Facebook

De kidnapping van de lonen in Europa – Vakbondsantwoorden op de zware aanvallen van de EU op de lonen

22 december 2015

Door Anne Dufresne (*)


Verschenen op Econospheres op 24 november 2015

Vertaling uit het Frans door Ander Europa

 

Het loon, en bijgevolg ook de vakbond, worden vandaag sterk op de korrel genomen door de Europese autoriteiten 1. Het loon als onderhandeld recht behoort tot de kern van de vakbondsidentiteit. Het was lange tijd een zuiver nationale aangelegenheid, die met het Verdrag van Maastricht expliciet buiten de bevoegdheid van de Europese Unie (EU) lag. Maar sinds de invoering in 2010 van het nieuw “Europees economisch bestuur” (Europact, sixpack, enzovoort) hebben de economische actoren van de EU het loon gekidnapt. De Europese Centrale Bank (ECB), het Directoraat Economie en Financiën van de Commissie (DG ECFIN) en de Ministerraad Economie en Financiën (ECOFIN-Raad van de EU) hebben het loon herleid tot een statistiek over de ‘arbeidskost’, een indicator die laag moet gehouden worden om aldus de competitiviteit te verbeteren. Zou het loon dan van een nationaal onderhandeld recht naar een Europese marktprijs geëvolueerd zijn?

Het economisch bestuur tegen de lonen

ierland_no

Campagne in Ierland (2008) tegen het Verdrag van Lissabon: Say no to low wages, cheap labour, less rights at work …

Met het Europees wetgevend instrument bekend onder de naam sixpack (want het bevat vijf richtlijnen en een verordening, aangenomen in januari 2012 2) laat de Commissie het stadium van het blaffen achter zich; ze kan nu ook bijten. Ze heeft een scorebord geïnstalleerd met economische ‘controle-indicatoren’. Wat de lonen betreft wordt een procedure 3 in gang gezet van zodra een lidstaat een bepaalde drempel overschrijdt van de loonkost per eenheid product, in het jargon bekend als de ULC (unit labor cost) 4. In die procedure worden aanbevelingen gedaan die gepaard kunnen gaan met financiële sancties, gaande tot 0,1% van het BBP. Men moet met andere woorden een maximumgrens voor de loonstijgingen respecteren 5.

Heel recent, in oktober 2015, werd de controle op de lonen nog verscherpt door de verplichting om ‘nationale comités voor het concurrentievermogen’ in de landen van de eurozone op te richten. Ze zijn samengesteld uit experten 6 en moeten “input leveren in de vorm van relevante informatie voor het loonvormingsproces op nationaal niveau” 7. De bedoeling is de evolutie van de competitiviteit tegenover de concurrenten elders ter wereld te controleren. Hiermee verzacht de Commissie de voorstellen die enkele maanden geleden gedaan werden in een oriëntatienota die bekend is als het ‘rapport van de vijf voorzitters’ (de voorzitters van de Commissie, van de ECB, de eurogroep, de raad en het Europees Parlement). Dit rapport, verschenen in juni 2015, hield een pleidooi voor de oprichting van ‘autoriteiten voor het concurrentievermogen’ (in plaats van ‘comités’), en was er voorstander van dat “de nationale sociale partners rekening houden met het standpunt van de concurrentieautoriteiten tijdens de loononderhandelingen”.

Bijgevolg worden sinds 2010 niet alleen het loon, maar ook de ermee verbonden instellingen 8, overal in Europa zwaar aangepakt, en des te sterker naarmate het land zich dieper onderwerpt aan de EU. Dit gaat van de autoritaire tussenkomsten van de Trojka (Commissie, ECB, IMF) met verplichte soberheidplannen in de landen van de zogenoemde periferie in Zuid- en Oost-Europa en in Ierland (eenzijdige vermindering van de minimumlonen, brutale besnoeiingen in de openbare diensten) tot de aanbevelingen van de Commissie in de landen van het Noorden (in vraag stellen van de indexering van de lonen in België, vermindering van het minimumloon in Frankrijk…). De deconstructie van de systemen voor collectieve onderhandelingen die met veel strijd gerealiseerd werden, komt dus neer op een frontale aanval op het bestaan zelf van de vakbonden in elk van de lidstaten. De Commissie komt daar recht voor uit en stelt dat men maatregelen moet nemen “die leiden tot een globale vermindering van de vakbondsmacht bij het vastleggen van de lonen” 9.

