisis kunnen devalueren omwille van de euro.

Dikwijls gaat de analyse niet verder. Daarom wordt ook maar zelden nagedacht over de strategie die in de Europese Unie moet worden gevolgd. Men komt niet veel verder dan “allemaal samen”, wat dan vooral chronologisch wordt ingevuld (allemaal op hetzelfde ogenblik), of via een parallellisme in de ordewoorden.

Maar het concrete verloop van de financiële crisis in de eurozone is eng verbonden met de institutionele structuur van de Europese Unie. We kunnen dat illustreren aan de hand van twee voorbeelden.

De crisis in Griekenland werd mee op gang gebracht door de Europese Centrale Bank (ECB): die liet er twijfel over bestaan of banken nog leningen bij de ECB zouden krijgen met Griekse overheidsobligaties als onderpand, meer bepaald indien de internationale ratingagentschappen Grieks overheidspapier verder zouden downgraden. Zo wakkerde de ECB zelf de speculatie aan. Vreemd is dit niet, want per slot van rekening hangt de ECB dezelfde neoliberale doctrine aan als de speculanten! Indien de ECB zich echter vanaf het begin ondubbelzinnig borg had gesteld voor Grieks overheidspapier was er van gans de speculatiegolf geen sprake geweest. De Griekse overheid was dus vanaf het begin afhankelijk van het beleid van de ECB, waar zij echter geen greep op heeft.

Met de euro zijn de krachtsverhoudingen tussen de lidstaten en de grote financiële instellingen grondig veranderd. Het lijkt eeuwen geleden dat de Nederlandse overheid haar werking financierde met leningen in guldens bij Nederlandse banken: toen moesten Nederlandse banken twee keer nadenken voor zij de Nederlandse overheidsfinanciën onder vuur  namen, als zij daar al zin in hadden. Met de euro is die verhouding totaal veranderd. Enkel een instelling als de ECB heeft de vuurkracht om de financiële markten te counteren. Maar daar hebben de regeringen van de zwakkere broertjes in de Europese Unie weinig of niets in de pap te brokkelen.

Het tweede voorbeeld is het noodfonds “van 750 miljard euro” dat de Europese Unie in mei uiteindelijk oprichtte om landen van de eurozone in moeilijkheden bij te staan: dit initiatief volstond om de speculatiegolven af te blokken. Ook dit voorbeeld illustreert hoe afhankelijk de landen van de eurozone geworden zijn van wat er beslist wordt op Europees niveau, in dit geval door de Europese Raad.

Bij dit verhaal hoort een kanttekening. Vele commentatoren steken een beschuldigende vinger uit naar Duitsland. Dat zou sinds de hereniging al te veel aan zelfvertrouwen gewonnen hebben, en onder Merkel een egoïstische “on-Europese” koers volgen. Het beleid van Merkel wordt dan negatief vergeleken met dat van haar “politieke vader” Helmut Kohl. De hidden agenda van deze beschuldigingen is de Europese Unie op deze manier uit de wind te zetten: het is de schuld van de Duitsers, en om de Duitsers te counteren moet Europa worden versterkt. In dit verhaal wordt uit het oog verloren dat Duitsland haar rol maar kan spelen precies door het bestaan van de Europese Unie. De Europese Unie is een gelaagde staatsstructuur, waar de lidstaten deel van uitmaken. Het beleid van de Europese Unie en dat van de lidstaten scheiden is een vorm van politieke fictie.

De euro

De euro, amper een decennium oud, is een gemeenschappelijke munt van de 16 lidstaten van de eurozone, zodat niet één centrale politieke overheid borg staat voor de euro zoals dat voor andere munten in de regel het geval is. Die rol van borg wordt opgenomen door de Europese Centrale Bank, ingebed in het systeem van centrale banken van de eurozone. De ECB heeft als opdracht de stabiliteit van de euro te waarborgen, door de jaarlijkse inflatie of muntontwaarding onder de 2% te houden.

Tot aan het uitbreken van de crisis was de opdracht van de ECB tot het bewaken van de stabiliteit van de euro beperkt. Dit ligt vast in de Europese Verdragen. De ECB heeft dus geen andere opdrachten die normaal behoren tot de taak van een centrale bank: de stabiliteit waarborgen van het financiële systeem (banken, verzekeringen, beurzen); de politieke overheid bijstaan in het beheer van de openbare financiën (bijvoorbeeld door in te schrijven op overheidsobligaties); de economische conjunctuur stimuleren (bijvoorbeeld door liquiditeiten in de markt te pompen). Zo verschilt de ECB grondig van de Federal Reserve in de VS of van de Bank of England.

