Evenementen

Facebook

De rechtsstaat, rechtse staten en de EU

23 december 2020

 

De voorbije maand was er weer opschudding in de Europese Unie, en net zoals in juli ging het over de Europese begroting en het coronaherstelfonds. Deze keer waren het echter niet de ‘vrekkige vier’, aangevoerd door Nederland die dwars lagen, maar het ‘illiberale’ duo Hongarije-Polen, aanvankelijk ook nog gesteund door Slovenië.  Alhoewel beide landen zelf aanzienlijke bedragen uit het herstelfonds zouden betrekken (40 miljard in het geval van Hongarije, 130 miljard voor Polen) namen ze het niet dat er steeds meer stemmen opgingen om die betalingen afhankelijk te maken van ‘het respect voor de rechtsstaat’.  Vooral het autoritaire regime van de Hongaarse premier Viktor Orbàn en zijn Fidesz-partij wordt daarbij met de vinger gewezen wegens bemoeienissen met de rechterlijke macht, het regeren per decreet, het optrekken van muren tegen vluchtelingen, enzovoort. Ook de Poolse oerconservatieve nationalistische regeringspartij Recht en Gerechtigheid (PiS) wordt beschuldigd van bemoeienis met het grondwettelijk hof, met de media, ziet homo’s niet zitten, en nog veel onfraais.

Men moet zelfs niet erg links zijn om weinig te voelen voor dergelijke regimes. Als ze dan ook nog eens “de rest van de Europese lidstaten chanteren met de blokkering van de Europese begroting en het COVID-19 Herstelfonds” lijkt de maat wel vol. Geld krijgen en onze waarden niet respecteren, dat gaat te ver!  Zouden we die twee niet beter buitengooien? Toch wordt hier, bijna onmerkbaar, over een aantal dingen heen gegaan. Fidesz kreeg bij de laatste parlementsverkiezingen (2018) 49,27% van de stemmen, PiS 43,59% (2019). Gewezen Commissievoorzitter Juncker begroette Orbàn in 2015 weliswaar eens met ‘Hallo dictator’, wat echter niet wegneemt dat ze beiden lid zijn van dezelfde Europese Volkspartij. Hongarije respecteert de rechten van vluchtelingen niet, maar dat doet de Europese Unie zelf ook niet. Wat de persvrijheid betreft en het recht op informatie, maakt de EU zich ook niet druk om een voorvechter van die vrijheid als Julian Assange. Ook al vóór de coronacrisis zette Macron zijn parlement buitenspel om via volmachten het arbeidsrecht naar zijn hand te zetten en in Catalonië werd een politiek conflict met bruut politiegeweld beantwoord. Bij al deze gelegenheden maakte Brussel zich geen zorgen over de ‘rechtsstaat’… Er zou dus best eens van naderbij gekeken worden wat die argumenten over de rechtsstaat waard zijn.

We kunnen daarvoor te rade gaan bij een interessante commentator: professor Andreas Nölke, die politieke wetenschappen doceert aan de Goethe Universiteit in Frankfurt a/M. Zeker geen stille minnaar van rechtse regimes (zoals die in Hongarije en Polen) zoals uit zijn standpunt wel zal blijken, maar wel een kritisch analist van de Europese Unie, die graag kijkt wat er zich onder de vernislaag bevindt. Nölke publiceerde onlangs een artikel over de kwestie in het Duitse magazine Makroskop 1. Met toelating van de auteur geven we er hier een samenvatting van.

De rampzalige behandeling van Polen en Hongarije

Andreas Nölke
samenvatting door H. Michiel

 

Nölke laat er vooreerst geen twijfel over bestaan dat hij geen sympathie heeft voor de regeringen in Polen en Hongarije. De sociale politiek van de ultraconservatieve Poolse regering is afschuwelijk, of het over abortus gaat of over de discriminatie van homoseksuelen, lesbiennes etc. (LGBT). De Hongaarse regering is bovendien bekend voor haar vriendjespolitiek en cadeaus aan ondernemingen, ten koste van armere bevolkingsgroepen. Maar, zegt Nölke, in deze aangelegenheid mogen we ons niet laten leiden door politieke sympathie of antipathie; het gaat over basiskwesties van de democratie, het functioneren van de EU en de manier waarop de politiek en de media hiermee omgaan.