Hoe reageren de Europese vakbonden op een zo rechtstreekse aanval?

De gemeenschappelijke diagnose van de vakbonden: tegen de loonvijandige bulldozer van de EU

Het loon was lange tijd een taboe-onderwerp voor het Europees Vakverbond (EVV) 10 die het liever had over de Europese sociale dialoog over minder centrale en minder conflictuele aangelegenheden. Maar de frontale aanval van de EU heeft het loon toch op de voorgrond gebracht.

In april 2008 organiseert het EVV de eerste euromanifestatie onder het motto “verhoging van de lonen en een betere verdeling van de winsten”, in plaats van de vroegere vraag naar een ‘sociaal Europa’. Bij het congres in Athene van mei 2011 schuift het EVV een diagnose naar voor die gemeenschappelijk is voor de grote meerderheid van de Europese vakbondorganisaties 11: de vakbondskoepel verzet zich duidelijk tegen de Commissie en haar economisch bestuur, en protesteert tegen de bulldozeraanpak van de lonen door de EU. De afgevaardigden op het congres willen dat de solidariteit met het Griekse volk zich uit via een coördinatie van het verzet op Europees vlak, een unitair tegenoffensief dat een wisseloplossing moet kunnen opleggen in plaats van de neerwaartse harmonisatie van de lonen 12. “Ze hebben de Rubicon overgestoken. We moeten dringend weerwerk bieden aan de soberheidplannen van de Europese Commissie”, verklaarde Candido Mendez, de uittredende voorzitter van de Spaanse vakbond UGT. Omdat men kon voorzien dat de sociale achteruitgang zich zou veralgemenen, stelden de Griekse afgevaardigden voor om hun ‘laboratorium’ als uitgangspunt te nemen voor het uitwerken van een strategie: “De medicatie [de soberheidplannen en het economisch bestuur] is erger dan de kwaal”, zegt een van hen, “we moeten ons verzetten tegen de orthodoxie van de Europese Centrale Bank die een shocktherapie toepast, en we moeten af van het dogma van de competitiviteit. Harmonisatie van de lonen, OK, maar naar boven”.

In de voorbije vier jaar heeft de macht van vakbonden om de lonen te verhogen nog terrein verloren in alle landen van de Europese Unie. Maar op haar laatste congres (Parijs, 29 september-1 oktober 2015) verklaarde het EVV: “Als we in de toekomst de vakbondskracht willen behouden en vergroten, en doelstellingen als loonsverhoging realiseren dankzij stevige instellingen voor collectieve onderhandelingen met een grote draagwijdte, als we het wettelijk minimumloon willen verhogen waar het bestaat, en voor iedereen betere arbeidsvoorwaarden bekomen, is een krachtige Europese strategie noodzakelijk 13. Onder de vakbonden in Europa bestaat er dus wel degelijk een consensus tegen een permanente loonbeteugeling. De vraag blijft evenwel: hoe kan die Europese vakbondstrategie eruitzien?