De eenzijdige focus van de ECB op muntstabiliteit wordt gewaarborgd door haar onafhankelijkheid. Die waarborgt dat zij zich in de strijd tegen de inflatie onder politieke druk niet laat afleiden door andere bekommernissen, zoals de economische conjunctuur, de strijd tegen de werkloosheid, de stabiliteit van het financiële systeem,… Dit sluit naadloos aan bij de neoliberale structuur van de Europese Unie zoals die is vastgelegd in de verdragen. Het monetaire beleid is er aan elke democratische controle onttrokken.

Het doemscenario

Waarom was de Griekse crisis een gevaar voor de euro? Het doemscenario dat de Europese leiders uit hun slaap hield ging als volgt.

In Griekenland dreigde een staken van betalen of, wat op hetzelfde neerkomt, een schuldherschikking: sommige schulden worden later dan afgesproken terug betaald, en andere maar gedeeltelijk, of helemaal niet. Dergelijk Griekse overheidsfalen zou een belangrijk precedent vormen: als blijkt dat een land binnen de eurozone failliet kan gaan komen andere landen met wankele overheidsfinanciën, zoals Portugal en Spanje, snel in het vizier van de speculanten.

Die kettingreactie van schuldherschikkingen zou op zijn beurt een ramp vormen voor Europese banken die veel overheidsobligaties in portefeuille hebben. Gelet op hun toch al smalle kapitaalsbasis en hun portefeuille gevuld met rommelkredieten, zouden vele financiële instellingen in Europa over de kop gaan als ook hun investeringen in overheidspapier waardeloos blijken. Het lijkt een paradox: de stabiliteit van financiële instellingen bedreigd door het ageren van de financiële markten…

Dat zou op zijn beurt een enorme druk uitoefenen op de euro. Zowel de overheidsobligaties in de eurozone als de financiële producten van Europese financiële instellingen zijn in de regel uitgeschreven in euro’s. We zouden dus een massale vlucht uit de euro krijgen, de koers van de euro zou kelderen, en nog meer financiële spelers zouden hun euro’s van de hand doen.

Hierin speelt ook een politieke factor. Indien de Europese instellingen niet in staat blijken het falen van een lidstaat van de eurozone te vermijden rijst de vraag of zij wel in staat zijn de koers van de euro te waarborgen. Uiteraard kiezen de financiële markten dan het zekere, lees de dollar of goud of desnoods een Picasso, voor het onzekere. Het lange aarzelen van de Europese leiders heeft de koers van de euro verzwakt. Vandaar dat vele commentatoren een link leggen tussen de crisis van de euro en het zwakke bestuur binnen de EU: zowat elke belangrijke beslissing vereist het akkoord van 27 lidstaten die elkaar onregelmatig ontmoeten op chaotische vergaderingen in Brussel.

Indien de euro aan het zwalpen gaat is het niet uitgesloten dat landen uit de euro stappen, te beginnen met Duitsland. Het verdwijnen van de euro zou op zijn beurt een fatale klap kunnen betekenen voor de Europese eenheidsmarkt: wanneer landen elkaar kunnen beconcurreren met competitieve devaluaties is het niet meer duidelijk waarom zij zonder meer hun grenzen zouden openstellen voor producten en kapitaal uit andere landen.

Sociale oorlog

De dreiging van dit doemscenario heeft de Europese leiders uiteindelijk overtuigd tot handelen, en in mei werd een Europees noodfonds opgericht om noodlijdende landen in de eurozone zo nodig met leningen bij te staan. Dit bleek uiteindelijk voldoende om de speculatieve aanvallen op de perifere landen van de eurozone voorlopig tot stilstand te brengen.

In een aantal verhalen wordt dit beschreven als een voorlopige overwinning van de staten op de financiële markten. Kan je de crisis van de afgelopen maanden echter beschrijven als een confrontatie tussen staten en financiële markten, waarbij in een eerste fase de staten niet meer opgewassen bleken tegen het financiële geweld? Wordt de overheid zo niet te veel gezien als een instantie die los staat van de financiële machten? Waarom immers onderging Griekenland zo gewillig de speculatieve aanvallen, in plaats van zoals elke schuldenaar in moeilijkheden een staking van betalen af te kondigen, waardoor de financiële instellingen hun vingers zouden verbranden aan hun speculatieve aanvallen? Waarom ging de Europese Raad pas tot de actie over toen de Europese banken aan het wankelen gingen? Toen de politieke ingreep nodig was om de financiële markten tegen zichzelf te beschermen…

De oprichting van het noodfonds ging gepaard met een oorlogsverklaring aan de sociale rechten van de werknemers. Zonder de minste scrupule gebruikten de Europese leiders de speculatieve aanvallen om harde antisociale maatregelen door te drijven: enkel wie aan deze eisen voldeed kon op Europese solidariteit rekenen.