 

Wie blokkeert?

Is het dan niet zo dat Polen en Hongarije, door de Europese begroting en het coronafonds te blokkeren de miserie van de zwaar getroffen landen in Zuid-Europa nog verergeren? De verantwoordelijkheid daarvoor kan echter niet alleen aan die twee landen toegeschreven worden. De confrontatie gaat ook uit van het Europees Parlement, dat op een verscherping van de rechtsstaat-voorwaarde aandrong, wel wetend dat dit het conflict alleen maar verhevigt. Nog meer olie op het vuur door de suggestie dat wat niet binnen de EU-instellingen haalbaar is (de dwarsliggende regeringen gebruiken uiteindelijk hun vetorecht zoals het binnen de Europese constructie voorzien is), dan maar erbuiten moet gebeuren. Het verdrag van Lissabon voorziet inderdaad in een mogelijkheid tot ‘permanente gestructureerde samenwerking’ tussen een beperkt aantal lidstaten, terwijl anderen erbuiten blijven, maar het coronafonds behoort niet tot de domeinen waar zulks toegelaten is.

Maar is er dan geen groot verschil in democratische legitimiteit tussen de autocratische Poolse en Hongaarse regimes enerzijds en de Europese beslissingscentra anderzijds? Beslist niet, zegt Nölke. Over die van de Europese Commissie kunnen we best zwijgen. Die van de ministerraad – wie verkiest die? – is gering. En het Europees Parlement? De deelname aan de Europese verkiezingen is gering, het gaat minder over Europees beleid dan over nationale partijen, er is geen echte Europese kiesstrijd, en het publiek staat ver van de debatten in dat Europees Parlement. Een Europese zetel wordt bovendien in het Groothertogdom Luxemburg door tien maal minder kiezers aangeduid dan in Duitsland. Daartegenover is de democratische legitimiteit van Polen en Hongarije een stuk directer, zelfs met de inbreuken die zich vooral in Hongarije voordoen. De deelname aan verkiezingen is er hoger, regeringen steunen op sterke meerderheden.

Nölke voegt hier nog een klein gedachtenexperiment aan toe: “Hoe zou het zijn als in eigen land de rechtsstatelijkheid van het regime door Europese instanties zou in vraag gesteld worden?” De grote beroering die er in Duitsland ontstond rond de betwisting van het beleid van de Europese centrale bank door het Duits Grondwettelijk Hof geeft daar een beetje een idee van.

 

Polen ≠ Hongarije

Het is problematisch dat Polen en Hongarije ongedifferentieerd voorgesteld worden in de Duitse media en politiek, zegt Nölke, maar dat is ook bij ons (België, Nederland… hm) het geval. Beide landen worden als ‘rechtspopulistisch’ bestempeld, maar op het gebied van democratie en rechtsstaat zijn er aanzienlijke verschillen.

Wat Hongarije betreft heeft de lange periode waarin Orbàn’s Fidesz aan de macht is [1998-2002, 2010-heden] inderdaad tot inperkingen van de democratie gevoerd, al moet men omzichtig zijn met criteria, voegt Nölke eraan toe, als men ook denkt aan de decennialange éénpartijdominantie van de CSU in Beieren. De democratie blijkt in Hongarije toch ook nog te functioneren zoals bleek bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2019, waarbij de oppositie de macht overnam van Fidesz in Boedapest en andere grote steden; in een autocratie zou dit niet mogelijk zijn.

Maar het zou volledig misplaatst zijn om in het geval van Polen te spreken van een zelfs maar beginnende autocratische regeringsvorm. Er is een uitgesproken persvrijheid, de PiS moet permanent met verkiezingsnederlagen rekening houden, en qua bemoeienissen met het grondwettelijk Hof valt het ook nog mee. Nölke voegt er nog de opmerking aan toe dat grondwettelijke hoven een hoeksteen zijn van een liberale democratie, maar in een republikeinse opvatting daarvan speelt een parlement als uitdrukking van de volkssoevereiniteit een veel belangrijkere rol.