Pistes voor een loonpolitiek als kern voor een Europese vakbondstrategie

Een eerste antwoord kwam er op het eind van de jaren 90. Het EVV probeerde toen in de voetsporen van de Europese Metaalfederatie (EMF) 14 een coördinatie op touw te zetten voor de nationale collectieve onderhandelingen 15. Men vertrekt van het idee om een loonnorm te verdedigen die ingaat tegen de loondumping. Men gaat er dus van uit dat de reële lonen (gecorrigeerd dus voor inflatie) ten minste even vlug moeten stijgen als de stijging van de productiviteit. Deze productiviteitgerelateerde benadering is neutraal voor wat betreft het concurrentievermogen en de loonkost, en dus ook neutraal voor wat betreft de verdeling tussen arbeid en kapitaal. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling om de verschillen in loonniveau binnen Europa weg te werken, maar in de eerste plaats om te vermijden dat er een herverdeling van de inkomens ontstaat ten voordele van het kapitaal. Tegenover een Europees economisch bestuur dat de lonen neerwaarts wil harmoniseren in heel Europa, is het belangrijk om deze vakbondnorm te actualiseren, en steun te verlenen aan pogingen van vakbonden voor een Europese coördinatie. Een offensievere benadering tegen de Europese loonpolitiek zou erin bestaan om alle instellingen voor collectieve onderhandelingen in de verschillende landen te verdedigen (procedures voor de veralgemening van de collectieve arbeidsovereenkomsten, indexering van de lonen…) en op die manier via de lonen de groei in Europa te bevorderen 16.

Er werd een tweede piste bewandeld: het Europees minimumloon als een mogelijk antwoord op de uiteenlopende loonniveaus in de EU en het ontbreken van een minimum in sommige landen. In 2005 heeft een groep onderzoekers die bij de vakbonden aanleunen 17 gezocht naar een regel voor een Europees minimumloon. Dit was uitgedrukt als een verhouding tot het nationaal gemiddelde loon: 50% op korte termijn, 60% op langere. Gezien de bestaande wettelijke minimumlonen momenteel begrepen zijn tussen 36% en 61% van het gemiddeld loon (wat overeenkomt met 2 euro in de Tsjechische Republiek en 9,61 euro in Frankrijk) zou de toepassing van deze regel een relatieve toename betekenen van de minimumlonen in elk van de lidstaten 18.

loesjePolitiek gezien zijn de vakbonden in de grote landen er globaal voorstander van om een dergelijke regel in te voeren: de Franse bonden met het model van de SMIC, de Engelse bonden die fier zijn op hun succes met het onlangs verworven minimumloon 19, en de Duitse bonden die bij de laatste verkiezingen deze universele standaard binnengehaald hebben 20. Maar er ontstond ook een ‘afwijzingsfront’: de Scandinaven, de Oostenrijkers en de Italianen waren lange tijd sterk tegen elke gemeenschappelijke Europese regel over deze kwestie, omdat ze vreesden dat dit hun manier van onderhandelen over – vaak aanzienlijke –sectoriële minimumlonen in het gedrang zou brengen. Sinds het begin van de jaren 2000 heeft hun veto aldus elke eis over deze materie geblokkeerd. Toch heeft de Italiaanse CGIL op het laatste congres van Parijs een amendement voorgesteld dat probeerde de idee van een ‘Europees instrument’ over een minimumloon te doen ingang vinden.

Maar onder druk van sommige leden van het afwijzingsfront heeft CGIL haar voorstel moeten intrekken, en het EVV hield het dan bij de volgende formule: “Waar de vakbonden vragende partij zijn, moet het wettelijk minimumloon vastgelegd worden door overleg met de sociale partners. Het niveau van het wettelijk minimumloon moet in de buurt komen van de beste normen die door de internationale organisaties voorgesteld worden 21. Samen met de collectieve onderhandelingen zal het minimumloon toelaten om te strijden tegen armoede onder werkenden, sociale en loongebonden dumping en een stimulans zijn voor de binnenlandse vraag. ” (Manifest van Parijs, oktober 2015). De onmogelijkheid tot eensgezindheid over deze kwestie, niettegenstaande de steeds massalere aanval op de lonen, toont aan hoeveel weg er nog af te leggen is om uiteindelijk op transnationale schaal een gemeenschappelijke mobiliserende dynamiek van looneisen te ontwikkelen, die meer is dan retoriek.

Er blijven dan nog een hoop vragen over: hoe uit de impasse geraken van vakbonden die zich nationaal terugplooien? Hoe vermijden dat de onevenwichten tussen landen, de sociale spanningen en de verlamming van de vakbondsbeweging nog sterker worden? Hoe nieuwe krachtsverhoudingen opbouwen tegenover de economische actoren van de EU?

