Facebook

Europa, de euro en de crisis

27 juli 2011

door Willem Bos, maart 2011

De hypotheekcrisis werd een financiële crisis; de financiële crisis werd een economische crisis; de economische crisis werd een landencrisis en de euro kwam in gevaar. Zal de euro de verdere doorzetting van de crisis en de groeiende tegenstellingen binnen de eurozone overleven? En wat moet en kan de opstelling van links in deze zijn?

Van het begin af aan was het duidelijk dat de invoering van de euro als gezamenlijke munt van een aantal Europese landen een vreemde figuur was. Er kwam een gemeenschappelijke munt zonder dat er van een gezamenlijke economische en fiscale politiek sprake was. Daardoor bestond steeds het gevaar dat verschillende economische ontwikkeling in verschillende delen van de eurozone tot grote spanningen zouden leiden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten van Noord Amerika, of de Duitse Bondsrepubliek kunnen economisch minder presterende staten of regio’s in Europa niet rekenen op substantiële steun van beter presterende delen van de unie.

Met de invoering van de euro deden de deelnemende landen (en de landen die later toetraden tot de eurozone) afstand van hun eigen munt en daarmee van een aantal belangrijke beleidsinstrumenten. Zij kunnen geen eigen monetair beleid meer voeren en bijvoorbeeld niet meer door het verlagen van hun munt de eigen export goedkoper en aantrekkelijker maken of juist door een stijging van de wisselkoers van de eigen munt de invoer stimuleren om zo de betalingsbalans in evenwicht te houden. Het monetair beleid droegen ze over aan de Europese centrale bank. En die beslist ook als enige over de geldhoeveelheid en de rentestand.

Die tegenstelling tussen geen politieke unie, maar wel een muntunie werd natuurlijk ook door veel geharnaste voorstanders van de euro ingezien. Ook zij begrepen dat dit tot grote spanningen en problemen zou gaan leiden, maar zij zagen de invoering van de euro juist als een breekijzer. Om ervoor te zorgen dat Europese bedrijven de concurrentie op de wereldmarkt aankonden waren zij voor een Europese markt met een gemeenschappelijke munt. En moest het mes in de welvaartsstaat.

Er werden strenge economische eisen gesteld aan de landen die tot de eurozone wilden toetreden. De inflatie van de eigen munt moest beperkt zijn, de staatsschuld mocht niet meer dan zestig procent en het overheidstekort niet meer dan drie procent van het Bruto Nationaal Product bedragen, zo werd in 1992 in het verdrag van Maastricht bepaald. Ook als lid van de Eurozone moesten de landen hun begrotingstekort en staatsschuld binnen de aangegeven marges houden.

Kritiek

De ‘linkse’ kritiek op de invoering van de euro en de Europese Monetaire Unie (EMU) werd in ons land vooral verwoord in de verklaring van de groep van zeventig Nederlandse economen die op dertien februari 1997 in de Volkskrant verscheen onder de titel ‘Met deze EMU kiest Europa de verkeerde weg’. Wie de verklaring, een initiatief van Geert Reuten, Kees Vendriks en Robert Went (nog steeds te lezen op de site van de Volkskrant) en het boek ‘De prijs van de euro’, dat de onderbouwing van de verklaring leverde, nog eens naleest kan niet anders dan concluderen dat het standpunt van deze zeventig linkse economen nog zo gek niet was.

Zij wezen op het arbitraire karakter van de toetredingscriteria (waarom een staatsschuld tot zestig procent en een begrotingstekort tot drie procent van het BN) en benadrukten dat het daarachter liggende uitgangspunt ‘hoe minder inflatie, hoe gezonder de economie’, aanvechtbaar is. Ze stelden dat de afspraken zouden leiden tot versterkte beleidsconcurrentie tussen landen in de eurozone, waarbij door het ontbreken van een wisselkoersbeleid de strijd vooral gevoerd zou worden door het verlagen van de belastingen voor bedrijven en de loonkosten. Kortom een race naar de bodem wat betreft bedrijfsbelastingen en lonen.

Ook benadrukten de zeventig economen dat de begrotingsnorm (steeds een begrotingstekort van minder dan drie procent van het BNP) procyclisch zou werken. In tijden van economische groei was er meer ruimte voor overheidsuitgaven terwijl in perioden van teruggang van de economie die ruimte beperkter was. In tijden van neergang was dus het stimuleren van de economie door extra overheidsuitgaven onmogelijk, terwijl er in goede tijden geen enkele stimulans was om de groei van de overheidsuitgaven minder te laten zijn dan die van het BNP.

Met name op dit laatste punt hebben de critici volledig gelijk gekregen. Het groei- en stabiliteitspact waarin de norm van drie procent begrotingstekort en zestig procent staatsschuld was vastgelegd bleek niet te handhaven. Al in 2002 kwam het begrotingstekort van zowel Duitsland als Frankrijk boven de drie procent zonder dat er serieuze sancties volgden. Na het uitbreken van de crisis steeg het tekort in alle landen van de eurozone sterk. Toen de crisis in 2008 daar was kozen alle Europese regeringen in de praktijk toch voor een zekere stimulering van de economie, of in ieder geval voor een niet al te drastische beperking van de overheidsuitgaven. De economische werkelijkheid bleek sterker dan de rigide leer.