 

Moet de EU dan niet letten op correct gebruik van Europese fondsen?

Dat moet ze zeker, en dat gebeurt ook, door het Europees antifraudebureau OLAF. Ook wat misbruik betreft kunnen Hongarije en Polen onmogelijk op dezelfde voet geplaatst worden. Polen is op dit gebied een van de voorbeeldigste lidstaten, volgens OLAF scoort het land zelfs beter dan Duitsland. Maar het conflict rond de ‘rechtsstaat’ heeft in feite niets te maken met fraude met coronagelden of andere Europese subsidies. Het conflict draait errond dat aan het herstelfonds nu een vage rechtsstaatclausule verbonden wordt, die dan door de Europese instanties kan geïnterpreteerd worden.

Men komt dan al vlug tot de vaststelling dat er niet steeds met dezelfde maatstaf wordt gemeten. Nemen we het geval van de benoeming van grondwettelijke rechters, een aangelegenheid waar Nölke nogal wat aandacht aan besteedt; we beperken ons hier tot één aspect. Aan Polen wordt verweten dat er politieke invloed is bij de benoeming van deze rechters, via de door de PiS gedomineerde parlementaire meerderheid. Maar wat dan te zeggen in het geval van Frankrijk? Daar komt er geen parlement aan te pas, maar wordt er telkens één benoemd door de Franse president, één door de voorzitter van het Parlement en één door de voorzitter van de Senaat; het is dus best mogelijk dat ze alle drie door de regeringspartij(-en) benoemd worden…

Moet de EU dan niet letten op democratie en rechtsstaat in de lidstaten?

Bij Nölke geen gevleugelde beschouwingen over de ‘verdediging van de hoge waarden in onze Europese Unie’, maar eerder enkele praktische beschouwingen die misschien wel nuttiger zijn als men antidemocratische tendenzen in lidstaten wil terugdringen. “Externe druk is contraproductief”, stelt Nölke. Democratie, of toch bepaalde opvattingen daarover, willen opleggen door dwang uit te oefenen lukt niet. Als men de politieke evolutie in Polen en Hongarije de laatste jaren overschouwt, dan krijgt men de indruk dat men eerder het tegengestelde bevordert. De externe druk wordt door de regeringen via een nationalistische retoriek te baat genomen om hun binnenlandse positie te versterken; parallellen met de jarenlange dwang door de Sovjet-Unie liggen dan voor het grijpen. En ook bevolkingsgroepen die niet meteen achter de regering staan kunnen beschimpingen uit het buitenland met een nationale reflex beantwoorden.

We kunnen het vervelend vinden, maar inzoverre democratie of rechtsstaat in Polen en Hongarije aangetast zijn, zullen Poolse en Hongaarse burgers voor het herstel ervan moeten strijden.

Als Duitser voegt Nölke er nog aan toe dat Duitse politici en media er zich best van zouden bewust zijn dat de Duitse economische en politieke dominantie in de EU niet alleen in Zuid-Europa zeer sceptisch wordt bekeken, maar dat dit ook in Oost-Europa het geval is, gezien de afhankelijkheid van Duitse investeringen en multinationals. Als Duitsland zich dan ook nog zou gaan opwerpen als de scheidsrechter over Oost-Europese politiek en rechtswezen moet men niet verbaasd zijn als de term ‘imperialisme’ valt…


 

Hits: 151

Voetnoten

  1. De meeste artikels van Makroskop verschijnen online maar zijn betalend; een paar keer in het jaar is er een gedrukte uitgave. De hier besproken tekst van professor Nölke is een vrij artikel dat beschikbaar is op Der verhängnisvolle Umgang mit Polen und Ungarn (1 december 2010).  

 

Laat een reactie achter

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *