Facebook

De coronacrisis van de euro

Michael Roberts (*)
21 april 2020

 

Aanstaande donderdag 23 april is er een videoconferentie van de EU-leiders om opnieuw te bespreken wat te doen met de coronapandemie en de daaruit voortvloeiende lockdown van de productie over het hele grondgebied. In het bijzonder is er de omstreden vraag hoe hulp te bieden aan EU-lidstaten als Italië en Spanje die het hardst door de pandemie zijn getroffen.

Vorige week kwamen de ministers van financiën van de eurozone tot een noodhulpplan tegen de Covid-19-pandemie, na teleconferenties over drie dagen en twee nachten. De PIGS (Portugal, Italië, Griekenland, Spanje) mikten hoog met de eis dat de landen van de eurozone de last van de crisis delen met een gezamenlijk uitgegeven schuldinstrument, bekend als ‘coronabond’. De FANG’s (Finland, Oostenrijk, Nederland, Duitsland) of ‘vrekkige vier’ wezen dit af en stelden voor dat elk lid van de muntunie zijn schulden alleen draagt.

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay

De Nederlandse minister van financiën Wopke Hoekstra speelde de ‘bad cop’. Hij verwierp een ‘gemeenschappelijke obligatie’ waarvoor de eurolanden samen garant staan, met het argument dat het de schuld van Italië is met zijn hoge staatsschuld waardoor het land niet zelf kan instaan voor de kosten van de pandemie. Hij had geen vertrouwen in het ‘verkwistende’ uitgavenpatroon van landen als Italië. Het klonk als de echo van de hardvochtige houding van de Eurogroep tegenover Griekenland tijdens de zogenaamde ‘euro-schuldencrisis’ van 2012-2015.

De zuidelijke staten, gesteund door Frankrijk, protesteerden dat het standpunt van de Nederlandse minister in tegenspraak was met het hele idee van het Europese project, zogenaamd bedoeld om oorlogvoerende Europese landen tot één geïntegreerd en harmonieus geheel te maken. “We laten niemand in de steek”, had Commissievoorzitter Ursula von der Leyen gezegd in haar openingstoespraak voor het Europees Parlement begin 2020. En op het World Economic Forum in Davos drie maanden geleden: “We moeten de kracht van samenwerking herontdekken, gebaseerd op eerlijkheid en wederzijds respect. Dit is wat ik noem ‘de geopolitiek van de wederzijdse belangen’. Dit is waar Europa voor staat.”

Mooie woorden, maar die vergingen in rook op de bijeenkomst van de ministers van financiën. Uiteindelijk capituleerden de zwakke zuidelijke staten voor de ‘vrekkige vier’, omdat ze geen alternatief hadden. Mário Centeno, de Portugese minister van financiën en de huidige Mijnheer Euro bereikte een nachtelijk compromis: “Aan het eind van de dag, of moet ik zeggen: aan het einde van de derde dag, is het belangrijkste dat we de uitdaging zijn aangegaan.”

Maar het ‘compromis’ helpt het Italiaanse kapitalisme niet uit de problemen. De ministers van financiën hebben overeenstemming bereikt over een pakket van 500 miljard euro om de crisis te verlichten. Er wordt een ESM-kredietlijn 1 geopend (tot 240 miljard euro), die, hoewel slechts onderworpen aan geringe  voorwaarden, beperkt blijft tot het dekken van ‘directe en indirecte’ gezondheidszorgkosten. Maar deze kredietlijn zal waarschijnlijk niet worden gebruikt door Italië, dat al wordt belast door torenhoge overheidsschulden (alleen overtroffen door Griekenland).

Voorts zal er een EU-programma komen om lidstaten goedkope leningen te verstrekken, zonder voorwaarden, ter ondersteuning van arbeidstijdverkorting, dat SURE (Support to Mitigate Unemployment Risks in Emergency; Steun om werkloosheidsrisico’s in noodsituaties te verminderen) wordt genoemd. Hierdoor kan de EU lenen op de financiële markten en de gelden aan de lidstaten doorgeven. Maar dit is slechts een kortdurende maatregel. Verder komen er leengaranties van de Europese Investeringsbank voor bedrijven.