De vrije markt

De invoering van de euro stond niet op zich. Het was een belangrijke stap in het proces van neoliberale herstructurering van de Europese Unie. Een bepalend element in die herstructurering was de liberalisering van het kapitaalsverkeer. Zo kon kapitaal overal in de Unie op zoek naar het hoogste rendement. Anders lag dat voor de factor arbeid. Het begrip arbeidsmarkt is eigenlijk altijd een problematisch begrip, omdat werknemers – hoe graag ondernemers dat ook zouden willen – zich niet als een pakketje laten versturen. En door taal- en cultuurverschillen trekt een Europese arbeider veel minder makkelijk naar een ander deel van Europa waar meer vraag naar arbeidskrachten is dan bijvoorbeeld zijn Amerikaanse collega.

De vrije marktwerking leidde – zoals te verwachten was – ertoe dat de economische verschillen in de eurozone vergroot werden in plaats dat ze verminderden. Vooral Duitsland was de grote winnaar. Terwijl onze oosterbuur bij het invoeren van de euro in 1999 nog een klein importoverschot had heeft het sindsdien zijn export enorm weten uit te breiden. In 2007 was het Duitse overschot op de handelsbalans gestegen tot 7,6 procent. Het waren vooral de zuidelijke landen Griekenland, Spanje en Portugal die de concurrentieslag met de grote buurman in het noorden verloren, en steeds grotere importoverschotten ontwikkelden.

Voor de invoering van de euro had men in Zuid-Europa hierop kunnen reageren door de eigen munt te verzwakken en zo de concurrentiepositie te verbeteren. Met de euro was dit onmogelijk. Toen de crisis zich verder doorzette was het voor verschillende Zuid-Europese landen ook steeds moeilijker om de staatsbegroting op orde te houden en raakten ze steeds verder in de problemen.

De rente die met name Griekenland, maar ook Ierland, Spanje en Portugal op de kapitaalsmarkt moesten betalen voor hun staatsobligaties liep hoog op en zo dreigden deze landen in een draaikolk naar beneden te geraken. Met als gevolg dat ook de euro steeds meer onder druk kwam te staan. Op dit moment lijkt deze ontwikkeling even tot staan gebracht, maar de tegenstellingen blijven bestaan.

Uit de Euro?

Dat roept de vraag op naar de toekomst van de euro en de vraag welke houding links daarover in moet nemen. Sommige linkse krachten in Europa pleiten voor een uittreden uit de euro, of het opdelen in een noordelijke en een zuidelijke euro. De vraag is echter of dat iets oplost.

We leven in Europa in sterke mate onder de dictatuur van de financiële markten. Als een van economisch zwakkere landen van de eurozone uit de euro zou treden zou het volle gewicht van de financiële markten dat land treffen. Het zou zich genoodzaakt zien zijn (nieuwe) munt te devalueren, wat weliswaar gunstig zou zijn voor de exportpositie maar waardoor tegelijkertijd de nu al uitstaande schulden (in euro’s en dollars) in gewicht zouden toenemen.

Het uittreden uit de euro is in ieder geval niet het antwoord op de huidige crisis. Dat antwoord is veel complexer. Het zou moeten bestaan uit een combinatie van het versterken van de zwakke economieën in Europa, door gerichte en structurele investeringen ook gericht op een drastische vergroening van de economie en een versterking van de koopkracht van de laagste inkomensgroepen en uitkeringsgerechtigden in heel Europa, door de instelling van een Europees sociaal minimum. Het geld dat daarvoor nodig is zou moeten komen van een drastische belasting verhoging voor ondernemingen, topinkomens en vermogens. Dat zou gecombineerd moeten worden met het kwijtschelden of herstructureren van schulden van de meest getroffen landen, het aanpakken van belastingparadijzen en het invoeren van een belasting op kapitaalstransacties.

Of het doorvoeren van een dergelijke politiek mogelijk is hangt natuurlijk af van de krachtsverhoudingen. De krachtsverhoudingen tussen de meerderheid van de bevolking waarop de gevolgen van de crisis nu worden afgewenteld en de belangen van het kapitaal. Die krachtsverhoudingen worden bepaald door de sociale strijd tegen de crisis politiek in ieder land afzonderlijk en in Europa als geheel. Links moet pleiten en strijden voor een andere Europese politiek en een ander Europa. En ze moet daarbij benadrukken dat dit een gezamenlijke strijd is die iedereen in Europa aangaat. In en buiten de eurozone.

[Dit artikel verscheen in Grenzeloos nummer 111, maart – april 2011]

Reacties plaatsen niet mogelijk