Facebook

Nee! Een stem tegen het neoliberalisme

26 juli 2011

door Willem Bos,  juni 2005

De uitslag van het referendum over de Europese Grondwet is een overduidelijke stem tegen het neoliberale project. Het is geen stem tegen Europa, tegen Europese samenwerking of tegen een Europese Unie. Het is een geluid tegen het neoliberale Europa dat men in deze Grondwet wilde vastleggen. Deze overwinning geeft nieuwe mogelijkheden voor de beweging voor een ander Europa en een andere globalisering.

Het nee kan niet eenduidig links uitgelegd worden. Ook traditionele, christelijke, nationalistische en xenofobische sentimenten speelden een rol. Maar opvallend genoeg waren deze niet overheersend in de campagne.

Een ‘klassenstem’

Dat het nee als een klassenstem moet worden gezien is duidelijk. Hoe lager men opgeleid was, hoe vaker men nee stemde. Hoger opgeleiden stemden het vaakst voor: 51 procent. Laag- en middelbaar opgeleiden stemden over het algemeen tegen: respectievelijk 82 en 72 procent. Hetzelfde geldt voor het inkomen: hoe minder men verdiende, hoe meer men nee stemde. Onder mensen met hogere inkomens won het nee overigens ook nipt, maar onder mensen met modale en lage inkomens werd twee keer vaker tegen dan voor gestemd. Aanzienlijk meer vrouwen dan mannen stemden tegen.

In de armste gemeente van het land, het Oost Groningse Reinderland stemde bijna 85 procent tegen, een percentage dat slechts overtroffen werd door het zwaar christelijke vissersdorp Urk waar bijna 92 procent van de bevolking tegen stemde. Slechts in een twintigtal extreem rijke gemeenten in het centrum en het zuiden van het land won het nee. In de steden was een soortgelijke trend te zien: hoe welvarender een wijk of stadsdeel, hoe meer ja stemmers, hoe armer hoe meer nee stemmers.

Opvallend is dat de aanhang van centrum-linkse partijen, die voor de grondwet waren, niet in overeenstemming met hun vertegenwoordigers stemde. Van de aanhang van de Partij van de Arbeid stemde 55 procent tegen. De aanhangers van GroenLinks stemden in heel kleine meerderheid voor de grondwet, 52 procent. En zelfs van de aanhang van het uiterst eurofiele D66 stemde 45 procent tegen.

Anti-establishment

De uitslag is des te opmerkelijker als we bedenken dat de traditionele politieke partijen allen voor waren. En dat ook de top van de Nederlandse ‘civil society’ voor de grondwet was. De leiding van de vakbeweging, van de grote milieuorganisaties, Amnesty International, het COC, de ontwikkelingsorganisaties, Greenpeace etc. – allen blijken zij volstrekt verkeerd te hebben ingeschat hoe hun leden over de grondwet dachten. Slechts een zeer beperkt aantal kleinere maatschappelijke organisaties van milieu- en dierenactivisten was tegen.

De uitslag van het referendum geeft aan dat er behalve een geweldige kloof tussen de burgers en ‘de politiek’, er ook grote kloof bestaat tussen het maatschappelijk middenveld en haar achterban.

De poldercultuur

Om deze feiten te begrijpen moeten we terugkijken naar de politieke ontwikkelingen in Nederland de afgelopen jaren. Een verpletterende verkiezingsnederlaag maakte in 1994 een einde aan de machtspositie van de christen-democratie in dit land. Sinds de tweede wereldoorlog namen de christen-democraten aan iedere regering deel, de ene keer in alliantie met de VVD, de andere keer met de PvdA. De verkiezingen in 1994 leidde voor het eerst tot een regering zonder het CDA. Onder leiding van de oud vakbondsleider Wim Kok voerde deze ‘paarse’ coalitie, die acht jaar aan de macht bleef, belangrijke neoliberale hervormingen door. Die paarse periode kwam in een tijd van geweldige depolitisering – de val van de muur, de crisis van het linkse perspectief – die werd versterkt door de neoliberale consensus onder de regeringspartijen. De politieke verschillen tussen de grote partijen en met name tussen de voormalige tegenpolen VVD en PvdA waren nauwelijks meer zichtbaar. De in Nederland altijd al sterke cultuur van overleg en consensus lag als een verstikkende deken over de politiek.

Die deken werd plotseling weggetrokken met de komst van de rechtse populist Pim Fortyun. Zijn kruistocht tegen ‘de puinhopen van paars’ richtte zich vooral tegen de multiculturele samenleving en de islam. Tegelijkertijd had Fortuyn een hard neoliberaal beleid voor ogen, dat verder ging waar Paars ophield.

Fortuyn werd gesteund door groepen uit de middenklasse die in de periode daarvoor hun economische positie aanzienlijk hadden versterkt, en nu ook uit waren op politieke invloed. Maar zijn grote succes was te danken aan de steun onder een deel van de laag opgeleide stedelijke, autochtone Nederlanders, die door de afbraak van de verzorgingsstaat en de liberalisering van de economie de zekerheid onder hun bestaan langzaam zagen wegvallen. Groepen die traditioneel behoorden tot de achterban van de sociaal-democratie, maar die nu ieder vertrouwen in links hadden verloren. Fortuyns xenofobie en populisme sloot naadloos aan bij de gevoelens van onbehagen onder deze lagen van de bevolking.

Na de dramatische moord op Fortuyn won zijn partij, de LPF, glansrijk de verkiezingen. De LPF werd in de regering opgenomen, maar werd na een regeringscrisis en nieuwe verkiezingen, waar de LPF een nederlaag leed, al snel vervangen door D66. De rol van de ‘Fortuyn revolte’ in het mogelijk maken van harder rechts beleid is niettemin groot. De kabinetten Balkenende I en II zijn zondermeer de meest rechtse kabinetten in Nederland sinds de tweede wereldoorlog, zowel op sociaal-economisch gebied als op het vlak van migranten en vluchtelingenbeleid. Ook de afzonderlijke partijen hebben een verder proces van verrechtsing doorgemaakt. Algemeen wordt er van uit gegaan dat het politieke gat dat Fortyun heeft achtergelaten alleen ruimte geeft voor een rechtse politiek.

Linkse mogelijkheden

Maar de diepte van de politieke crisis in dit land wordt door het politieke establishment niet begrepen. Nederland is in toenemende mate een samenleving op drift, zoals ook bleek toen iedereen, inclusief de vakbondstop, verrast werd door de enorm grote opkomst (een half miljoen mensen) bij de vakbondsdemonstratie op 2 oktober 2004. Het massale verzet tegen de pensioenplannen van het kabinet zette de arbeidersbeweging weer op de kaart en liet zien dat de onvrede bij mensen geen zaak van rechts alleen is.

Het politieke effect van die vakbondsstrijd was groot en werkt, ondanks de enorme terugval na de moord op Theo van Gogh en de golf van racisme en islamofobie die erop volgde, ook nu nog door. De referendumstrijd stond niet op zichzelf, maar ging gepaard met acties en stakingen van gemeentepersoneel en de acties van huisartsen tegen het nieuwe zorgstelsel. De invoering daarvan is uiterst impopulair en zou best wel eens voor de volgende crisis kunnen zorgen. Het sociale klimaat in Nederland is in het algemeen onrustig. De acties van politie-medewerkers, de stakingen bij openbaar vervoer, de dreigende staking bij ProRail, getuigen daarvan. De overwinning in het referendum kan niet los gezien worden van die sociale onvrede. Om politiek te profiteren van de uitslag van het referendum is het zaak die onvrede in actie om te zetten, de strijd tegen de regering en voor een ander Europa te organiseren.

Links of rechts nee?

De Nee campagne bestond uit vier componenten. Het meest extreme en gevaarlijke standpunt was dat van de afgescheiden rechtse liberaal Geert Wilders, die als onafhankelijke parlementariër moeite doet om een uiterst rechtse politieke formatie van de grond te krijgen en als opvolger van Fortuyn te gaan functioneren. Zijn campagne was xenofobisch van karakter en richtte zich vooral tegen de mogelijke toetreding van Turkije en de islamisering van Europa.

Een heel ander accent werd gelegd door de kleine christelijke partijen, die behalve bezwaren tegen het niet noemen van de joods christelijke traditie van Europa in de grondwet een betrekkelijk zuivere campagne voerde waarin ze beargumenteerde dat een verdere Europese integratie op dit moment niet zinvol is, en daar zeker deze Grondwet niet voor nodig is.

Ter linkerzijde was er het Comité Grondwet Nee, een klein ad hoc samenwerkingsverband van linkse activisten dat een duidelijke progressieve nee campagne voerde. Tegen dit ondemocratische, neoliberale en militaristische Europa – een ander Europa is mogelijk en noodzakelijk. Ondanks de geringe omvang en de zeer beperkte middelen heeft dit comité een behoorlijke rol gespeeld in de campagne en er zeker toe bijgedragen dat een progressief nee geluid werd gehoord en de nee campagne niet gedomineerd werd door rechtse nationalistische geluiden.

De belangrijkste politieke kracht in de campagne was zonder meer de SP, die zowel in de media als in het land een zeer actieve campagne voerde. Centraal in hun campagnestond het behoud van Nederland. Met deze Grondwet wordt Europa een superstaat en Nederland gedegradeerd tot niet meer dan een provincie. Zorg dat Nederland niet van de kaart verdwijnt, was de kern van hun boodschap, geïllustreerd met een kaartje van Europa waarin Nederland in zee was verdwenen. Door de druk van links en de dynamiek van de campagne kwam echter ook vanuit de SP steeds vaker progressieve en sociale elementen van het Nee naar voren.

