Facebook

Retweeted Ludo De Brabander (@Ludodb):

NATO Counter Summit: 'Invest in #Peace, Not in War!' program #trumpnotwelcome #natonotwelcome #stopnato2017 #StopWar t.co/YNZtcZTDi7
... See MoreSee Less

View on Facebook

Mijmeringen rond 1 mei

4 mei 2017

door Herman Michiel, 4 mei 2017

 

De eerste mei was een gelegenheid voor tal van sociaaldemocratische leiders om hun visie te geven op de bedenkelijke toestand van hun politieke familie. De vrije val van de Nederlandse PvdA in maart (van 24,8% in 2012 naar 5,7%) bracht de vernietiging van de Griekse PASOK in herinnering (scores van rond de 40% in de jaren ’90, naar 6,3% in september 2015), maar was ook een voorbode van het lot van de Franse PS die bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen op 6,3% strandde. Een goede 6% was ook de score van het Ierse Labour in 2016. Zes procent lijkt “het nieuwe normaal” geworden te zijn voor sociaaldemocratische partijen, om het met een modieuze term te zeggen. Dat is overdreven, de Spaanse PSOE is wel bijna gehalveerd tegenover de jaren ’80-’90 maar haalde verleden jaar toch nog 22,6%. De Waalse PS moet volgens de peilingen voor een gelijkaardig lot vrezen.

Het betreurenswaardige is niet dat partijen die onder een sociaaldemocratisch vernislaagje een neoliberale politiek voerden hiervoor afgestraft worden ­ dit wijst eerder op rijpheid van het electoraat ­ , maar dat dit in vele gevallen niet ten voordele van linksere partijen is. Integendeel, in Frankrijk is het Front National goed op weg om zich als “arbeiderspartij” te kunnen voordoen. Een duidelijker illustratie van de verwording van de sociaaldemocratie, en van haar verantwoordelijkheid in de huidige politieke evoluties, is nauwelijks denkbaar.

Het lijkt op het eerste gezicht positief en zelfs moedig dat sociaaldemocratische leiders hun falen nu ook openlijk toegeven. De bijna 80-jarige, maar nog steeds kwieke sp.a-burgemeester van Leuven Louis Tobback 1 geeft het grootmoedig toe: “Links had het voor het zeggen in Europa. En we hebben er niks van gebakken” (De Standaard, 29-30 april, 1 mei). Tobback alludeert hiermee aan de periode 1997-2002 toen sociaaldemocraten meeregeerden in 11 van de 15 EU-lidstaten. Zo ook Gianni Pittella, de fractieleider van de sociaaldemocraten in het Europees Parlement: “Na de crisis [uitgebroken in 2008 ] lagen we in slaap“. Maar opdat dergelijke schuldbekentenissen meer dan een stijlfiguur zouden zijn, zouden er politieke conclusies moeten uit getrokken worden voor de toekomst. Niets wijst erop dat een dergelijk proces op gang aan het komen is.

Dijsselbloem, “collaborateur van het rechtse kapitalisme” (L. Tobback)

Neem Tobback. Bijna als een linkse activist gaat hij tekeer tegen PvdA-er Dijsselbloem, hij wordt “mottig” van de jongen, die “collaborateur van het rechtse kapitalisme“. Maar welke uitweg ziet Tobback dan uit de huidige impasse? Dat komt duidelijk tot uiting in zijn stellingname tegenover Mélenchon: “Ik zou nooit voor een kandidaat stemmen die tegen Europa is.” Wat de politieke inhoud van dit “Europa” ook moge zijn, het moet voor Tobback eerst opgebouwd worden want “wie niet eerst een politieke ruimte creëert waarin het socialisme opgebouwd kan worden, begint er beter niet aan. Je moet eerst Europa construeren.” Men kan zich alleen verbazen over zoveel politiek onbegrip bij een door de wol geverfd politicus. Het is alsof “Europa construeren” hetzelfde is als een administratief gebouw optrekken; daar kan later zowel een vakbondsleiding, en ondernemerslobby of een advocatenkantoor in gehuisvest worden…

Maar ook elders bij sociaaldemocratisch Europa moet je niet gaan aankloppen om wegwijs te worden in het complexe politieke landschap. De leiding van de Duitse SPD schrok er niet voor terug haar voorkeur bij de Franse presidentsverkiezingen te uiten voor de neoliberaal Emmanuel Macron, en niet voor Benoît Hamon, de officiële kandidaat van de Franse zusterpartij. Pittella zegt dan weer dat dezelfde Macron “niet de toekomst van links is”, maar Sergej Stanishev, de voorzitter van de Partij van de Europese Socialisten (PES) spreekt zich onomwonden uit vóór Macron, “een voorvechter van een open inclusieve maatschappij en een verdediger van de Europese Unie“. Men kan het rijtje ongerijmdheden tot in het oneindige voortzetten. Zo wil Pittella nu de strijd aanbinden tegen het Begrotingsverdrag, het geesteskind van Merkel-Schäuble dat vijf jaar geleden door de sociaaldemocraten overal in Europa werd goedgekeurd.

Is er dan geen enkel vooruitzicht op verbetering? Waarom zouden sociaaldemocraten niet in staat zijn de lessen te trekken uit hun eigen recente geschiedenis? “De sociaaldemocratie wint van zodra ze naar links evolueert, in het andere geval brokkelt ze af zowel ten voordele van rechts als van links“, schrijft Flassbeck-economics auteur Will Denayer 2. Alhoewel geformuleerd als een suggestie lijkt de steeds grondig argumenterende Denayer hierin een niet-utopisch scenario te zien. Het zou de weg openen voor een grondige verdragswijziging, waardoor bijvoorbeeld kwaliteitsjobs en sociale bescherming de kern zouden gaan vormen van het Europees economisch beleid.

Dit scenario lijkt echter uiterst onwaarschijnlijk, om het voorzichtig uit te drukken. Niet omdat sociaaldemocraten te dwaas zouden zijn om de lessen te trekken uit hun geschiedenis. Maar dat is niet de manier waarop partijen functioneren die diep verankerd zijn in het beheer van het staatsapparaat. Electoralisme, korte-termijndenken en persoonlijke carrièreplanning zijn veel doorslaggevender dan een analyse zonder voorbehoud van de sociale en politieke verhoudingen in een maatschappijveranderend perspectief. De sociaaldemocratische partijen stellen zich wel voor als de kampioenen van het “Europees ideaal”, maar in de praktijk is er van een Europese sociaaldemocratische strategie en een gezamenlijk project geen sprake, zoals nog maar eens bleek bij de voorkeur van de SPD voor de neoliberale Macron, eerder dan de kandidaat van de eigen familie.

Wat we eerder kunnen verwachten dan een wonderbaarlijke inkeer en ommekeer van de Europese sociaaldemocratie zijn uitstappen en overstappen op individuele, en eventueel fractionele basis. Mélenchon zelf is daar een voorbeeld van; hij verliet in 2008 de Parti Socialiste om de Parti de Gauche op te richten. Gewezen SPD-voorzitter Oskar Lafontaine is een ander voorbeeld; hij verliet in 2005 de SPD en ging een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van Die Linke. Er zijn tal van andere voorbeelden, en er zullen er ongetwijfeld nog meer volgen. Dergelijke “politieke vluchtelingen” kunnen met hun ervaring een nuttige inbreng hebben in formaties links van de sociaal-democratie, maar er anderzijds ook een deel opportunisme binnenbrengen. Mélenchon gaf blijk van beide zijden van de medaille.

Het ineenschrompelen van de sociaaldemocratie is één aspect van de hertekening van het politieke landschap in Europa; het ontstaan van nieuwsoortige formaties zoals Podemos in Spanje of de Vijfsterrenbeweging in Italië een tweede, en de successen van extreem rechts een derde. Voor de linkse krachten in Europa breken zeer moeilijke, maar ook zeer boeiende tijden aan.

  1. Tobback was voorzitter van de Vlaamse socialisten, federaal minister, senator, fractievoorzitter in de Kamer.
  2. Will Denayer, Sixty years of Europe: the EMU crisis, the Brexit and the PRIME proposal to reform the European institutions, 30 maart 2017, http://www.flassbeck-economics.com.

Laat een reactie achter