Dit Europees beleid oogstte veel kritiek, en stond haaks op het beleid dat enkele weken daarvoor nog common sense was onder Europese leiders. Niet alleen economisten en vakbondsleiders, maar ook de Amerikaanse regering opperden de vrees dat deze harde bezuinigingen tot een nieuwe economische recessie zouden leiden, en zo de sanering van de overheidsfinanciën alleen maar bemoeilijken.

Je kunt je inderdaad afvragen wat de Europese leiders bezielt. Het oprichten van het noodfonds had volstaan om de speculatieve aanvallen tegen landen als Griekenland, Portugal of Spanje af te slaan, en de nodige tijd te winnen om de sanering van de overheidsfinanciën op een meer geleidelijke manier aan te pakken. Waarom was deze brutale antisociale schok nodig?

Een eerste uitleg is dat de Europese banken moesten gered worden. Een drastische aanpak van de overheidsfinanciën in de perifere landen moet garanderen dat de Europese banken geen waardeverliezen boeken op de overheidspapieren die zij in portefeuille hebben. Gelet op de onzekerheid van allerlei andere uitstaande leningen…

De tweede uitleg is dat de Europese leiders van de crisis gebruik willen maken om definitief komaf te maken met de verworvenheden van de naoorlogse welvaartstaat, die nog steeds een belangrijke handicap vormt in de wereldwijde concurrentie. Dat daarmee een domper gezet wordt op de vraag in de schoot van Europa zelf wordt er bijgenomen: dank zij de gewonnen concurrentiekracht de groei in Europa ophangen aan de export naar de rest van de wereld. Of met andere woorden: het Duitse groeimodel veralgemenen tot de rest van Europa.

Een keerpunt in mei?

De instelling in mei van het noodfonds is een echte primeur. De technische en juridische afspraken rond dit fonds zijn weliswaar nog niet helemaal rond, en Duitsland heeft verworven dat voor elke afzonderlijke ingreep een akkoord van elke lidstaat voor zijn aandeel in het noodfonds nodig blijft. Bovendien is de kans reëel dat dit fonds nooit daadwerkelijk tot de actie zal moeten overgaan. Toch heeft de instelling van dit fonds een belangrijke politieke betekenis: het is nu verworven dat de lidstaten van de eurozone tot op zekere hoogte solidair verantwoordelijk zijn voor elkaars overheidsfinanciën. Dit staat haaks op de geest van de Europese Verdragen.

De Europese verdragen maken elke lidstaat van de eurozone verantwoordelijk voor de eigen overheidsfinanciën: zij staan zelf in voor hun financiering op de financiële markten. De Europese Centrale Bank mag niet rechtstreeks inschrijven op obligaties uitgeschreven door eurolanden, en ook de lidstaten zouden elkaar financieel niet ter hulp mogen schieten, al staat dit laatste niet met zoveel woorden in de Verdragen.

De instelling van het noodfonds heeft deze realiteit politiek allicht onherroepelijk veranderd.

Ook het beleid van de Europese Centrale Bank is onder druk van de crisis sterk veranderd, en dit is misschien nog belangrijker. Zij is sinds de Europese crisistop in mei systematisch obligaties van eurolanden beginnen te kopen, weliswaar op de secundaire markten zodat zij naar de letter de Verdragen respecteert, om op die manier de koers van deze obligaties te ondersteunen en de rentevoet die de regeringen betalen binnen de perken te houden.

In de media wordt het beleid van de ECB dikwijls opgehangen aan de figuur van haar voorzitter, Jean-Claude Trichet. Die is de laatste maanden verschillende keren publiekelijk afgegaan, wat gezien wordt als een teken dat de positie van de bank is verzwakt, en dat haar onafhankelijkheid onder druk staat. Zo hield hij tot enkele dagen voor de crisistop in mei vol dat de ECB geen overheidsobligaties zou kopen. Ook moest hij zijn belofte inslikken dat de ECB geen voorkeurbehandeling zou geven aan Griekse rommelobligaties. Ook met zijn verzet tegen een rol van het IMF in de Griekse crisis beet hij in het zand. Dit alles heeft het prestige van Trichet geen goed gedaan. Op de achtergrond speelt het debat over de plaats en de rol van de ECB in de Europese architectuur.

