Facebook

Europa en de crisis: waarom het kapitalistische Europa onderdeel van het probleem is

27 juli 2011

door Willem Bos, oktober 2008

Inmiddels is het wel duidelijk dat we niet slechts met een hypotheekcrisis of een financiële crisis te maken hebben, maar dat we aan de vooravond staan van een algemene recessie van de hele wereldeconomie. Met deze crisis is het neoliberale systeem, zoals we dat de afgelopen 25-30 jaar gekend hebben, vastgelopen. Het is in elkaar gestort onder het gewicht van de financiële sector.

Zelfs de meest rabiate voorstanders van de vrijemarktwerking hebben inmiddels begrepen dat die tot rampen leidt. Zelfs de meest fanatieke voorstanders van een terughoudende overheid pleiten nu voor overheidsingrijpen om erger te voorkomen. Voorstanders van het huidige Europa grijpen dit moment aan om een sterkere rol voor Europa te bepleiten. Ze zien daarbij over het hoofd dat dit Europa en haar politiek juist een van de factoren waren die deze crisis hebben veroorzaakt.

Een tijdlang werd volgehouden dat de oorzaak van de crisis alleen in de VS lag. Onder andere Wouter Bos verdedigde die stelling. Wij hadden hier in Europa alleen maar te maken met de negatieve effecten van de besmette Amerikaanse hypotheken. Als dat vuil werd opgeruimd, was het probleem over, zo was de redenering. Toen dat niet meer vol te houden was, werden de hebzucht van de bankiers en de perverse prikkels in de top van het bedrijfsleven als de oorzaak aangemerkt.

Nu kan niemand die hebzucht noch de perversiteit van die prikkels ontkennen, maar als oorzaak van de huidige crisis is dat toch een beetje dun. Het is duidelijk dat we te maken hebben met een systeemcrisis. Een crisis die de hele wereldeconomie en het hele functioneren van het huidige economische systeem raakt en die niet met sleutelen aan wat details valt op te lossen.

Crises in het kapitalisme

Om het specifieke karakter van deze crisis te begrijpen, moeten we eerst kijken naar crises in het kapitalisme in het algemeen. Het kapitalisme wordt, zo lang als het bestaat, gekenmerkt door periodieke crises. Het kent steeds perioden van opgang die gevolgd worden door een periode van snelle neergang, van crisis. Die golfbeweging of cyclische ontwikkeling zit als het ware in het kapitalisme ingebouwd.

De fundamentele reden voor die cyclische ontwikkeling zit hem in de tegenstelling tussen het maatschappelijke karakter van de productie aan de ene kant en het private karaker van de productiemiddelen aan de andere kant. Goederen worden geproduceerd met grondstoffen en onderdelen uit de hele wereld. De beslissingen over de productie en de investeringen worden uiteindelijk in afzonderlijke bedrijven genomen. In het kapitalisme produceert een bedrijf voor een anonieme markt. Men maakt een hoeveelheid producten tegen een zo laag mogelijke prijs en probeert die te verkopen tegen een zo hoog mogelijke prijs. Het verschil daartussen, de winst, daar draait het om.

De productie en de consumptie liggen in het kapitalisme ver van elkaar af. Een autofabrikant berekent dat hij de komende tijd zoveel auto’s kan maken voor die en die kosten en dat hij ze allemaal kan verkopen voor die en die prijs en daarmee die en die winst kan realiseren. Of dat ook werkelijk lukt, blijkt pas als hij de auto’s inderdaad kan verkopen voor de verwachte prijs. Als dat niet lukt, blijft hij óf met onverkochte auto’s zitten óf hij moet een deel van zijn auto’s tegen lagere prijzen weg doen. In beide gevallen maakt hij minder winst dan verwacht.

Zijn collega-fabrikanten maken een vergelijkbare berekening en ook zij hopen er ieder jaar weer op een iets groter stuk van de automarkt te veroveren. Door grotere fabrieken, met grotere machines en een grotere verkooporganisatie probeert iedere fabrikant schaalvoordeel te behalen, goedkoper te produceren en uiteindelijk ook meer winst te behalen. Zolang de markt voor auto’s groeit, kan dat goed gaan. Maar als de markt niet meer groeit, komen één of meerdere autofabrikanten in de problemen.

Zij blijven met onverkochte auto’s zitten, hun winst wordt niet gerealiseerd, zij kunnen niet meer investeren, hun leveranciers niet meer betalen en gaan failliet. Dat leidt er toe dat de arbeiders bij die bedrijven ontslagen worden. Die krijgen geen loon meer, kunnen minder producten kopen waardoor weer andere bedrijven in de problemen komen. Er gaan weer andere fabrieken dicht, er komen weer andere arbeiders op straat te staan en de crisis versterkt zich. Als de crisis lang genoeg heeft doorgewoekerd en er voldoende bedrijven failliet zijn gegaan, kunnen de overgebleven bedrijven hun winst weer herstellen, weer investeringen doen en komt er een nieuwe periode van opgang.

Dat is grofweg het mechanisme van de kapitalistische crisis. Dat maakt duidelijk dat het in het kapitalisme steeds gaat om crises van overproductie. Er zijn meer goederen geproduceerd dan met de bestaande koopkrachtige vraag gekocht kunnen worden. Die term ‘koopkrachtige vraag’ is van belang, want het gaat er niet om wat de maatschappelijke behoeften zijn, maar om de vraag hoeveel geld er beschikbaar is om de producten te kopen.

Dat leidt tot het, op het eerste gezicht vreemde, verschijnsel dat binnen het kapitalisme de ondernemer er zowel belang bij heeft dat de lonen laag zijn als dat ze hoog zijn. Iedere ondernemer heeft er belang bij dat de lonen die hij moet betalen laag zijn, zodat hij zo zijn productiekosten zo laag mogelijk kan houden. Hij heeft er tegelijk belang bij dat de lonen in het algemeen hoog zijn omdat andere arbeiders dan veel kunnen betalen voor de producten die hij maakt. Dat is natuurlijk een onoplosbare tegenstelling. Want als zijn lonen laag zijn en die van andere bedrijven hoog, dan gaan zijn arbeiders ook hogere lonen eisen of gewoon ergens anders werken. Die ingebakken tegenstelling speelt een cruciale rol speelt in de ontwikkeling van de huidige crisis.

Crisisvrij kapitalisme

De meest diepgaande crisis tot nu toe was de crisis die begon met het instorten van de beurs in New York in 1929, gevolgd door de crisis van de jaren dertig die uiteindelijk uitmondde in de Tweede Wereldoorlog. In die tijd ging men er nog van uit dat de crisis gewoon zijn reinigende werk moest doen, dat de slechte bedrijven om zouden vallen en dus de beste en de sterkste over zouden blijven.

Na de Wereldoorlog kwam men tot een ander inzicht. Mede onder druk van het bestaan van een groot niet-kapitalistisch blok (het Sovjetblok) en het dreigende gevaar van de arbeidersbeweging in de westerse landen kwamen een aantal zaken tot stand die een remmend effect op de cyclische beweging van het kapitalisme hadden. We moeten daarbij denken aan een sterke overheidssector die ook zelf in perioden van neergang een actieve stimulerende rol in de economie kan spelen; een sterke regulering van het internationale kapitaalverkeer; een regulering van de internationale valuta (het systeem van Bretton Woods waarbij de verschillende valuta vaste wisselkoersen kenden en de dollar een centrale rol speelde); het ontstaan van een stelsel van sociale zekerheid waardoor bij werkloosheid de koopkracht niet helemaal wegviel en een stijging van de levensstandaard van de arbeidersklasse in de westerse landen.

De periode van 1945 tot het begin of halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw wordt wel als ‘de gouden jaren van het kapitalisme’ omschreven. Er was een voortdurende economische vooruitgang, zonder noemenswaardige economische crises. Behalve van bovengenoemde factoren was dat waarschijnlijk vooral het gevolg van een inhaaleffect. Na de verwoestingen van de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog was de productie in de centra van het kapitalisme zo ver teruggevallen, dat er een lange periode van inhalen aanbrak.