In de campagne speelde natuurlijk allerlei elementen door elkaar heen een rol. Een algemene afkeer tegen het regeringsbeleid, en ‘de politiek’ in het algemeen, weerstand tegen het eeuwige bedissel vanuit Brussel, angst voor het verlies van nationale identiteit, christelijke en chauvinistische motieven, Turkije, en grote ergernis over de arrogantie van het ja kamp. Het is moeilijk om een inschatting te maken welke elementen bepalend waren, welk nee er heeft gewonnen.

In ieder geval is duidelijk dat Wilders met zijn anti-Turkse en islamofobische verhaal totaal niet in staat was de campagne te overheersen. Tevens is duidelijk dat de nee campagne niet anti-Europees kan worden vertaald, maar gericht was tegen het functioneren van het huidige Europa.

Een aardig beeld van de campagne valt de distilleren uit het onderzoek van Maurice de Hond een kleine week na het referendum. Daaruit blijkt dat als de mensen toen hadden kunnen stemmen de overwinning van het nee nog groter was geweest, namelijk 64 procent. De verschuivingen in de steun voor verschillende politieke partijen voor en na de campagne geven een aardige indicatie van het effect daarvan. De grote verliezer van de campagne blijken niet de regeringspartijen te zijn maar de PvdA. Zij dalen in deze campagne van virtueel 50 voor de campagne naar 41 parlementszetels. Als ze nu zouden stemmen zou 70 procent van de PvdA kiezers tegen de Grondwet stemmen. De grote winnaar in dit onderzoek is de SP die in de peilingen van 13 naar 21 zetels gaan. Al met al wordt duidelijk dat we de uitslag niet alleen als een ondubbelzinnige afwijzing van het neoliberale project kunnen interpreteren, maar ook dat vooral links zijn stempel op de campagne heeft weten te drukken.

De gevolgen van het nee

De gevolgen van deze uitslag zullen verstrekkend zijn. In de eerste plaats is het nu duidelijk dat na het dubbele nee uit Frankrijk en Nederland deze Grondwet zo dood als een pier is. In de tweede plaats heeft de uitslag van dit referendum belangrijke gevolgen voor de politieke verhoudingen in Nederland. Wat betreft de discussie over Europa liggen er nu mogelijkheden om tot nieuwe linkse initiatieven te komen. Het voorstel van het Comité Grondwet Nee om te komen tot een nationale conventie, die op democratische wijze de discussie over de toekomst van Europa en de rol van Nederland daarin zou gaan voeren, heeft niet direct weerklank gevonden. Wel is door het parlement het voorstel van de SP voor een brede maatschappelijke discussie over Europa aangenomen. Welke vorm dat zal krijgen in nog onduidelijk maar in ieder geval zal er voor gestreden moeten worden dat het geen vrijblijvend praatcircus wordt, en dat de voorstellen die daar uit komen weer aan de bevolking – in een referendum – ter goedkering worden voorgelegd.

Ook is het van belang dat er op Europees vlak initiatieven worden genomen om tot discussies en gezamenlijke standpunten over de toekomst van Europa te komen. Doordat de discussies niet synchroon lopen en de tijdsdruk groot is, zijn de referendumcampagnes in de verschillende landen sterk nationaal geweest. In de komende periode liggen er mogelijkheden om op basis van het afwijzen van deze grondwet tot gezamenlijke internationale initiatieven te komen. Het Europees Sociaal Forum is daar een uitstekende plek voor.

Een ander punt is dat voor de politieke partijen uit het ja kamp en heel veel maatschappelijke organisaties de legitimiteit en representativiteit van hun leiding en oriëntatie ter discussie staat. Ongegeneerd, vaak zonder interne discussie oproepen om voor de Grondwet te stemmen terwijl de grote meerderheid van de achterban daar tegen blijkt te zijn zou voor iedere serieuze organisatie een probleem moeten zijn. De discussies die ongetwijfeld in vele organisaties los zullen barsten geeft meer ruimte voor kritische linkse geluiden.

Het belangrijkste is wel dat er mogelijkheden liggen om af te rekenen met de rechtse hegemonie van de afgelopen jaren. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau van vorig jaar blijkt dat de Nederlanders hechten aan goede sociale voorzieningen, toegankelijke zorg voor iedereen, goed en goedkoop onderwijs. Mensen hebben in dit referendum opnieuw duidelijk gemaakt niks te zien in een overspannen neoliberale, vermarkte samenleving. Met de brede neoliberale consensus in de Nederlandse politiek moet daarom maar eens afgerekend worden.

Reacties plaatsen niet mogelijk