Transnationale mobilisatie, noodzakelijke voorwaarden voor een offensief rond de lonen

Alvorens te besluiten wil ik twee belangrijke uitdagingen aanstippen. In de eerste plaats: een strategie om de strijd te europeaniseren. Dat gebeurt al voor een stuk, en de transnationale mobilisatie neemt verschillende vormen aan: gedecentraliseerde Europese actiedagen zoals die van de transnationale staking op 14 november 2012 22, maar ook de recente betogingen en acties uit protest tegen het transatlantisch vrijhandelsverdrag 23, waaronder de indrukwekkende bijeenkomst in Berlijn op 10 oktober 2015 waar 250.000 manifestanten afkwamen op de oproep van de vakbond DGB. Wat in Duitsland gebeurde kan een voorafspiegeling zijn van een offensief op Europese schaal om dit antisociaal verdrag, en misschien nog ruimer de hele soberheidspolitiek die opgelegd wordt door de EU te laten mislukken. Dit verdrag is inderdaad een belangrijke drijfveer voor transnationale mobilisatie in Europa, want de bedoeling ervan is om op talrijke domeinen de deregulering nog te verhevigen, door aan de twee zijden van de Atlantische Oceaan de reguleringen op elkaar af te stemmen op het gebied van sociale, ecologische en sanitaire normen.

Een tweede grote uitdaging die verbonden is met de eerste: van het loon terug een zaak maken van de sociale onderhandelaars. Want als er over het loon moet gesproken worden op Europees vlak, komt dat alleen aan die sociale onderhandelaars toe, en niet aan de economische instellingen. Men moet er zich goed van bewust zijn dat een offensieve loonpolitiek op dit niveau vereist dat er collectieve transnationale mobilisaties zijn 24.

Het vastleggen van een Europese grendel die de meeste minimumlonen zou verhogen, met andere woorden de definitie van een Europees minimumloon, zou een belangrijke factor kunnen zijn voor collectieve mobilisaties in Europa. En de coördinatiecomités voor de collectieve onderhandelingen van het EVV (of van de Europese sectoriële federaties) die zich met de promotie van het Europees minimumloon bezighouden zouden dan “gunstige politieke structuren”kunnen worden die het “ontstaan van een transnationale sociale protestbeweging” zouden kunnen vergemakkelijken, zoals Turner dat reeds hoopte 25.

Dit scenario zo aan de vakbonden terug legitimiteit verlenen voor het vastleggen van de lonen op een supranationaal vlak 26. Op nationaal vlak werd over het loon lange tijd politiek overlegd en het werd nationaal vastgelegd. Men kan zich ook een politiek loonoverleg voorstellen op een andere schaal, en de omtrekken van een nog op te richten politieke gemeenschap op Europees niveau, uitgaande van het recht op loon en tewerkstelling, en niet van de prioriteiten van de competitiviteit, welke die zijn van de Europese oligarchie die toezicht houdt op de loonmatiging onder het voorwendsel van de competitiviteit.


(*) Anne Dufresne is doctor in de sociologie (Université de Paris X-Nanterre en Université Libre de Bruxelles). Haar onderzoek betreft enerzijds de Europese dimensie van de vakbondsstrijd, en anderzijds het taalgebruik van de actoren in de Europese Economische en Monetaire Unie. Ze is verbonden met het Institut de recherche économique et sociale ((IRES, Frankrijk), het Institut européen du salariat (IES, Frankrijk), en het Wirtschafts-und Sozialwissenschaftliches Institut WSI (Duitsland).  Ze is onderzoekster en vormingswerkster  bij GRESEA (Groupe de Recherche pour une Stratégie économique alternative, Brussel).