En de ECB koopt nu op grote schaal staatsobligaties aan in het kader van het PEPP (Pandemic Emergency Purchase Program, een nood inkoopprogramma). Het PEPP-programma zorgt er momenteel dus voor dat de Italiaanse regering zich tijdens de coronacrisis tegen zeer lage kosten kan blijven herfinancieren.

De Franse president Macron bekloeg zich over het besluit van de euroministers van financiën. Hij waarschuwde dat de EU dreigde uiteen te vallen, tenzij er ‘financiële solidariteit’ komt. Zijn oplossing was een gezamenlijk virus-herstel-fonds, dat “gezamenlijk schuldobligaties kan uitgeven met een gemeenschappelijke garantie” om de lidstaten te financieren op basis van hun behoeften, in plaats van op basis van de omvang van hun economie. “Je kunt geen gemeenschappelijke markt hebben waar sommigen worden opgeofferd”, voegde hij eraan toe. “Het is niet meer mogelijk. . .  om geen gezamenlijke financiering te hebben voor de uitgaven die we doen in de strijd tegen Covid-19 en die we nodig zullen hebben voor het economisch herstel.” Ja, hij weet dat dit “tegen alle dogma’s ingaat, maar zo is het.” Hij bedoelde de gebruikelijke neoklassieke bezuinigingsdogma’s.

Macron herinnerde aan de “kolossale, fatale fout” van Frankrijk bij het eisen van herstelbetalingen van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog, die een populistische Duitse reactie en de daarop volgende ramp veroorzaakte. “Het is de fout die we niet hebben gemaakt aan het einde van de Tweede Wereldoorlog”, zei hij. “Mensen praten vandaag nog steeds over het Marshall-plan, . . . we noemen het ‘helikoptergeld’ en we zeggen: ‘we moeten het verleden vergeten, een nieuwe start maken en naar de toekomst kijken’.”

 Hier herhaalde Macron de kritiek van John Maynard Keynes die het opleggen van herstelbetalingen door Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS aan Duitsland na de Eerste Wereldoorlog bekritiseerde. Keynes kwam met zijn Scheme for the Rehabilitation of European Credit (plan voor het herstel van de Europese kredietverlening)  waarbij Duitsland obligaties zou uitgeven en de voormalige vijandige naties de Duitse obligaties hoofdelijk en gezamenlijk zouden garanderen, in bepaalde gespecificeerde verhoudingen. Deze Keynesiaanse oplossing is in wezen wat er nu wordt voorgesteld met EU-coronabonds, die door alle lidstaten moeten worden gefinancierd en gegarandeerd.

Maar zelfs als coronabonds zouden worden geïntroduceerd, zou dat dan voldoende of zelfs de juiste ‘oplossing’ zijn voor de enorme depressie die Italië en alle zwakkere landen van de EU treft? Zoals de rechtse Italiaanse ‘populist’ Matteo Salvini opmerkte: “Ik vertrouw geen leningen afkomstig van de EU. Ik wil geen geld vragen aan woekeraars in Berlijn of Brussel … Italië heeft jaarlijks miljarden euro’s aan de EU gegeven en blijft het geven en het verdient alle nodige steun, maar niet via perverse mechanismen die de toekomst van het land zouden verpanden.”

Italië heeft een enorme overheidsschuld, niet omdat de regering zich schuldig heeft gemaakt aan verkwistende uitgaven. Integendeel, de regering heeft permanent bezuinigd en heeft 24 van de afgelopen 25 jaar een jaarlijks overschot aan belastinginkomsten over de uitgaven (exclusief rente over schuld) gehad! (Grafiek 1)

 

Grafiek 1: Het primair saldo van de begrotingen van Duitsland, Italië en Nederland (1996-2019) als percentage van hun BBP. Het primair saldo toont hoeveel overschot of tekort er op de begroting zou zijn als er geen intrest moest betaald worden op de staatsschuld. Men ziet dat ook Italië op één jaar na steeds een primair overschot had. 

Deze bezuinigingen hebben geleid tot de afbouw van openbare diensten, de achteruitgang van het gezondheidssysteem zodat het de pandemie niet meer aankon, en heeft bijgedragen tot de bar slechte groei van de productiviteit en de investeringen gedurende meer dan twee decennia. Als gevolg hiervan zal de Italiaanse overheidssteun bij de pandemie minimaal zijn. In Duitsland bedraagt de onmiddellijke fiscale impuls (in de vorm van extra overheidsuitgaven voor medische apparatuur, arbeidstijdverkorting, subsidies voor kleine en middelgrote ondernemingen, enz.) in 2020 ongeveer 7% van de economische productie; in Italië is dit slechts 0,9 %.