Het pleidooi voor een gecoördineerd Europees sociaal en economisch beleid ter ondersteuning van de gemeenschappelijke markt en munt lijkt veld te winnen. Symbolisch is het voorstel van een “sociaal-economische regering” voor Europa, die een tegenhanger zou moeten vormen van de ECB. Schijn bedriegt echter.

Een sociaal-economische regering?

De Franse president Nicolas Sarkozy ziet dergelijke regering zo: een regelmatige bijeenkomst van de regeringsleiders van de eurolanden, ondersteund door een apart secretariaat dat ondersteunend moet werken voor het uitwerken van een gemeenschappelijk sociaal en economisch beleid. De Duitse bondskanselier Angela Merkel zag dit echter niet zitten. Zij vreest voor een Europa met twee snelheden, en wil nauwe banden houden met belangrijke niet-eurolanden als Zweden en Polen die veelal op dezelfde lijn zitten als Duitsland. Zij vreest dat dergelijke regering politiek de druk van de ketel gaat halen voor de rechtlijnige toepassing van een strikt begrotingsbeleid.

Zij wil vooral niet weten van een sociaal-economische regering als “tegengewicht” voor de Europese Centrale Bank, die naast de muntstabiliteit andere factoren zou laten wegen in het Europese beleid, zoals de economische conjunctuur en de werkloosheid. Europa moet een open markt blijven waar de lidstaten met elkaar concurreren op loonkosten, innovatie en productiviteit. Deze concurrentie mag niet verstoord worden door monetaire ingrepen of door staten die al te gul met geld strooien.

Opvallend is dat het Verdrag van Lissabon, dat een doorslagje is van de verworpen Europese Grondwet, niets heeft opgelost. Het moest het bestuur van de Europese Unie slagkrachtiger maken, maar het leidt vooral tot oorlogjes tussen de Europese Commissie en de Europese Raad. Toen de crisis een Europees optreden vereiste bleken de nieuwe verdragen weinig steun te bieden. Een aantal maatregelen kon enkel genomen konden worden door de bestaande verdragen te omzeilen, meer bepaald wat betreft de opdrachten van de ECB. Men zoekt in de Verdragen vergeefs naar een juridische grondslag voor de manier waarop de Griekse regering onder Europese voogdij werd geplaatst. Angela Merkel heeft gesuggereerd de Verdragen dan nog maar eens te herzien, om de neoliberale vijs nog harder aan te draaien, maar een nieuw rondje over de Verdragen vond men elders in Europa toch te veel van het goede.

Veel discussie dus, en toch ook weer niet. Want als je aandachtig de verslagen leest valt het op dat de Europese leiders het fundamenteel eens zijn de bestaande constructie van de Europese Unie niet alleen niet te wijzigen, maar zelfs te versterken. De voorstellen die reëel ter discussie staan gaan er allemaal over om de bestaande begrotingsnormen voor lidstaten in de eurozone strenger toe te passen: meer controle vooraf, beter toezicht, strengere sancties. Sommige voorstellen willen dit uitbreiden tot andere domeinen in de lidstaten, zoals de schuldgraad van de private sector, de betalingsbalans, het ontstaan van financiële zeepbellen, de flexibiliteit van de arbeidsmarkt, enz. Maar hoe lang je het lijstje ook maakt, het blijft beperkt tot Europese controlemechanismen op de manier waarop de lidstaten zich inpassen in het neoliberale dwangbuis van de eenheidsmarkt. De Europese Unie wordt bevestigd als een open markt, waar het gemeenschappelijk economisch beleid vervangen is door competitieve sociale dumping.

Van voorstellen die een daadwerkelijke inhoudelijke uitbreiding van het Europees beleid voorstellen is geen sprake. Wanneer in de media anonieme Franse topfunctionarissen geciteerd worden hoor je wel eens spreken over een Europees fiscaal of sociaal beleid, maar dit blijft beperkt tot verzuchtingen in de wandelgangen.

De crisis van de euro heeft dus, na een korte aarzeling, enkel geleid tot een verharding van de bestaande neoliberale structuur van de Europese Unie, haar karakter van een open markt met vrije concurrentie. De voorgestelde maatregelen zijn er enkel op gericht “valsspelers” sneller tot de orde te roepen.

De euro wordt in haar rol bevestigd: zij belet binnen de eurozone competitieve devaluaties, en ondersteunt als sterke munt naar buiten de imperiale aspiraties van de Europese grootmachten.

Hoe de crisis aanpakken?

De arbeidersbeweging in Europa wordt geconfronteerd met een tweekoppig monster : de economische en financiële crisis, en de sociale oorlog geopend door de Europese Unie, die de zwakke eurolanden zonder meer onder voogdij heeft gesteld. Met welke aanpak kunnen we dit tweekoppig monster de crisis en de Europese Unie, tegemoet treden? Hierbij een eerste schematische benadering:

1. Sociaal verzet tegen de antisociale maatregelen. Wij zijn niet verantwoordelijk voor de crisis. Het kapitaal chanteert met kapitaalsvlucht, wij chanteren met “sociale onrust”. Mobiliseren in verzet is de eerste voorwaarde om krachtsverhoudingen op te bouwen, aan zelfvertrouwen te winnen, en een gunstig kader te scheppen voor het debat over alternatieven.

2. Onmiddellijke solidariteit met de landen waar de antisociale maatregelen genomen worden. Niet wachten tot de crisis in eigen land toeslaat. Massale Europese initiatieven met meetings met sprekers uit de betrokken landen, informatie- en mediacampagnes,… “Wij zijn allen Grieken”. Een belangrijke handicap voor sociaal verzet is de vrees in een Europees isolement te komen, want “Europa is nodig”. De kern van het Europees autoritarisme komt er op neer dat geïsoleerd verzet lidstaat per lidstaat geconfronteerd wordt met ondemocratische instellingen die zich bekleden met de Europese mantel.

3. Onmiddellijke maatregelen eisen om de speculatieve aanvallen stop te zetten. Dit is een voorwaarde om tijd en ruimte te scheppen voor een alternatief beleid. De Europese Centrale Bank kan en moet de zware middelen inzetten om de speculanten af te blokken. Het is onaanvaardbaar hoe zij de speculatie in de hand heeft gewerkt door zelf twijfel te zaaien over de waarde van overheidsobligaties uit de perifere landen: onverantwoordelijkheid of bewuste collusie met de speculanten?

4. Een democratisch debat eisen over het te voeren beleid. De manier waarop in de Europese Unie de draai werd genomen naar een hard soberheidsbeleid is een aanfluiting van elke democratie. De Griekse regering doet precies het tegenovergestelde van het mandaat waarop zij werd verkozen. De manier waarop de aanpak van de crisis verloopt bevestigt het fundamenteel ondemocratisch en autoritair karakter van de neoliberale Europese constructie.

5. Een intensieve propagandacampagne tegen een Europa gevestigd op de strijd van allen tegen allen, de ontwikkeling van het egoïsme. De Europese Unie confronteren met de groeiende afstand tussen de waarden waarvoor zij beweert te staan, en de realiteit. Voor samenwerking en solidariteit als hoekstenen voor een ware Europese eenmaking, wat doorgetrokken moet worden in de relaties met de rest van de wereld.

6. Weigering de openbare schulden terug te betalen die niet legitiem zijn of indien de maatschappelijke prijs te hoog is. Fiscale maatregelen om diegenen te doen betalen die nu profiteren van de overheidsschuld, of zonder meer weigeren de schulden terug te betalen aan de rijken. Maatregelen tegen kapitaalsvlucht, ook als daarvoor Europese regels moeten worden geschonden.

7. Indien dit stuit op vijandige reacties van andere lidstaten van de Europese Unie, beroep doen op de solidariteit van de bevolking in die landen, en dreigen desnoods uit de euro te stappen.

8. De averechtse herverdeling van de maatschappelijke rijkdom van de laatste decennia rechttrekken, gekoppeld aan een ander groeimodel. Het verzet tegen de soberheidsmaatregelen houdt geen impliciete keuze in voor een groei getrokken door een herlancering van de private consumptie. Een eerlijke herverdeling kan ook door investeringen in openbare diensten, arbeidsduurvermindering om het bestaande werk beter te verdelen, enz.

9. Dit vereist publieke controle op de financiële sector, die een hefboom moet worden om de investeringsstromen te herkanaliseren naar een ander groeimodel.

10. De Europese Centrale Bank moet onder democratische controle komen, en haar opdrachten moeten worden herzien, zodat zij de kern kan vormen van een Europese openbare financiële sector.

11. De Europese Unie moet over de nodige begrotingsruimte beschikken om onevenwichtige economische ontwikkelingen binnen de Europese Unie bij te sturen. Een Europese fiscaliteit op het kapitaal in Europa. Europese obligaties om aan een gemeenschappelijke rentevoet het overheidsbeleid te financieren.

Reacties plaatsen niet mogelijk