Maar die inhaalperiode duurde niet eeuwig. Aan het eind van de jaren zestig begonnen in de VS en in Europa de bedrijfswinsten terug te lopen. In het begin van de jaren zeventig versterkte dit zich en in 1974-75 was er sprake van de eerste naoorlogse algemene recessie.

Het neoliberalisme

In die jaren werd de basis gelegd voor wat we nu als het neoliberalisme kunnen omschrijven. Door het liberaliseren en dereguleren van de economie, het vrij geven van het internationale kapitaalverkeer, loslaten van de vaste wisselkoersen en het afslanken van de overheid probeerde men de economie weer een impuls te geven, dat wil zeggen de teruggelopen winstgevendheid van de bedrijven te herstellen.

De ontwikkeling van het neoliberalisme was een reactie op het teruglopen van de winstgevendheid. Men streefde er naar om alle uitgaven die ten koste gaan van de winst zo veel mogelijk terug te dringen. Daarbij gaat het om: de lonen, de sociale uitkeringen en de kosten voor het overheidsapparaat. De bedrijfswinsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en de banen van overmorgen, zo werd ons toen voorgehouden. In de praktijk hebben we de afgelopen decennia gezien dat dat niet het geval was. De winsten groeiden wel, maar de investeringen niet. De groeiende winsten kwamen vooral in de financiële sector terecht.

Het neoliberalisme had een aantal effecten. In de eerste plaats leidde het inderdaad tot een herstel van de winsten, ook al werd dat niet omgezet in een groei van de investeringen. In Europa is de afgelopen 25 jaar het aandeel van de inkomsten uit kapitaal met acht procentpunten gestegen ten opzichte van het inkomen uit arbeid.

In de tweede plaats leidde het neoliberalisme tot een verdere groei van de omvang en de macht van multinationale ondernemingen en met name van het financierskapitaal. In 1982 vormden in de VS de winsten van financiële bedrijven nog minder dan 5% van alle winsten. In 2007 was dat aandeel gestegen tot 41%. Behalve banken en andere financiële instellingen gingen ook andere bedrijven zich steeds meer met financiële transacties bezighouden. Grote multinationals hebben de afgelopen periode vaak méér winst gemaakt met hun financiële afdeling dan met de productie van goederen.

De geweldige groei van de financiële sector was het gevolg van het feit dat de winsten groeiden en de investeringen achterbleven. Met andere woorden: de ontvangers van de winsten vonden in de reële economie onvoldoende mogelijkheden om met het door hen gewenste rendement te investeren en stopten hun geld daarom liever in allerlei producten van de financiële sector, waarmee, zo lang als het duurde, een hoger rendement gehaald kon worden. De groei van de financiële sector, mede mogelijk gemaakt door het vrijgeven van het internationale kapitaalsverkeer, leidde tot allerlei ongewenste effecten en risico’s. Niet alleen een geweldige groei van belastingparadijzen waarmee rijke individuen, maar vooral internationale bedrijven, op ongekende schaal belastingen kunnen ontduiken, maar ook het zogeheten flitskapitaal, dat door handel in valuta en andere financiële producten op zeer korte termijn enorme winsten kan behalen en voor een enorme instabiliteit van het financiële systeem zorgt.

Een belangrijk effect van de neoliberale omwenteling was dat zaken die een remmende werking op het cyclisch verloop hadden de afgelopen tijd helemaal of gedeeltelijk zijn afgebouwd. Het gaat dan om een grote rol van de overheid, stelsels van sociale zekerheid, beperking van het internationale kapitaalverkeer. Vandaar dat men het neoliberale kapitalisme ook wel omschrijft als het naakte kapitalisme.

Het gaat dus bij het neoliberalisme niet alleen om een bepaald politiek beleid, maar ook om structurele elementen. Er is de afgelopen 25-30 jaar niet alleen een andere koers gevaren dan de periode daarvoor, het gebeurde ook met een ander schip. Daarom wordt ook terecht over een ‘systeemcrisis’ gesproken en daarom zal het oplossen van deze crisis niet beperkt kunnen blijven tot het voeren van een ander beleid, maar zal het schip zelf grondig verbouwd moeten worden, zo niet vervangen door een ander vaartuig.

De hypotheekcrisis

De Amerikaanse hypotheekcrisis – waar de huidige crisis mee begon – is illustratief voor het gevaar en de onhoudbaarheid van het neoliberale model. In de VS zijn de afgelopen dertig jaar de lonen niet gestegen. De consumptie is wel gestegen. Dat kan doordat op geweldige schaal schulden zijn gemaakt, zowel door de Amerikaanse staat als door de huishoudens. De VS besteden iedere dag twee miljard dollar meer dan ze produceren.

De Amerikaanse hypotheekcrisis is in vele opzichten een voortzetting en verdieping van de zogeheten internetcrisis van 2001, die vooral in de VS toesloeg. Toen knapte de “internetbubbel”. De prijs van aandelen van bedrijven in de ‘nieuwe economie’ was in de voorafgaande periode tot ongekende hoogte gestegen. Aan internetbedrijven die tot op dat moment nog geen cent winst hadden gemaakt, werd op de beurs een enorme waarde toegekend.

Toen de fictieve rijkdom van de nieuwe economie uit elkaar klapte, dreigde dat ook de echte economie te raken. De VS voorkwamen dat door de kredietkraan nog verder open te zetten. De belangrijkste rente werd in korte tijd verlaagd van zes procent naar een procent. De schulden van Amerikaanse huishoudens groeiden snel. Een gemiddeld Amerikaans gezin had in 2007 leningen uitstaan ter waarde van 120% van het gezinsinkomen.

Behalve leningen voor auto’s, studies en creditcards ging het vooral om hypotheken. De verwachte waardestijging van de huizen vormde de basis voor een veel te hoge hypotheek. Mensen werden gelokt met hypotheken met een lage instaprente die in de loop van de tijd werd verhoogd. Kopers van die hypotheken werd voorgehouden dat de stijging van de huizenprijzen er voor zou zorgen dat ze financieel hun hoofd boven water zouden kunnen houden.

Zo werd de internetbubbel opgevolgd door de nog veel grotere hypotheekbubbel. Vanaf 2007 komen steeds meer Amerikanen met een dergelijke hypotheek in de problemen en stort de Amerikaanse hypotheekmarkt in. Dat blijkt nog maar het begin te zijn. In de loop van de tijd wordt duidelijk dat deze ‘besmette’ hypotheken en daarvan afgeleidde producten op grote schaal zijn doorverkocht aan financiële instellingen over de hele wereld. Ook Nederlandse financiële instellingen zijn met dit soort producten ‘besmet’.

Inmiddels hebben we gezien hoe deze crisis als ontsteking werkte voor een crisis van de financiële sector en van de hele economie. Dat is niet verwonderlijk, want de financiële sector is niet iets dat losstaat van de reële economie. De snelle groei van de financiële sector is het gevolg van de stagnatie in de werkelijke economie, van het feit dat geweldige hoeveelheden winst niet rendabel genoeg in de werkelijke economie belegd konden worden en in plaats daarvan belegd werden in de financiële sector, als wissels op de toekomt. Nu de financiële sector op instorten staat en alleen met injecties van tientallen miljarden overeind kan blijven, tast dat de reële economie aan, waardoor we afstevenen op een wereldwijde recessie van ongekende omvang.

In Europa

De crisis blijft niet beperkt tot de VS, dat is inmiddels wel duidelijk. Ook de economie in de rest van de wereld zal een flinke klap krijgen. Dat kan ook niet anders. Want de verschijnselen die in de VS tot deze crisis hebben geleid, zijn ook elders aanwezig. De neoliberale politiek is ook elders in de wereld en zeker in Europa doorgevoerd. Ook in Europa zijn de investeringen en de lonen achtergebleven bij de groei van de winsten. Ook in Europa is de financiële sector enorm gegroeid. Ook hier zijn allerlei financiële producten verhandeld waarvan het volstrekt onduidelijk is of er wel een dekking voor is. Ook hier zijn de huizenprijzen gestegen en de hypotheeklasten enorm toegenomen. Ook hier leidt de crisis tot het teruglopen van de consumptie en productie en zal de werkloosheid snel oplopen.

Europa – dat wil in dit verband zeggen de Europese Unie en haar voorlopers – heeft een cruciale rol gespeeld in het doorvoeren van het neoliberalisme in dit continent. Daarbij gaat het niet om een sinister complot waarbij Europese bureaucraten achter de rug van de betrokken landen een neoliberaal Europa op poten hebben gezet. Integendeel. Het zijn juist de Europese regeringen zelf geweest die in de loop van de tijd in het verenigd Europa een uitstekend instrument hebben gezien om het neoliberale project door te voeren. Allerlei maatregelen die op nationaal vlak tot grote weerstand zouden hebben geleid, werden in Europees verband geregeld.

Iedereen kent de mechanismen die daarbij worden gehanteerd. Regeringsleiders komen op een Europese top bij elkaar en nemen achter gesloten deuren allerlei besluiten. Na afloop legt iedere regeringsleider aan de eigen nationale pers uit hoe goed hij of zij de nationale belangen van haar/zijn land of van bepaalde sectoren heeft verdedigd en benadrukt dat er een heel goed resultaat uit is gekomen. Een paar maanden later, bij de implementatie van de besluiten of de nadere concretisering daarvan, blijken er allerlei negatieve aspecten aan de besluiten te zitten. Maar dan zijn het niet de nationale regeringen die verantwoordelijk zijn, dan is het de Europese politiek waar wij helaas niet onderuit kunnen.

Op die manier is men in staat geweest om allerlei aspecten van het neoliberalisme, de afbraak van de verzorgingsstaat, privatisering en liberalisering, het vrije verkeer van kapitaal door te voeren zonder een al te duidelijke politieke discussie en besluitvorming daarover in de nationale politiek. Het moet van Brussel, was steeds het doorslaggevende argument. Zo zien we dat het neoliberale en het ondemocratische karkater van de EU twee kanten van dezelfde medaille zijn. Voor het neoliberale project was een ondemocratisch Europa noodzakelijk, of in ieder geval hel nuttig.

Deze aanpak is lang heel succesvol geweest en heeft gemaakt dat Europa na de VS de motor was achter de neoliberale hervormingen. Maar de Europese Unie heeft er ook een prijs voor betaald. Vooral op het vlak van de geloofwaardigheid van het Europese project. Heel lang was Europa, de Europese eenwording, onder de bevolking populair. In de loop van de tijd is dat steeds minder geworden. Europa werd voor veel mensen (terecht) steeds meer synoniem met de belangen van het grootkapitaal, de afbraak van sociale voorzieningen, met gebrek aan democratie en transparantie.

In een poging om het tij te keren is men indertijd gekomen met de Europese grondwet. Daarin werd het functioneren van Europa, het neoliberale karakter ervan maar ook het ondemocratisch functioneren, vastgelegd. Door dit een grondwet te noemen en in vele landen aan referenda te onderwerpen, hoopte men een nieuwe legitimering van het Europese project te verwerven. Zoals bekend is die aanpak gesneuveld in de referenda in Frankrijk en Nederland in 2005, toen een ruime meerderheid van de kiezers nee zei tegen de grondwet.

Daarna is men onverdroten doorgegaan met pogingen om dezelfde inhoud in een andere vorm te gieten. Er ligt nu het Verdrag van Lissabon, dat in vorm van de grondwet verschilt maar qua inhoud daarmee overeenkomt. Dit verdrag is in een referendum in Ierland verworpen en zal dus in ieder geval niet zoals gepland op 1 januari 2009 in werking treden.

Met de huidige crisis is er alle reden om niet alleen het Verdrag van Lissabon verre van ons te houden, maar ook een fundamentele discussie te starten over de vraag wat voor een Europa we nu willen. Als we werkelijk deze crisis willen bestrijden, hebben we een ander dan het huidige neoliberale Europa nodig. Zullen we moeten strijden voor een democratische doorstart van Europa. Een democratisch Europa kan natuurlijk alleen bereikt worden via een democratisch proces. Het Comité Ander Europa heeft onder de naam “Plan B” een voorstel uitgebracht over hoe een dergelijk proces er uit zou kunnen zien.

 

Reacties plaatsen niet mogelijk