De Italiaanse economie bevindt zich in een permanente crisis, maar de negatieve economische effecten van de coronaschok hebben deze verergerd. Uit zichzelf zal Italië de economie na de corona-lockdown niet meer op de rails kunnen krijgen. Volgens de laatste ramingen van het IMF zal geen land in Europa hogere bruto financieringsbehoeften (aflopende schuld en begrotingstekort) hebben dan Italië. (Grafiek 2)

 

Grafiek 2:  Bruto financiële behoeften (% van het bbp) voor 2020 in diverse EU-landen. Het blauwe deel heeft betrekking op de aflossing van staatsschuld, het bruine is het tekort op de begroting.

Het enige wat een coronabond zou doen, is de financiën van Italië voor de periode van de crisis overbruggen, maar dit biedt geen perspectief tot herstel van economie, werkgelegenheid en investeringen. Na de depressie zou de staatsschuld van Italië zelfs hoger zijn dan de huidige 130% van het BBP. Het IMF verwacht dat het jaarlijkse primaire saldo van de overheidsfinanciën zal oplopen tot een tekort van 5% van het BBP, terwijl de schuld toeneemt tot 155% van het BBP. Daarom is de rente die wordt geëist door degenen die bereid zijn Italiaanse staatsobligaties te kopen, gestegen (Grafiek 3), vooral in vergelijking met Duitsland, waar de rente eigenlijk negatief is. De realiteit is dat het Italiaanse kapitalisme (zoals dat van Griekenland) gewoon te zwak is om de zaken weer ten goede te keren.

 

Grafiek 3: rente (%) op een 10-jarige Italiaanse staatslening. Bemerk de plotse verhoging met bijna 1,5% bij het uitbreken van de coronacrisis.

Ik zal in een toekomstig bericht terugkeren naar de eindeloze tragedie van Griekenland en zijn vooruitzichten met betrekking tot de Covid-crisis. Maar waarom is het Italiaanse kapitalisme zo zwak? En vooral: waarom heeft het lidmaatschap van Italië in de eurozone niet geleid tot een sterkere Italiaanse economie? Het antwoord ligt bij de aard van de kapitalistische accumulatie. Het verenigen van verschillende natiestaten tot één budgettaire en monetaire eenheid levert enorme problemen op voor het kapitalisme. Historisch gezien werd het alleen bereikt door militaire verovering of burgeroorlog; de federale unie van de VS werd aldus bereikt door de militaire nederlaag van de zuidelijke staten.

Het kapitalisme is een economisch systeem dat arbeid en kapitaal combineert, maar ongelijkmatig. De middelpuntzoekende krachten van gecombineerde accumulatie en handel worden vaak meer dan gecompenseerd door de centrifugale krachten van ontwikkeling en ongelijke waardestromen. Er is geen neiging tot evenwicht in handels- en productiecycli onder het kapitalisme. Budgettaire, loon- of prijsaanpassingen zullen het evenwicht niet herstellen en moeten hoe dan ook zo groot zijn dat het sociaal onhaalbaar is zonder de muntunie te verbreken.

Toen de euro werd bedacht, was het doel om een grotere convergentie en integratie van de EU-staten door een monetaire unie tot stand te brengen. Maar de EU-leiders stelden convergentiecriteria op om tot de euro toe te treden, die alleen monetair (rente en inflatie) en budgettair (begrotingstekorten en schuld) waren. Er waren geen convergentiecriteria voor productiviteitsniveaus, BBP-groei, investeringen of werkgelegenheid. Waarom? Omdat dit terreinen waren voor het vrij verkeer van kapitaal (en arbeid), en waar de kapitalistische productie vrij van staatsinmenging of overheidsingrijpen moet worden gehouden. Het EU-project is immers een kapitalistisch project.