 

  1. We stippen aan dat de Europese autoriteiten hiermee in feite een lang proces van loonmatiging voortzetten. Men stelt inderdaad vast dat er sinds 30 jaar een massale herverdeling van de inkomsten plaatsgrijpt, van lonen naar kapitaal, wat zich manifesteert als een permanente vermindering van het aandeel van de lonen in het nationaal inkomen. Binnen Europa is het loonaandeel met 8,6% gedaald tussen 1980 en 2010. Zie hierover Reginald Savage en Michel Husson, (2013), Salaire et compétitivité, Les dossiers de l’autre économie, 2013, p.53.
  2.  De verordeningen en de richtlijnen vormen, samen met de besluiten, Europese wetgeving met een verplichtend karakter voor de lidstaten, terwijl de andere wetgevende initiatieven eerder aansporingen zijn.
  3. Deze complexe en lange procedure maakt deel uit van het “Europees Semester”. De Commissie doet een globale evaluatie van de macro-economische indicatoren die ze wil in het oog houden. Ze kan daarbij speciale aandacht schenken aan de loonkost per eenheid product, de ULC, wat bijvoorbeeld het geval is voor België. Ze doet dan haar aanbevelingen. De lidstaat kan beslissen om deze aanbevelingen te volgen, of het niet te doen. Indien de situatie verslechtert en de lidstaat volgt de aanbevelingen niet, kan de Commissie opdracht geven dat wel te doen en bij weigering sancties opleggen. Als voor een land meerdere indicatoren in het rood gaan, zal de ULC in rekening gebracht worden.
  4. Men kan loonkosten op diverse manieren vergelijken. Men kan bv. uitgaan van het gemiddeld uurloon. Maar voor de winstmarge van het bedrijf en het concurrentievermogen is dit niet relevant; van belang is hoeveel er geproduceerd wordt voor dat loon. Men moet met andere woorden rekening houden met de productiviteit. De ‘loonkost per eenheid product’  doet net dat. Men kan bv. de productieprijs van een ton staal in België vergelijken met die in Frankrijk, of de assemblage van een zelfde type auto in Italië en in Spanje.(Noot van de vertaler)
  5. Momenteel bedragen de drempelwaarden voor de nominale ULC-stijging 9% over een periode van drie jaar in het geval van een land van de eurozone, en 12% voor de rest van de EU.
  6. De comités “worden geschraagd door nationale wettelijke bepalingen ter waarborging van een hoge mate van functionele autonomie en verantwoordingsplicht, waaronder een statutaire regeling die in nationale wetgeving, regelgeving of bindende bestuursrechtelijke voorschriften verankerd is”; Europese Commissie, Aanbeveling voor een Aanbeveling van de Raad inzake de oprichting van nationale comités voor het concurrentievermogen in de eurozone, Brussel, 21.10.2015, COM(2015 601 final.
  7. COM(2015 601 final.
  8. De instellingen betrokken bij het loon of de verloning van de arbeid zijn de instellingen die bijdragen tot de vorming van een klasse loontrekkenden, waaronder het loon volgens kwalificatie, de collectieve arbeidsovereenkomsten, en de statuten; verder de sociale bijdragen en de sociale zekerheid, het arbeidsrecht, de sociale openbare orde, het stakingsrecht, collectieve onderhandelingen, en vakbonden. Deze definitie komt van het Europees Instituut van de loondienst (Institut européen du salariat ), http://www.ies-salariat.org/lies-presentation/.
  9. Zie Appendix 1 van “Labour Market Developments in Europe 2012”, European Commission (2012), Directorate-General for Economic and Financial Affairs, http://www.ilo.org/public/libdoc/igo/2012/472122.pdf.
  10. Het EVV telt onder zijn leden 90 nationale vakbondsconfederaties afkomstig uit 39 landen, en tien beroepsfederaties. In België maken ABVV, ACV en ACLVB er deel van uit, in Nederland FNV, CNV en VCP.
  11. Met de opmerkelijke uitzondering van de Franse Confédération française démocratique du travail, CFDT.
  12. De citaten werden opgetekend bij de interventies van afgevaardigden tijdens het congres van Athene in mei 2011. Voor meer details over dit congres, zie Rehfeldt Udo (2011), “Le Congrès d’Athènes de la CES : à la recherche d’une stratégie de défense du « modèle social européen » “, La Chronique internationale de l’IRES, nr. 131 – juli 2011
  13. EVV, Manifest van Parijs, oktober 2015.
  14. De Europese Metaalfederatie is ondertussen gefusioneerd, en maakt nu met de chemie en de textiel deel uit van Industriall-Europa.
  15. Voor een langetermijnvisie op deze strategie van vakbondscoördinatie verwijzen we naar Dufresne Anne, Le salaire, un enjeu pour l’eurosyndicalisme, Presses universitaires de Nancy, Paris, 2011
  16. Voor meer details over deze alternatieve strategieën verwijzen we naar Van Gyes, Guy, Schulten Thorsten, Wage bargaining under the new European Economic Governance. Alternative strategies for inclusive growth, ETUI, Brussels, 2015.
  17. Daaronder onderzoekers uit Duitsland (Wirtschafts und Sozialwissenschaftliches Institut, [WSI]), Zwitserland (denktank) en Frankrijk (Institut de recherche économique et sociale [IRES]). Het netwerk ijvert voor de promotie in de vakbondswereld van “stellingen voor een Europese politiek van de minimumlonen”, wat leidde tot een eerste publicatie over dit onderwerp, gecoördineerd door Thorsten Schulten, Reinhard Bispinck en Claus Schäfer, Minimum Wages in Europe, ETUI-REHS, Brussel 2006.)
  18. Gegevens afkomstig van Schulten, Thorsten, WSI-Mindestlohnbericht 2015 – Ende der Lohnzurückhaltung ?, WSI Mitteilungen 2/2015.
  19. Er is evenwel een deel van de Britse vakbond TUC die zich recent zorgen maakt over de nationale gevolgen van een dergelijke Europese regel.
  20. Over de context van de geleidelijke invoering tussen 2015 en 2017 van een wettelijk interprofessioneel minimumloon van 8,50 euro per uur in Duitsland, zie Chagny Odile Le Bayon, Sabine, “Allemagne. L’introduction d’un salaire minimum légal : genèse et portée d’une rupture majeure », Chronique internationale de l’IRES, n° 146, juni 2014.
  21. De norm die de Raad van Europa (de internationale instelling die geen deel uitmaakt van de EU) hanteert in verband met een eerlijk loon berust op de regel die we reeds vermeld hebben over een minimumloon gelegen tussen 50% en 60% van het nationaal gemiddeld loon.
  22. Op 14 november 2012 (14N) was er een interprofessionele transnationale staking zonder voorgaande, want gelijktijdig in de landen van het Zuiden die het meest getroffen werden door de soberheidmaatregelen. Voor meer details, zie Dufresne Anne, Gobin, Corinne, La grève européenne du 14 novembre 2012, in Gracos, I., Grèves et conflictualité sociale en 2012. II. Secteur public et questions européennes. Courrier hebdomadaire du CRISP, n° 2174-2175, 2013, pp. 49-58.
  23. Het transatlantisch vrijhandelsverdrag, ook bekend onder de naam Transatlantisch Partnerschap voor Handel en Investeringen, is een handelsakkoord dat momenteel onderhandeld wordt tussen de EU en de USA, en dat een transatlantische vrijhandelszone wil instellen.
  24. Dufresne Anne, “The trade union response to the European economic governance regime. Transnational mobilization and wage coordination”, in Transfer, special issue, European Collective Action in Times of crisis, 21/2, 2015, pp. 141-155.
  25. Turner Lowel, « The Europeanisation of Labour : structure before action », European Journal of Industrial Relations, 2, 3, 1996, pp.325-344.
  26. Een politieke legitimering voor het vastleggen van de lonen op dit niveau zou onder andere een juridische verankering in de Europese verdragen inhouden, en de wijziging van artikel 153.5 dat het loon uitsluit als bevoegdheid voor de EU.

Reacties plaatsen niet mogelijk