Zoals ik in eerdere berichten heb uitgelegd, is de marxistische theorie van de internationale handel gebaseerd op de waardewet. In de eurozone heeft Duitsland een hogere organische kapitaalsamenstelling [meer machinerie in verhouding tot arbeid] dan Italië, omdat het technologisch geavanceerder is. Dus in elke handelstransactie tussen de twee landen wordt waarde overgedragen van Italië naar Duitsland. Italië zou dit kunnen compenseren door de schaal van zijn productie/uitvoer naar Duitsland te vergroten, om dan een handelsoverschot met Duitsland te hebben. Dit is wat China doet. Maar Italië is daarvoor niet groot genoeg. Het draagt dus waarde over naar Duitsland en heeft nog steeds een tekort op haar totale export met Duitsland.

In deze situatie wint Duitsland binnen de eurozone ten koste van Italië. Alle andere lidstaten kunnen hun productie niet opschalen om Duitsland te overtreffen, dus wordt de ongelijke ruil in de hele Eeuropese Muntunie (EMU) versterkt. Bovendien heeft Duitsland een handelsoverschot met andere landen buiten de EMU; daardoor kan het meer kapitaal investeren in EMU-landen met een handelstekort.

Dit verklaart waarom de kernlanden van de EMU sinds de vorming van de eurozone verder afgedreven zijn van de perifere landen. Bij een enkele munteenheid worden de waardeverschillen tussen de zwakkere staten (met een lagere organische samenstelling van het kapitaal, minder machines in verhouding tot werkkracht) en de sterkere (hogere organische samenstelling) blootgelegd, evenwel zonder de mogelijkheid dit te compenseren door de devaluatie van een nationale munt of door het productievolume te verhogen. Dus verloren de zwakkere kapitalistische economieën (in Zuid-Europa) binnen het eurogebied terrein aan de sterkere (in het noorden).

Het Frans-Duitse kapitaal breidde zich uit naar het zuiden en oosten om daar te profiteren van goedkope arbeidskrachten, terwijl het buiten het eurogebied exporteerde met een relatief concurrerende munt. De zwakkere EMU-staten bouwden handelstekorten op met de noordelijke staten en werden overspoeld met noordelijk kapitaal, wat een onevenwichtige groei in onroerend goed en financiën veroorzaakte die niet overeenkomt met die in de productieve sectoren van het zuiden. De Duitse winstgevendheid is dus tijdens de euro gestegen, terwijl die van Frankrijk en de periferie is afgenomen. (Grafiek 4)

Grafiek 4 De verandering van de winstvoet sinds de oprichting van de EU tot 2007

 

Een recent artikel bevestigt deze uitleg waarom er divergentie en geen convergentie is binnen de eurozone:

“De opkomst van exportgedreven groei in kernlanden en schuldgedreven groei in de periferie van de eurozone zijn terug te voeren op verschillen in technologische capaciteiten en bedrijfsprestaties. De macro-economische divergentie tussen kern- en perifere landen wordt gedreven door het naast elkaar bestaan van twee verschillende groeitrajecten (exportgestuurde vs. vraaggestuurde modellen), die zelf terug te voeren zijn op een ‘structurele polarisatie’ in termen van technologische mogelijkheden. ”

De auteurs concluderen dat “gezien de centrale rol van technologische mogelijkheden voor de beoordeling van (toekomstige) economische ontwikkelingen, suggereren onze resultaten dat men niet kan verwachten dat een natuurlijk convergentieproces zich in de eurozone zal voordoen. Het is ook duidelijk dat de ‘one-size-fits-all’-benadering van begrotingsconsolidatie in de door crisis geteisterde perifere landen vanaf 2010 gedoemd was te mislukken … Budgettaire bezuinigingen zijn nadelig voor het herstel van sterke productieve sectoren in de eurozone. Aangezien structurele polarisatie macro-economische divergentie stimuleert, moet men inderdaad verwachten dat de eurozone uiteindelijk zal uiteenvallen, als de ‘lock-in’ van industriële specialisatie tussen kern- en perifere landen niet wordt verbroken door gerichte beleidsinterventies.”

De Italiaanse economie heeft een noodlijdende banksector, die veel te groot is, veel slechte leningen heeft en die de belastingbetalers de afgelopen jaren vele miljarden heeft gekost als gevolg van herhaalde staatssteun. Er is een zwakke productiviteitsgroei en verslechterende polarisatie tussen Noord- en Zuid-Italië. Verre van een eurozone, die het Italiaanse kapitaal nieuwe kansen biedt om uit te breiden, heeft het de Italiaanse economie in een quasi-permanente smeulende crisis gehouden. Terwijl de Duitse economie in reële termen met gemiddeld 2,0% groeide en de eurozone met 1,4% per jaar in de periode 2010-2019, bedroeg de reële bbp-groei in Italië in dezelfde periode slechts 0,2%. (Grafiek 5).

Grafiek 5: Gemiddeld BBP per hoofd van de bevolking (afwijking in duizenden euro t.o.v. EA-12-gemiddelde), 1999-2019. EA-12 slaat op de 12 landen van de eurozone tot en met Griekenland, vóór de uitbreiding met landen van Oost-Europa. In 2019 bedraagt het verschil tussen Duitsland en Italië ongeveer 8000 €. 

Terwijl het BBP per inwoner (in koopkrachtpariteit, d.w.z. rekening houdend met het prijsniveau) in Italië in 1999 nog ongeveer € 1000 boven het gemiddelde van het eurogebied lag, was het twintig jaar later – net voordat de corona-crisis begon – bijna € 4000 onder het gemiddelde van het eurogebied gedaald. Duitsland daarentegen, waar de inkomens per hoofd van de bevolking al iets hoger waren dan in Italië toen het toetrad tot de euro, bleef in dezelfde periode afsnoepen, wat resulteerde in een toenemend BBP per hoofd van de bevolking. Italië had vóór de corona-crisis al twee decennia in zijn economische ontwikkeling verloren.

Gemeenschappelijke coronabonds, zo geliefd bij de keynesianen en post-keynesianen, is een zielig antwoord op deze crisis. Wat nodig is, is een enorme verhoging van de EU-begroting van het huidige belachelijk lage cijfer van 1% van het BBP van de EU tot 20%, samen met geharmoniseerde belastingmaatregelen om een einde te maken aan de ‘race to the bottom’ in vennootschapsbelasting, een race aangevoerd door Ierland. Een dergelijk budget zou kunnen beginnen met het plannen van investeringen, werkgelegenheid en openbare diensten op grote schaal waar iedereen in de EU baat bij heeft. Het zou nodig zijn wil men een Marshall-plan voor Europa financieren waar Macron het over heeft, maar waarin de nutteloze grote banken van de EU worden overgenomen, samen met het in publiek eigendom brengen van de belangrijkste sectoren van de productieindustrie. Dan kan de basis gelegd worden voor een echte Verenigde Staten van Europa, waar de periferie groeit met behulp van de kern.

Daarzonder kan de coronapandemie een onherroepelijk uiteenvallen van de bestaande monetaire unie veroorzaken. De kernlanden van de eurozone zijn niet bereid om een begrotingsunie en de herverdeling van middelen tot stand te brengen om de productiviteit en werkgelegenheid in de periferie te verhogen. Hoe dan ook, volledige en harmonieuze ontwikkeling die tot convergentie leidt, is onder de kapitalistische productiewijze niet mogelijk. Integendeel, de ervaring met de EMU is divergentie.

De mensen in Zuid-Europa zullen mogelijk nog meer jaren moeten bezuinigen om de schulden aan het noorden terug te betalen. Toch zal de toekomst van de euro waarschijnlijk niet door de populisten in de zwakkere staten worden bepaald, maar door het meerderheidsstandpunt van de strategen van het kapitaal  in de sterkere economieën. De regeringen van Noord-Europa kunnen uiteindelijk besluiten Italië, Spanje, Griekenland enz. te dumpen en een sterke ‘NorEuro’ te vormen rond Duitsland, Oostenrijk, de Benelux en Polen. Geen wonder dat Macron zich ernstig zorgen maakt.


(*) Michael Roberts is een Brits marxistisch econoom, de auteur van The Great Recession: a Marxist view (2009) en The Long Depression: Marxism and the Global Crisis of Capitalism  (2016). Hij schrijft uitvoerig op zijn blog. waar ook dit artikel verscheen (19 april 2020) onder de titel  The euro’s corona crisis. De Nederlandse vertaling is door Ander Europa; enkele grafieken werden weggelaten. We brachten onlangs ook de vertaling van zijn Lives or livelihoods?

Hits: 161

Voetnoten

  1. Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) is een permanent financieel noodfonds dat leningen verstrekt aan lidstaten van de Eurozone die in financiële problemen verkeren. Er worden daarbij strenge eisen gesteld (‘conditionaliteit’) over economische hervormingen in neoliberale zin. [Noot van de vertaler]

 

Laat een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *